Roland GT-5 MIDI IMPLEMENTATION [nl]

GT-5

Guitar effects processor

Nederlandstalige handleiding

GT-5 Handleiding

1. Inleiding

1.1Voornaamste kenmerken

Handige functies voor live gebruik

De GT-5 heeft alles om op het podium zijn mannetje te staan. Terwijl u speelt kunt u met de pedalen Patches kiezen en — bijvoorbeeld met het zwelpedaal — veranderen. Daarnaast beschikt u nog over een reeks praktische functies, bijvoorbeeld de ingebouwde Tuner.

Vervormingseffecten op basis van COSM technologie

We hebben de GT-5 het beste van twee generaties “vervorming” meegegeven: de vooruitstrevende digitale COSM technologie, gecombineerd met de klassieke analoge BOSS oversturing. Dat levert u een enorm palet aan overstuurde klanken op.

Professionele kwaliteit

De kwaliteit van de 28 verschillende effecten staat buiten kijf. Zo hoeft de Reverb niet onder te doen voor hoogwaardige studio-effecten, biedt de Delay SOS (Sound-On-Sound) mogelijkheden en laten de gitaarsynthesizereffecten u kennismaken met ongehoord expressieve geluiden, die we te danken hebben aan een nieuw ontwikkelde akoestische gitaarsimulator en Roland’s HRM techniek uit de VG-8.

Maak uw eigen vervormingseffect/voorversterker

De instelmogelijkheden zijn zo opgevat dat u als het ware uw eigen effectapparaat of voorversterker ontwerpt. Niet de GT-5, maar uw verbeelding stelt hierbij de grenzen.

Voorgeprogrammeerde instellingen

Om snel even een effectje te maken kunt u — voor ieder effect in de keten — beroep doen op een reeks voorgeprogrammeerde instellingen. Dat geeft onmiddellijk een aannemelijk resultaat. Als u wat meer tijd hebt, kunt u natuurlijk ook de instellingen naar uw hand zetten en de uitkomst daarvan opslaan in een User geheugen.

Voor ieder effect een knop

We hebben ieder effectblok een eigen knop (mét duidelijke LED) toebedeeld. Deze knoppen maken het selecteren van effectblokken een kinderspel. Bovendien weet u, dankzij de LED’s, op ieder moment welke effecten al dan niet zijn ingeschakeld.

Zwelpedaal en controlepedaal

De functie van het ingebouwde zwelpedaal kunt u voor iedere Patch apart definiëren. Voor de hand liggende toepassingen zijn WahWah of volume. Daarnaast is er nog een controlepedaal met vrij definieerbare functie.

“Virtueel” zwelpedaal

Deze term is niet zomaar een holle eigentijdse kreet, maar duidt op een interessante mogelijkheid: u kunt de waarde van gelijk welke parameter (bijvoorbeeld volume of modulatie) laten sturen door een functie die de manier nabootst waarop u normaal een zwelpedaal bedient.

Externe MIDI-instrumenten tijdens het spelen aansturen

Alle handelingen die u tijdens het spelen op de GT-5 uitvoert kunt u in de vorm van programmakeuzeen controlecommando’s via MIDI naar andere instrumenten zenden.

2

 

 

Inhoud,

Inhoud

 

Hoofdstuk 1. Inleiding .................................................................................................................

2

1.1

Voornaamste kenmerken ..................................................................................................

2

Hoofdstuk 2. Voorzorgsmaatregelen ......................................................................................

6

Hoofdstuk 3. Voorzieningen op de panelen ..........................................................................

7

3.1

Frontpaneel ........................................................................................................................

7

3.2

Achterpaneel......................................................................................................................

8

Hoofdstuk 4. Aan de slag ...........................................................................................................

9

4.1

Aansluiten .........................................................................................................................

9

4.2

Inschakelen .....................................................................................................................

10

 

Ingangsniveau aanpassen ................................................................................................

10

 

Uitgangsniveau aanpassen ..............................................................................................

10

 

GT-5 aanpassen op andere apparatuur ............................................................................

10

4.3

Effecten kiezen ...............................................................................................................

11

 

Wat is een Patch? ............................................................................................................

11

 

Patches kiezen ................................................................................................................

12

 

Over het display ..............................................................................................................

13

 

Indicators op de effectknoppen ......................................................................................

13

4.4

Tuner/Bypass ..................................................................................................................

13

 

Tuner/Bypass inschakelen ..............................................................................................

14

 

Display geeft de toonhoogte aan ....................................................................................

14

 

Werkwijze bij het stemmen ............................................................................................

14

 

Tuner parameters ............................................................................................................

15

Hoofdstuk 5. Instellingen wijzigen ........................................................................................

17

 

Inhoud van een Patch ......................................................................................................

17

 

Werkwijze bij het editen .................................................................................................

17

5.1

Patch kopiëren ................................................................................................................

18

5.2

Effecten instellen ............................................................................................................

18

 

Voorgeprogrammeerde instellingen gebruiken (Quick Setting) ....................................

18

 

Effecten maken door individuele parameters te editen ..................................................

19

 

Aansluitvolgorde kiezen .................................................................................................

20

 

Effectparameters instellen ..............................................................................................

21

5.3

Instellingen voor het zwelpedaal/controlepedaal ...........................................................

21

 

Voorgeprogrammeerde pedaalfuncties gebruiken (Quick methode) ..............................

21

 

Geen gebruik maken van de Quick methode ..................................................................

22

5.4

Stuurbronnen toewijzen (Assign) ...................................................................................

23

 

Virtueel pedaal (I-PDL) ..................................................................................................

26

5.5

Patch naam wijzigen .......................................................................................................

27

5.6

Wijzigingen annuleren ....................................................................................................

27

5.7

Instellingen opslaan (Write) ...........................................................................................

28

5.8

GT-5 als serie effectpedaaltjes gebruiken (Manual mode) .............................................

28

 

Manual mode kiezen .......................................................................................................

28

 

Manual mode gebruiken .................................................................................................

29

 

Manual mode configureren .............................................................................................

29

5.9

Utility functies ................................................................................................................

29

 

Utility parameters ...........................................................................................................

30

Hoofdstuk 6. Overzicht van de parameters ........................................................................

35

6.1

Feedbacker/Slow Gear ....................................................................................................

35

 

Feedbacker (“FB”) parameters .......................................................................................

35

 

Slow Gear (“SG”) parameters ........................................................................................

36

3

GT-5 Handleiding

6.2

Compressor ....................................................................................................................

36

 

Compressor (“CS”) parameters .....................................................................................

36

 

Limiter (“LM”) parameters ............................................................................................

36

6.3

Wah ................................................................................................................................

37

 

Pedal Wah (“WAH”) .....................................................................................................

37

 

Auto Wah (“AW”) .........................................................................................................

37

6.4

Loop ...............................................................................................................................

38

6.5

Overdrive/Distortion ......................................................................................................

38

6.6

Preamp ...........................................................................................................................

39

6.7

Speaker Simulator ..........................................................................................................

40

6.8

Equalizer ........................................................................................................................

42

6.9

Modulation .....................................................................................................................

42

 

Harmonist .......................................................................................................................

44

 

<Als u een andere Mode dan “Harmony” kiest> ...........................................................

44

 

<Als u de Mode “Harmony” kiest> ...............................................................................

45

 

Flanger ...........................................................................................................................

45

 

Phaser .............................................................................................................................

46

 

Sub Equalizer .................................................................................................................

46

 

Short Delay ....................................................................................................................

46

 

Humanizer ......................................................................................................................

47

 

<Klinkers kiezen met het zwelpedaal> ..........................................................................

47

 

Ring Modulator ..............................................................................................................

47

 

Vibrato ...........................................................................................................................

48

 

Acoustic Guitar Simulator .............................................................................................

48

 

Guitar Synth ...................................................................................................................

48

 

<Hold On/Off> ..............................................................................................................

50

6.10

Delay ..............................................................................................................................

50

 

<Hold On/Off> ..............................................................................................................

51

 

Wat is Tempo Delay? ....................................................................................................

52

 

Hoe gebruikt u Sound-On-Sound? .................................................................................

52

6.11

Chorus ............................................................................................................................

53

6.12

Tremolo/Pan ...................................................................................................................

53

6.13

Reverb ............................................................................................................................

54

6.14

Master ............................................................................................................................

55

 

Master Level ..................................................................................................................

55

 

Noise Suppressor ...........................................................................................................

55

 

Foot Volume ..................................................................................................................

55

 

<Pedaal toewijzen aan Foot Volume> ...........................................................................

55

Hoofdstuk 7. MIDI .....................................................................................................................

56

7.1

Mogelijke toepassingen .................................................................................................

56

 

Mogelijkheden vanaf een GT-5 .....................................................................................

56

 

Mogelijkheden vanuit een extern instrument .................................................................

56

7.2

MIDI-functies instellen ..................................................................................................

57

 

MIDI-verwante parameters ............................................................................................

57

7.3

Instellingen bewaren/laden via MIDI ............................................................................

58

 

Data zenden (Bulk Dump) .............................................................................................

59

 

Data laden (Bulk Load) ..................................................................................................

60

7.4

Program Change Map instellen ......................................................................................

60

 

Program Change Map parameters ..................................................................................

61

Hoofdstuk 8. Appendix .............................................................................................................

62

8.1

Over MIDI .....................................................................................................................

62

 

Uitwisselen van MIDI-data ............................................................................................

62

 

MIDI-commando’s die door de GT-5 worden gebruikt ................................................

62

 

MIDI-implementatiekaart ..............................................................................................

63

8.2

Patches kiezen met bankkeuzecommando’s ...................................................................

64

4

 

 

Inhoud,

 

Patches op een extern instrument kiezen vanuit de GT-5 ...............................................

64

 

Patches op de GT-5 kiezen met bankkeuzecommando’s vanuit een extern instrument..65

8.3

Fabriekinstellingen ..........................................................................................................

66

8.4 Opnieuw de fabrieksinstellingen laden (initialiseren) ....................................................

67

8.5

Mogelijke problemen ......................................................................................................

68

 

Geen geluid/te laag volume ............................................................................................

68

 

Geluid klinkt vervormd (de CLIP indicator licht regelmatig op) ...................................

68

 

U kunt geen Patch nummers kiezen ...............................................................................

68

 

Parameters die u aan stuurbronnen hebt toegewezen kunt u niet aansturen ...................

68

 

Er worden geen MIDI-commando’s ontvangen .............................................................

69

Hoofdstuk 9. MIDI-implementatie .........................................................................................

70

Hoofdstuk 10. Specificaties ....................................................................................................

71

Hoofdstuk 11. Overzicht van de Patches ............................................................................

72

Index ...............................................................................................................................................

 

75

5

GT-5 Handleiding

2. Voorzorgsmaatregelen

Voeding

Schakel de GT-5 en de overige instrumenten altijd uit voordat u ze op elkaar aansluit.

Sluit het netsnoer van de GT-5 nooit aan op een stopcontact waar andere apparaten, die brom of ruis veroorzaken (b.v. dimmers, motoren enz.) of veel vermogen trekken, op zijn aangesloten.

Let, bij het aansluiten van het netsnoer op het lichtnet, op het voltage.

Plaats geen zware voorwerpen op het netsnoer en zorg dat er niemand over kan struikelen. Trek, bij het verbreken van de aansluiting op het lichtnet, altijd aan de stekker zelf en nooit aan het netsnoer om de draden niet te beschadigen.

Als u de GT-5 lange tijd niet wenst te gebruiken, verbreekt u best de aansluiting op het lichtnet.

Het zou kunnen gebeuren dat de GT-5 niet naar behoren werkt wanneer u hem onmiddellijk na uitschakelen weer inschakelt. Wacht dus telkens een paar seconden voordat u hem weer inschakelt.

Plaatsing

Om problemen te vermijden, dient u de GT-5 te beschermen tegen direct zonlicht, hitte, vochtigheid en stof.

Plaats de GT-5 niet te dicht in de buurt van een neonlicht, een fluorescerende lamp, een TV-toestel of ander, gelijkaardig materiaal dat enerzijds ruis door interferentie, en anderzijds allerlei fouten kan veroorzaken.

Onderhoud

Gebruik, voor het reinigen van het instrument, enkel een zachte, droge of lichtjes bevochtigde doek. Om hardnekkig vuil te verwijderen, gebruikt u een neutraal reinigingsmiddel. Wrijf de GT-5 daarna droog met een zachte doek.

Gebruik nooit oplosmiddelen zoals bv. verfverdunners want deze kunnen de behuizing beschadigen.

Geheugenbatterij

Dit apparaat is uitgerust met een batterij die ervoor zorgt dat de opgeslagen data ook na uitschakelen niet gewist worden. De levensduur van deze batterij bedraagt ongeveer 5 jaar. Het zou iets langer kunnen zijn, maar het verdient aanbeveling de batterij om de 5 jaar te laten vervangen.

Zodra de spanning van de batterij niet meer voldoende is, beeldt het display onderstaande prompt af:

Laat de batterij dan zo snel mogelijk vervangen.

Probeer nooit zelf de geheugenbatterij te vervangen. Laat dit werk over aan de Roland hersteldienst. Denk eraan dat de data in het interne geheugen kunnen worden gewist. Dat is met name het geval als het geheugen of een daarmee samenhangend onderdeel wordt hersteld of niet meer werkt.

Andere voorzorgsmaatregelen

Behandel de GT-5 zachtjes.

Laat geen voorwerpen (muntstukken, metalen draad enz.) of vloeistoffen (water, alcohol, sap enz.) in het inwendige terechtkomen.

Neem contact op met de dichtstbijzijnde Roland hersteldienst voordat u de GT-5 in het buitenland gebruikt.

Als de GT-5 niet naar behoren werkt, schakel hem dan onmiddellijk uit en neem contact op met uw dealer of de Roland hersteldienst.

6

Roland GT-5 MIDI IMPLEMENTATION

Voorzieningen op de panelen,

3. Voorzieningen op de panelen

3.1 Frontpaneel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OUTPUT regelaar

 

 

 

OVERLOAD indicator

 

 

 

Display

VALUE regelaar

BANK pedaal

Zwelpedaal

 

 

 

POWER

 

OUT

 

IN

2

1

RETURN

SEND

PHONES L(MONO)

R

VOLUME INPUT

 

 

 

 

 

 

 

MIDI

 

 

EXP PEDAL

LOOP

 

OUTPUT

INPUT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

/CONTROL

VALUE

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GROUP BANK

 

 

 

 

 

 

OUTPUT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FEEDBACKER

 

 

 

 

 

 

 

 

PARAMETER

 

1 GLOBAL

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2 METER

 

 

 

/SLOW GEAR

COMP/LM

WAH

LOOP

OD/DS

PREAMP

SP SIM

EQ

 

 

 

UTILITY 3 SYSTEM

 

 

 

OVERLOAD

 

 

 

 

 

 

 

 

JUMP

 

4 MIDI

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5 HR SCALE

 

 

 

(INPUT)

 

 

 

 

 

 

 

 

EXIT

WRITE

 

6 OD/DS CUSTOMIZE

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7 PREAMP CUSTOMIZE

 

 

 

MOD

DELAY CHORUS

TREMOLO

REVERB

MASTER

PEDAL

NAME

 

 

TUNER/BYPASS

 

 

 

/PAN

/ASSIGN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MANUAL

GROUP

 

 

 

 

 

1 HARMONIST

4 SUB EQUALIZER

7 RING MODULATOR 10 GUITAR SYNTH

 

 

 

CAPS

INS

DEL

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2 FLANGER

5 SHORT DELAY

8 VIBRATO

 

 

1 MASTER LEVEL

3 FOOT VOLUME

 

 

 

 

 

 

 

3 PHASER

6 HUMANIZER

9 AC GUITAR SIM

 

2 NOISE SUPPRESSOR

4 EFFECT CHAIN

 

 

 

 

 

 

 

Nummerpedalen (1 – 5)

Controlepedaal

EXIT knop

PARAMETER knoppen

WRITE knop

Effect keuzeknoppen

UTILITY knop

OVERLOAD

(INPUT)

FEEDBACKER

 

 

 

 

 

 

 

 

PARAMETER

1 GLOBAL

COMP/LM

WAH

LOOP

OD/DS

PREAMP

SP SIM

EQ

 

 

2 METER

/SLOW GEAR

 

 

UTILITY 3 SYSTEM

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JUMP

4 MIDI

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5 HR SCALE

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EXIT

WRITE

6 OD/DS CUSTOMIZE

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7 PREAMP CUSTOMIZE

MOD

DELAY

CHORUS

TREMOLO

REVERB

MASTER

PEDAL

NAME

 

 

TUNER/BYPASS

/PAN

/ASSIGN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MANUAL

GROUP

 

1 HARMONIST

4 SUB EQUALIZER 7 RING MODULATOR 10 GUITAR SYNTH

 

 

 

CAPS

INS

DEL

 

 

 

 

 

 

 

 

2 FLANGER

5 SHORT DELAY

8 VIBRATO

 

 

1 MASTER LEVEL

3 FOOT VOLUME

 

 

 

3 PHASER

6 HUMANIZER

9 AC GUITAR SIM

 

2 NOISE SUPPRESSOR

4 EFFECT CHAIN

 

 

 

TUNER/BYPASS knop

GROUP knop

MANUAL knop

Opmerking: De namen van knoppen worden in deze handleiding tussen vierkante haken [ ] afgebeeld. Bij voorbeeld: “Druk op de [WRITE] knop”.

7

GT-5 Handleiding

3.2 Achterpaneel

 

 

 

 

Expression Pedal / Control 1 ingang

 

INPUT connector

Expression Pedal / Control 2 ingang

 

INPUT VOLUME regelaar

MIDI connectors (IN,OUT)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CAUTION

 

 

 

 

EXP PEDAL

 

 

 

RISK OF ELECTRIC SHOCK

INPUT

 

OUTPUT

LOOP

 

MIDI

 

DO NOT OPEN

 

/CONTROL

 

 

 

INPUT VOLUME

R

L(MONO) PHONES

SEND RETURN

1

2

IN

OUT

POWER

 

MAX MIN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ON

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OFF

 

 

 

 

 

 

 

WARNING: TO REDUCE THE RISK OF FIRE OR ELECTRIC

ATTENTION:

THIS DEVICE COMPLIES WITH PART 15 OF THE FCC RULES. OPERATION IS SUBJECT TO THE FOLLOWING TWO CONDITIONS: (1) THIS DEVICE MAY NOT CAUSE HARMFUL

RISQUE DE CHOC ELECTRIQUE

INTERFERENCE, AND (2) THIS DEVICE MUST ACCEPT ANY INTERFERENCE RECEIVED, INCLUDING INTERFERENCE THAT MAY CAUSE UNDESIRED OPERATION.

SHOCK, DO NOT EXPOSE THIS APPLIANCE TO RAIN OR MOISTURE.

NE PAS OUVRIR

RETURN ingang POWER schakelaar

SEND uitgang

HEADPHONES uitgang

OUTPUT connectors L(MONO)/R

Opmerking: In de rest van deze handleiding noemen we de Expression Pedal/Control ingangen 1 en 2 gewoon de EXP/ CTL ingangen.

8

Aan de slag, Aansluiten

4. Aan de slag

4.1 Aansluiten

Sluit de GT-5 aan zoals op de onderstaande tekeningen is aangegeven. Kies het aansluitvoorbeeld dat het best overeenkomt met uw gebruikssituatie. Voordat u aansluitingen maakt moet u het volume van uw mixer/versterker op het minimum zetten en alle apparaten in uw systeem uitschakelen. Zo voorkomt u schade aan uw luidsprekers.

Eens u alle apparaten hebt aangesloten en ingeschakeld, mag u op de versterker een aangenaam luistervolume instellen.

Als u gebruik maakt van een mono-versterker, moet u enkel de L(MONO) uitgang aansluiten. Als zwelpedaal (Expression Pedal) kunt u een Boss FV-300L + PCS-33 (Roland) of een EV-5 (Roland) gebruiken.

Mogelijkheid 1: GT-5 op gitaaringang

Vereist ook een aantal instellingen (zie blz. 10): Gt.Amp (Combo); Gt.Amp (Stack)

INPUT

 

 

 

OUTPUT R

OUTPUT

 

 

 

L(MONO)

 

 

GUITAR IN

GUITAR IN

GUITAR IN

GUITAR IN

versterkertop

 

versterkertop

 

gitaarversterker

 

gitaarversterker

luidspreker

 

luidspreker

 

Mogelijkheid 2: GT-5 als voorversterker en gebruik van een eindtrap

Your Setting: Power Amp (Combo); Power Amp (Stack)

INPUT

OUTPUT R OUTPUT

 

L(MONO)

 

MAIN IN

MAIN IN

of

of

RETURN

RETURN

eindversterker

eindversterker

gitaarversterker

gitaarversterker

luidspreker

luidspreker

Mogelijkheid 3: GT-5 in de effectlus van de gitaarversterker

Your Setting? (zie blz. 10): Gt.Amp (Combo)

 

INPUT

 

OUTPUT

SEND

RETURN

L(MONO)

 

 

 

IN

SEND

 

RETURN

 

gitaarversterker

Opmerking: Sluit het zwelpedaal aan op een EXP/ CTL ingang en zet de volumeregelaar op het pedaal in de “MIN” positie.

9

GT-5 Handleiding

Opmerking: Zet de polariteitsschakelaar van een FS5U/5L voetschakelaar (los verkrijgbaar), die u op een EXP/CTL ingang aansluit, in de stand die in de onderstaande afbeelding te zien is.

Polariteitsschakelaar

Ingangsniveau aanpassen

Met de INPUT VOLUME regelaar past u de ingangsgevoeligheid van de GT-5 aan op het toegeleverde signaal.

INPUT

 

OUTPUT

LOOP

EXP PEDAL

 

/CONTROL

INPUT VOLUME

R

L(MONO) PHONES

SEND RETURN

1

2

MAX MIN

THIS DEVICE COMPLIES WITH PART 15 OF THE FCC RULES. OPERATION IS SUBJECT TO THE FOLLOWING TWO CONDITIONS: (1) THIS DEVICE MAY NOT CAUSE HARMFUL

INTERFERENCE, AND (2) THIS DEVICE MUST ACCEPT ANY INTERFERENCE RECEIVED, INCLUDING INTERFERENCE THAT MAY CAUSE UNDESIRED OPERATION.

4.2 Inschakelen

Eens u alles hebt aangesloten, mag u de apparaten in uw systeem inschakelen, in de volgorde die we hieronder aangeven. Respecteer deze volgorde, anders riskeert u schade aan uw luidsprekers of aan andere apparaten.

GT-5extern effectapparaat(gitaar)versterker

Na het inschakelen van de GT-5 krijgt u het volgende display te zien. Enkele seconden later is de GT-5 klaar voor gebruik. Als u dit display ziet weet u dat de GT-5 zich in de “Play mode” bevindt.

GROUP BANK

Opmerking: Het volume van de mengtafel/versterker mag u omhoogregelen nadat u alle apparaten hebt ingeschakeld.

Opmerking: Bij het inschakelen wordt steeds het laatstgekozen Patch nummer opnieuw gekozen.

Opmerking: De GT-5 is uitgerust met een beveiligingscircuit. Vandaar dat u slechts enkele seconden na het inschakelen normaal met de GT-5 kunt werken.

(1)Produceer op uw gitaar het hardste volume dat u tijdens het spelen zult gebruiken.

(2)Stel de regelaar zo in dat de OVERLOAD indicator slechts sporadisch oplicht.

Opmerking: Als de OVERLOAD indicator oplicht weet u dat u nog 6 dB van de oversturingsgrens (het punt waarop het signaal begint te vervormen) bent verwijderd.

Opmerking: Zorg dat de indicator niet voortdurend oplicht, want dan doet u afbreuk aan de overigens uitstekende geluidskwaliteit van de GT-5.

Uitgangsniveau aanpassen

Met de OUTPUT regelaar past u het uitgangsvolume van de GT-5 aan op de rest van uw installatie.

GT-5 aanpassen op andere apparatuur

De GT-5 heeft een parameter aan boord waarmee u hem kunt aanpassen op het soort externe versterking dat u gebruikt.

(1)Druk op [UTILITY].

De indicator op de knop licht op en u komt in het Global scherm terecht, waarvan u een moment later de eerste parameter te zien krijgt.

10

…even later,

(2)Kies met de VALUE regelaar het soort apparaat dat u op de OUTPUT connectors hebt aangesloten.

Gt.Amp

Als u gebruik maakt van de gitaaringang van een

(Combo)

combo-versterker (d.w.z. versterker en luidspreker

 

die in dezelfde behuizing zitten).

 

 

Gt.Amp

Als u gebruik maakt van de gitaaringang van een

(Stack)

versterkertoren (d.w.z. versterker en luidspreker die

 

in aparte behuizingen zitten).

 

 

Power

Als u gebruik maakt van de RETURN of MAIN IN van

Amp

een combo-versterker.

(Combo)

 

 

 

Power

Als u gebruik maakt van een aparte eindversterker

Amp

en luidspreker, of van de RETURN of MAIN IN van

(Stack)

een versterkertoren.

 

 

Line

Als u rechtstreeks aansluit op een mengtafel of

 

meersporenrecorder. Kies deze instelling ook wan-

 

neer u met een hoofdtelefoon afluistert.

 

 

(3) Druk op [EXIT] om de procedure af te sluiten.

4.3 Effecten kiezen

Wat is een Patch?

Een Patch op de GT-5 is een verzameling instellingen die verband houden met de klank van de individuele effecten en met de manier waarop ze worden gecombineerd.

Er zitten 250 van die Patches in de GT-5. De nummering van de Patches berust op een systeem van groepen (Groups), banken (Banks) en nummers, zoals blijkt uit de onderstaande afbeelding.

Aan de slag, Effecten kiezen

 

< USER GROEP 1 >

 

 

< USER GROEP 4 >

 

 

 

 

BANK

 

 

 

 

 

 

 

BANK

 

 

 

 

 

1

2

3

4

5

 

 

 

 

 

1

2

3

4

5

 

 

NUMMER

1

 

 

 

 

 

 

 

 

NUMMER

1

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

t/m

 

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4

 

 

 

 

 

 

 

 

5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5

 

 

 

 

 

 

< PRESET GROEP 1 >

 

< PRESET GROEP 6 >

 

 

 

 

BANK

 

 

 

 

 

 

 

BANK

 

 

 

 

 

1

2

3

4

5

 

 

 

 

 

1

2

3

4

5

 

 

NUMMER

1

 

 

 

 

 

 

 

 

NUMMER

1

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

t/m

 

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4

 

 

 

 

 

 

 

 

5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5

 

 

 

 

 

 

User groepen (1~4)

In groep 1 en 2 kunt u effecten opslaan die u zelf maakt. Vandaar heten deze groepen User groepen (die User bent u uiteraard). De Patches in deze groep noemen we User Patches.

Opmerking: In de rest van deze handleiding duiden we de User groepen aan als “UG1~UG4”.

GROUP BANK

Preset groepen (1~6)

De Patches die deel uitmaken van deze groepen werden in de fabriek geprogrammeerd. We noemen ze Preset Patches. De inhoud van deze Patches kunt u niet wijzigen, maar u kunt wel een Preset Patch editen en hem opslaan als een User Patch.

Opmerking: In de rest van deze handleiding duiden we de Preset groepen aan als “PG1~PG6”.

Opmerking: Als u een Preset Patch kiest, wordt de afbeelding van groep en bank in het display geïnverteerd.

GROUP BANK

11

GT-5 Handleiding

Patches kiezen

Een Patch kiest u door de gewenste groep (UG1~UG4, PG1~PG6), bank (1~5) en het gewenste nummer (1~5) te selecteren.

De GT-5 geeft de gekozen groep en bank als volgt aan:

Groep

Bank

GROUP BANK

GROUP BANK

Nummer

Opmerking: Een Patch wordt pas gekozen als u het nummer specifieert. Zolang u enkel een groep of bank specifieert, wordt er dus nog niets gekozen. Wilt u dat dit wel gebeurt, maak dan de relevante instelling voor de System Function parameter (zie blz. 31). Deze parameter kunt u ook zo instellen dat u Patches kiest met de VALUE regelaar.

Enkel het nummer kiezen

1

(1)Kies het nummer van de gewenste Patch door op het overeenkomstige nummerpedaal te drukken.

De indicator van het ingedrukte pedaal licht op en de nieuwe Patch wordt gekozen.

Bank kiezen

1

2,3

(1)Druk op het BANK pedaal.

Het banknummer in het display begint te knipperen.

GROUP BANK

knippert

Opmerking: Door nogmaals op het BANK pedaal te drukken kunt u de bankkeuze nog annuleren.

(2)Specifieer de Bank van de Patch die u wilt gebruiken door op het overeenkomstige nummerpedaal te drukken.

Het banknummer in het display wordt vervangen door het nummer dat u indrukt. Dit nummer wordt “normaal” (niet knipperend) afgebeeld. Nu begint de indicator te knipperen van het nummerpedaal dat u had ingedrukt voordat u op het BANK pedaal drukte. Daarmee wordt aangegeven dat u nu het nummer van de gewenste Patch kunt specifiëren. (want die nieuwe Patch hebt u nog steeds niet gekozen).

GROUP BANK

Opmerking: U kunt de bankkeuze nog annuleren door tweemaal op het BANK pedaal te drukken. Om een nieuwe bank te kiezen begint u opnieuw vanaf stap 1.

(3)Specifieer het nummer van de Patch die u wilt gebruiken door op het overeenkomstige nummerpedaal te drukken.

12

Aan de slag, Tuner/Bypass

De indicator van het pedaal waarop u hebt gedrukt licht op om aan te geven dat de betreffende Patch nu is geselecteerd.

Groep kiezen

1

2

(1)Telkens als u op [GROUP] drukt kiest u de volgende bank, in de onderstaande volgorde:

User Groep1

User Groep4

Preset Groep1

Preset Groep6

Zodra u een groep hebt gekozen, begint de indicator van het nummerpedaal te knipperen dat u had ingedrukt voordat u op [GROUP] drukte. Daarmee wordt aangegeven dat u nu het nummer van de gewenste Patch kunt specifiëren. (Want die nieuwe Patch hebt u nog steeds niet gekozen).

(2)Specifieer het nummer van de Patch die u wilt gebruiken door op het overeenkomstige nummerpedaal te drukken.

De indicator van het pedaal waarop u hebt gedrukt licht op om aan te geven dat de betreffende Patch nu is geselecteerd.

Groep kiezen met de VALUE regelaar

U kunt ook een groep kiezen door aan de VALUE regelaar te draaien terwijl u de [GROUP] knop ingedrukt houdt.

Over het display

In de Play pagina van het display vindt u de volgende informatie:

naam

GROUP BANK

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Groep

 

 

volumemeter

 

 

 

 

 

Bank

 

 

 

 

 

Indicators op de effectknoppen

 

 

 

GEAR

 

 

 

 

TION

 

 

 

/SLOW /LIMITER

 

 

OR

 

TOR

 

 

 

 

 

 

 

/DIST

 

SIMULA

FEEDBACKERCOMPRESSORWAH LOOP OVERDRIVEPREAMPSPEAKEREQUALIZER

FEEDBACKER

COMP/LM

WAH

LOOP

OD/DS

PREAMP

SP SIM

 

EQ

 

/SLOW GEAR

 

 

MOD

DELAY

CHORUS

TREMOLO

 

 

MASTER

PEDAL

NAME

 

/PAN REVERB

/ASSIGN

 

MODULADELAY CHORUS

REVERB

 

 

 

 

 

TION

TREMOLO

/P

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AN

 

 

 

 

Aan de indicators op de effectknoppen kunt u zien welke effect voor iedere Patch zijn inof uitgeschakeld.

4.4 Tuner/Bypass

Aan boord van de GT-5 bevindt zich een ingebouwde chromatische Tuner. Als u deze inschakelt, zet u automatisch de GT-5 in “Bypass” (zodat enkel het directe, onbewerkte signaal naar de uitgang wordt gestuurd).

De Tuner beeldt niet enkel nootnamen af, maar ook de namen van snaren. Bovendien biedt hij “(dubbele) mol-stemming” en een parameter om het uitgangsvolume tijdens het stemmen aan te passen.

13

GT-5 Handleiding

Tuner/Bypass inschakelen

Tuner inen uitschakelen vanaf het frontpaneel

Druk op de [TUNER/BYPASS] knop om de tuner in en uit te schakelen. De tuner is ingeschakeld wanneer de indicator op de knop brandt.

Tuner inen uitschakelen met het CTL (controlepedaal)

Met iedere druk op het controlepedaal schakelt u de Tuner afwisselend in of uit. Als de functie is ingeschakeld lichten de indicators van het controlepedaal en de Tuner/Bypass knop op.

Voorwaarde om deze functie met het controlepedaal te kunnen bedienen is wel dat u de volgende instellingen maakt (zie blz. 21):

<Quick instelling>

CTL PEDAL: On; P8= TUNER ON

<Manual instelling>

CTL PEDAL: On

CTL PEDAL Target: TUNER On/Off CTL PEDAL Target Min: Off

CTL PEDAL Target Max: On CTL PEDAL Source Mode: Toggle

Display geeft de toonhoogte aan

Tuner display

In de bovenste regel van het tuner display ziet u de naam van de noot die u op dit moment speelt, terwijl de indicators in de onderste regel aangeven of die noot te hoog of te laag is gestemd.

nootnaam

stemindicators

Stemindicators

Deze indicators geven aan hoeveel de gespeelde noot afwijkt van zijn juiste toonhoogte. Is de afwijking groter dan ±50 cents, dan gaat de tuner er van uit dat u een andere noot speelt, en ziet u een andere nootnaam in het display verschijnen. De stemindicators geven dan de afwijking ten opzichte van die nootnaam aan.

Stemmen doet u door aan de stemsleutel van de gitaarsnaar te draaien tot enkel de middenste indicator oplicht.

te hoog

juist gestemd

te laag

Die stemindicators in het display zijn natuurlijk wel fraai, maar op een podium gaat u er waarschijnlijk niets aan hebben, omdat u te ver van de GT-5 staat. Vandaar dat de informatie van de stemindicators ook te zien is op de indicators van het frontpaneel.

centrale indicator

FEEDBACKER

COMP/LM

WAH

LOOP

OD/DS

PREAMP

SP SIM

EQ

/SLOW GEAR

MOD

DELAY

CHORUS

TREMOLO

REVERB

MASTER

PEDAL

NAME

/PAN

/ASSIGN

te laag te hoog

Werkwijze bij het stemmen

(1)Sla de snaar aan die u wilt stemmen (speel om te stemmen steeds op “open snaren”, met andere woorden: druk geen frets in).

14

Aan de slag, Tuner/Bypass

Het display beeldt de nootnaam af die het dichtst in de buurt ligt van de toonhoogte van de snaar die u hebt aangeslagen.

Opmerking: De Tuner werkt enkel betrouwbaar als u een snaar zuiver aanslaat en geen andere snaren tegelijk aanslaat.

(2) Draai aan de stemsleutel tot het display de juiste nootnaam afbeeldt.

 

6de

5de

4de

3de

2de

1ste

 

snaar

snaar

snaar

snaar

snaar

snaar

 

 

 

 

 

 

 

Gitaar

E

A

D

G

B

E

 

 

 

 

 

 

 

(3) Draai nu aan de stemsleutel tot enkel de middenste stemindicator oplicht.

(4) Herhaal stap 1~3 om de overige snaren te stemmen.

Opmerking: Gitaren met een vibratohendel zijn vaak wat moeilijker te stemmen, want één snaar stemmen heeft meestal tot gevolg dat de andere snaren plots vals staan. Bij dergelijke gitaren kunt u beter eerst alle snaren ongeveer juist stemmen (zodat de juiste nootnaam wordt afgebeeld) en ze vervolgens individueel fijnstemmen.

Tuner parameters

De Tuner biedt nog een aantal opties die u naar uw eigen voorkeur kunt instellen: de referentietoonhoogte, al dan niet afbeelden van snaarnamen en het volume tijdens het stemmen.

Deze parameters kunt u als volgt instellen:

3

2

(5) 1,5

(1)Druk op [TUNER/BYPASS].

(2)Kies met PARAMETER [][®] het item dat u wilt instellen.

(3)Stel met de VALUE regelaar de gewenste waarde in.

(4)Herhaal stap 2 en 3 als u nog andere parameters wilt wijzigen.

(5)Druk nu op [EXIT] of op [TUNER/BYPASS] om terug te keren naar de Play pagina.

Referentietoonhoogte (Tuner Pitch; 435~445Hz)

Met “referentietoonhoogte” bedoelen we de toonhoogte van de noot A4 (de middenste A op een piano). Deze noot wordt over het algemeen gebruikt als uitgangspunt om andere noten op te stemmen. De frequentie van deze referentienoot kunt u op de GT-5 instellen tussen 435~455 Hz.

Opmerking: Vanuit de fabriek staat de referentietoonhoogte ingesteld op 440 Hz.

Afbeelden van snaarnamen (Tuner String Display; Off, On, On( ), On ( ))

Met deze parameter kiest u of het display al dan niet snaarnamen afbeeldt. Verder kunt u nog kiezen tussen normale, molof dubbele mol-stemming.

Snaarnamen

De GT-5 weet welke de normale toonhoogte van elk snaarnummer is. Het nummer dat in de bovenste regel van het display wordt afgebeeld slaat op de snaar, terwijl de nootnaam linksonder in het display duidt op de toonhoogte (geen frets ingedrukt) van die snaar. Vooral als u nieuwe snaren wisselt gebruikt, is het handig om u aan de snaarnummers te oriënteren: u legt een nieuwe snaar op en zorgt dat de GT-5 het overeenkomstige snaarnummer afbeeldt. Vervolgens blijft u aan de stemsleutel draaien tot enkel de middenste stemindicator oplicht. U hebt dan automatisch op de juiste noot gestemd, want de GT-5 weet welke noot bij elk snaarnummer hoort.

(Dubbele) mol-stemming

Bij “Bemol-stemming” en “dubbel bemol-stem- ming” stemt u de gitaar een halve of een hele toon lager dan normaal.

De GT-5 knapt daarbij het “vuile werk” voor u op: u kunt namelijk op dezelfde nootnamen stemmen als bij een normale stemming, alleen licht de centrale stemindicator nu op wanneer u op een perfecte halve (respectievelijk hele) toon onder de afgebeelde nootnaam terechtkomt. Als u een mol-stemming wilt gebruiken, moet u de GT-5 daar natuurlijk wel

15

GT-5 Handleiding

even van op de hoogte brengen. Daarvoor dienen de opties van de Tuner String Display parameter:

Off

Er worden geen snaarnamen afgebeeld.

 

 

On

De snaarnamen worden afgebeeld en de Tuner stemt op

 

“normale” toonhoogtes.

 

 

On ( )

De snaarnamen worden afgebeeld en de tuner stemt

een halve toon lager.

 

 

On ( )

De snaarnamen worden afgebeeld en de tuner stemt

een hele toon lager.

 

 

Het display ziet er bij de laatste drie opties als volgt uit:

snaarnaam

nootnaam

stemindicators

niets afgebeeld : normale stemming

: bemol-stemming

: dubbele bemol-stemming

Als de toonhoogte meer dan 50 cents onder de correcte toonhoogte zit, dan wordt het (normaal “lege”) driehoekje linksonder in het scherm zwart

(®). Bevindt de toonhoogte zich op minder dan -/ +50 cents van de correcte toonhoogte, dan wordt de afwijking aangegeven door de stemindicators. Het driehoekje wordt dan weer wit (s).

Opmerking: Vergeet niet enkel open snaren aan te slaan tijdens het stemmen. Speel ook geen flageoletten, want daarmee maakt u het de GT-5 moeilijk om de toonhoogte juist te analyseren.

Opmerking: Vanuit de fabriek staat de String Name Display parameter op “Off” ingesteld.

Volume in de Tuner/Bypass mode (Mute, Bypass)

Hiermee bepaalt u het volume waarmee het gitaargeluid tijdens het stemmen (en dus in Bypass) naar de uitgangen van de GT-5 wordt gestuurd.

Mute

Er wordt helemaal geen geluid naar de uitgang

 

gestuurd.

 

 

Bypass

Het ingangssignaal wordt direct naar de uitgang

 

gestuurd.

 

 

Opmerking: Vanuit de fabriek is voor deze optie “Bypass” geselecteerd.

Opmerking: Als u de optie “Bypass” hebt geselecteerd en de Tuner/Bypass mode hebt ingeschakeld kunt u het volume van het directe geluid regelen met het zwelpedaal.

16

Instellingen wijzigen, Tuner/Bypass

5. Instellingen wijzigen

Wat zit er eigenlijk in een Patch geheugen? Verschillende dingen: de volgorde van de effectblokken en de instellingen van de individuele effectblokken. In dit hoofdstuk tonen we hoe u de inhoud van een Patch nummer kunt wijzigen om uw eigen effecten te maken. Daarna leert u deze eigen creaties bewaren, zodat u ze later opnieuw kunt gebruiken.

Inhoud van een Patch

Voor alle duidelijkheid sommen we hier eerst even de “componenten” op waaruit een Patch bestaat:

(1)Aansluitvolgorde van de effectblokken

(2)Aan/uit status van ieder effectblok

U hoeft natuurlijk niet steeds alle effecten te gebruiken, u kunt bepaalde effecten ook gewoon uitschakelen.

(3)Instellingen voor de individuele effectblokken

Ieder effectblok is opgebouwd uit een aantal parameters (variabele instellingen). Door deze te wijzigen bepaalt u de klank van het effect.

(4)Uitgangsvolume

(5)Instellingen voor het zwelpedaal

(6)Instellingen voor het controlepedaal

(7)Toewijzing van stuurbronnen

U kunt speelhulpen en dergelijke van externe instrumenten gebruiken om parameters van de GT-5 aan te sturen. Voor iedere Patch kunt u acht stuurbronnen toewijzen.

(8)Patch naam

Iedere Patch kunt u een naam geven, zodat u achteraf tenminste een idee hebt van wat u te horen gaat krijgen.

Werkwijze bij het editen

(1)Kies een Patch waarvan de klank dicht in de buurt komt bij het effect dat u wilt creëren.

(2)Kopieer de inhoud van die Patch naar een (User!) Patch nummer dat u niet meer denkt nodig te hebben.

Opmerking: Stap 2 staat hier omdat we er van uitgaan dat u de originele Patch (uit stap 1) niet wilt verliezen. Mag die Patch wél verdwijnen, sla dan stap 2 over (u overschrijft dan de originele Patch met de gewijzigde versie).

(3)Wijzig de inhoud van de geselecteerde Patch.

Daarbij volgt u normaal de onderstaande stappen:

Kies de gewenste aansluitvolgorde van de effectblokken (zie blz. 20).

Schakel de effectblokken in of uit (zie blz. 19).

Stel de parameters van de effectblokken in (zie blz. 21).

Wijs de gewenste functies toe aan het zwelpedaal en het controlepedaal (zie blz. 21).

Kies eventueel externe stuurbronnen (zie blz. 23).

(4)Geef het nieuwe effect een naam (zie blz. 27).

(5)Bewaar het nieuwe effect (zie blz. 28).

Stap (5) mag u niet vergeten, aangezien de instellingen die u wijzigt in een tijdelijk buffergeheugen terechtkomen. Dit geheugen wordt gewist zodra u een andere Patch kiest of de GT-5 uitschakelt. Om uw nieuwe effect te bewaren, moet u het opslaan onder een User Patch nummer (zie blz. 28).

17

GT-5 Handleiding

5.1 Patch kopiëren 5.2 Effecten instellen

Eerst gaan we de inhoud van de Patch, die we willen wijzigen, kopiëren naar het geheugennummer waarop we uiteindelijk de gewijzigde versie willen plaatsen. U kunt de “Copy” functie natuurlijk ook gebruiken om een effect te kopiëren naar een geheugennummer dat u beter uitkomt (bijvoorbeeld om de effecten die u in eenzelfde stuk gebruikt in opeenvolgende nummers te plaatsen).

2,4

1,3

1,3

1,3

 

 

(1)Kies (op de Play pagina) de Patch die u wilt kopiëren.

(2)Druk op [WRITE].

Dit brengt u naar het Copy pagina.

(3)Kies het Patch nummer dat de kopie moet bevatten.

Patches kiezen hebt u reeds geleerd op blz. 11. Desgewenst kunt u de keuze ook maken met de VALUE regelaar. De geselecteerde Patch wordt in het display afgebeeld.

(4)Druk op [WRITE] om de instellingen te kopiëren.

U keert terug naar de Play pagina en u komt terecht op het Patch nummer waarnaar u hebt gekopieerd.

Opmerking: Om de operatie te annuleren drukt u op [EXIT]. U keert dan terug naar de Play pagina.

U programmeert uw effecten waarschijnlijk één voor één (m.a.w. u werkt telkens één effect af voordat u aan het volgende begint). De GT-5 werkt ook zo, maar biedt daarnaast een alternatieve, snellere werkwijze: Quick Setting. Het komt erop neer dat u voor ieder effectblok kiest uit een reeks voorgeprogrammeerde instellingen en op die manier nieuwe effecten te maakt.

Opmerking: Voor een gedetailleerd overzicht van effectblokken en parameters (en hun afkortingen in het display) verwijzen we u naar “Overzicht van de parameters” op blz. 35.

Voorgeprogrammeerde instellingen gebruiken (Quick Setting)

Het combineren van de voorgeprogrammeerde instellingen van verschillende effectblokken vormt de snelste manier om een nieuw effect te maken. Die voorgeprogrammeerde instellingen kunnen zowel Preset (in de fabriek ingesteld) als User (door uzelf ingesteld) zijn. Hebt u bijvoorbeeld een te gekke instelling voor het Distortion effectblok gevonden, dan kunt u daar een User-instelling van maken. Op die manier kunt u deze instelling in verschillende Patches laten terugkomen.

1

2

3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(1)Kies met de effectknoppen het effect dat u wilt wijzigen.

Het display beeldt de parameters af van het geselecteerde effect.

Opmerking: Tijdens het editen beeldt het display telkens voor elk effect de laatste parameter af die u hebt geëdit.

(2)Ga met de PARAMETER [] knop naar de eerste parameter.

18

Instellingen wijzigen, Effecten instellen

(3)Stel met de VALUE regelaar de gewenste waarde voor deze parameter in.

Door aan de VALUE regelaar te draaien kiest u achtereenvolgens de volgende opties:

Effect aan

Effect uit

User instelling1

User instelling5

Preset instelling5

(4)Herhaal stap 1~3 tot u alle parameters hebt ingesteld.

(5)Zodra u een keuze hebt gemaakt…

…stelt u nog andere parameters in, of

…slaat u de gemaakte instellingen op (zie blz. 28).

Instellingen bewaren als een User instelling

Voor ieder effectblok kunt u tot 5 verschillende instellingen als een User instelling wegschrijven. Op die manier kunt u vaak gebruikte instellingen binnen handbereik houden en in verschillende Patches gebruiken. Hieronder tonen we hoe u zo’n instelling kunt wegschrijven.

Opmerking: De inhoud van een Preset instelling op zich kunt u niet wijzigen. U kunt wel de parameters van het betreffende effectblok binnen de context van een Patch wijzigen, of de gewijzigde instellingen opslaan als een User instelling.

1

3

3

2,4

 

2

 

 

(1)Kies met de effectknoppen het effect dat u wilt wijzigen.

Het display beeldt de parameters af van het geselecteerde effect.

(3)Houd het pedaal ingedrukt van het nummer waar u de instelling wilt opslaan (1~5) en druk op [WRITE].

Het display beeldt de naam af van de User instelling die nu onder het betreffende nummer zit.

Opmerking: U kunt nog op [EXIT] drukken om de procedure te annuleren. U keert dan terug naar de toestand van stap (1).

(4)Geef de User instelling een naam. Plaats de cursor met de PARAMETER [√][®] knoppen op het karakter dat u wilt wijzigen en kies met de VALUE regelaar het gewenste karakter.

Opmerking: U kunt hierbij de volgende functies gebruiken:

CAPS

Hiermee kiest u tussen hoofdletters en kleine letters.

 

 

INS

Hiermee voegt u op de plaats van de cursor een spatie in

 

en verschuift u de volgende letters naar rechts.

 

 

DEL

Hiermee wist u het karakter op de cursorpositie en ver-

 

schuift u de volgende letters naar links.

 

 

(5)Druk op [WRITE].

De instellingen van het effect worden, met de naam die u eraan hebt gegeven, opgeslagen in de User instelling die u in stap (2) hebt geselecteerd.

Effecten maken door individuele parameters te editen

Dit is de “traditionele” methode om een effect te programmeren, die u misschien reeds kent van andere effectprocessors. “Traditioneel” neemt echter niet weg dat de GT-5 op dit vlak doorgaans meer flexibiliteit biedt dan zijn soortgenoten. Zo kunt u niet alleen de parameters van de effectblokken instellen, maar staat het u ook vrij om hun aansluitvolgorde te bepalen.

Opmerking: Niets belet u om een effect dat u op de onderstaande manier programmeert achteraf nog eens volgens de “Quick” methode te lijf te gaan.

Effectblokken inen uitschakelen

Effecten die u niet gebruikt kunt u uitschakelen. Dat doet u door in het effectkeuze-blok op de knop van het betreffende effect te drukken (de indicator dooft). De indicators van deze knoppen geven steeds uitsluitsel over de aan/uit status van de effectblokken.

19

GT-5 Handleiding

1,2

(1)Druk op de effectknop van het effectblok dat u in of uit wilt schakelen.

De instellingen van het geselecteerde blok verschijnen in het display.

 

 

 

GEAR

 

 

 

 

TION

 

 

 

/SLOW /LIMITER

 

 

OR

 

TOR

 

 

 

 

 

 

 

/DIST

 

SIMULA

FEEDBACKERCOMPRESSORWAH LOOP OVERDRIVEPREAMPSPEAKEREQUALIZER

FEEDBACKER

COMP/LM

WAH

LOOP

OD/DS

PREAMP

SP SIM

 

EQ

 

/SLOW GEAR

 

 

MOD

DELAY

CHORUS

TREMOLO

 

 

MASTER

PEDAL

NAME

 

/PAN REVERB

/ASSIGN

 

MODULADELAY CHORUS

REVERB

 

 

 

 

 

TION

TREMOLO

/P

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AN

 

 

 

 

(2)Druk nogmaals op dezelfde effectknop om het effectblok in of uit te schakelen. U kunt het effect ook inof uitschakelen door aan de VALUE regelaar te draaien.

Opmerking: De naam van het effect dat u hebt uitgeschakeld knippert in het display.

(3)Herhaal stap 1 en 2 om andere effectblokken in of uit te schakelen.

(4)Zodra u een keuze hebt gemaakt…

…stelt u nog andere parameters in, of

…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie blz. 28).

Opmerking: Het inof uitschakelen van effectblokken heeft geen invloed op de parameterinstellingen

voor het betreffende effectblok.

Aansluitvolgorde kiezen

We gaan nu kiezen in welke volgorde we de effectblokken willen aansluiten.

4 3

2

16

(1)Druk op de [MASTER] knop.

(2)Kies met de PARAMETER [√][®] knoppen de onderstaande display-pagina (Effect Chain).

Opmerking: Uitgeschakelde effecten worden in kleine letters afgebeeld.

(3)Plaats met de VALUE regelaar de cursor op de plaats in de keten waar u een effectblok wilt plaatsen.

(4)Kies met de effectknoppen het effect dat u op deze plaats wilt hebben.

Het geselecteerde effect wordt ingevoegd op de plaats van de cursor.

(5)Herhaal stap 3 en 4 tot alle effecten in de gewenste volgorde staan.

(6)Druk op [EXIT] om de aansluitvolgorde vast te leggen en terug te keren naar de Play pagina.

Terug op de Play pagina ziet u naast het Patch nummer een punt staan. Daarmee wordt aangegeven dat u wijzigingen in de Patch hebt aangebracht.

GROUP BANK

punt

Opmerking: Terwijl u de aansluitvolgorde vastlegt kunt u ook effecten inen uitschakelen. De effectblokken die zich direct links en rechts van de cursor bevinden kunt u uitschakelen door op de overeenkomstige knoppen te drukken.

20

Instellingen wijzigen, Instellingen voor het zwelpedaal/controlepedaal

(7)Zodra u een keuze hebt gemaakt…

…stelt u nog andere parameters in, of

…slaat u de gemaakte instellingen eerst eens op (zie blz. 28), voordat u verderwerkt.

Effectparameters instellen

Ieder effectblok is opgebouwd uit een aantal parameters (variabele instellingen). Door deze te wijzigen bepaalt u de klank van het effect.

1 3

2

Om parameters te wijzigen gaat u als volgt te werk:

(1)Druk op de effectknop van het effectblok dat u wilt editen.

De instellingen van het geselecteerde blok verschijnen in het display.

(2)Kies met de PARAMETER [√][®] knoppen de parameter die u wilt editen (met deze knoppen kunt u ook binnen een scherm parameters kiezen).

Opmerking: Door één van de PARAMETER [][®] knoppen ingedrukt te houden stapt u in versneld tempo door de parameters.

Opmerking: Door één van de PARAMETER [][®] knoppen ingedrukt te houden en de tegenoverliggende knop in te drukken springt u onmiddellijk naar belangrijke parameters. Bij effecten met een beperkt aantal parameters komt u hiermee onmiddellijk op de eerste, respectievelijk laatste parameter terecht.

(3)Stel met de VALUE regelaar de gewenste waarde in.

(4)Herhaal stap 2 en 3 om andere parameters in te stellen.

(5)Herhaal indien nodig stap 1 om een ander effectblok te kiezen en maak dan voor dit blok de nodige instellingen.

(6)Zodra u een keuze hebt gemaakt…

…stelt u nog andere parameters in, of

…slaat u de gemaakte instellingen eerst eens op (zie blz. 28), voordat u verderwerkt.

5.3 Instellingen voor het zwelpedaal/controlepedaal

De zwelen controlepedalen bieden u heel wat expressieve mogelijkheden tijdens het spelen. Hieronder laten we zien hoe u de functies voor deze pedalen kunt kiezen. Ook hier zijn er weer twee werkwijzen: het één-voor-één-wijzigen van parameters of de Quick methode. Bij deze laatste methode roept u een van tevoren geprogrammeerde pedaalfunctie op.

Voorgeprogrammeerde pedaalfuncties gebruiken (Quick methode)

Door een effect te kiezen kiest u automatisch de daarbij geprogrammeerde pedaalfuncties. Hebt u bijvoorbeeld het zwelpedaal als Wah pedaal gedefinieerd, dan worden alle parameters optimaal voor deze functie ingesteld.

Opmerking: Zodra u de “Quick” keuze van de pedaalfunctie annuleert worden de overige parameters van het betreffende effectblok opnieuw op hun vorige waarden ingesteld.

Mogelijke functies van het zwelpedaal

Hieronder ziet u een overzicht van de functies die u aan het zwelpedaal kunt toewijzen. Wilt u andere parameters aansturen, lees dan “Stuurbronnen toewijzen (Assign)” op blz. 23.

P1

FOOT VOLUME

 

 

P2

WAH PEDAL

 

 

P3

PEDAL SHIFT

 

 

P4

DELAY TIME

 

 

P5

DELAY LEVEL

 

 

P6

REV LEVEL

 

 

P7

PEDAL DRIVE

 

 

P8

PREAMP VOL

 

 

P9

HUMAN PEDAL

 

 

P10

MASTER LEV

 

 

21

GT-5 Handleiding

Mogelijke functies van het controlepedaal

Hieronder ziet u een overzicht van de functies die u aan het controlepedaal kunt toewijzen. Wilt u andere parameters aansturen, lees dan “Stuurbronnen toewijzen (Assign)” op blz. 23.

P1

TEMPO DELAY

 

 

P2

FEEDBACKER

 

 

P3

VIBRATO

 

 

P4

DELAY HOLD

 

 

P5

DELAY S.O.S.

 

 

P6

SYNTH HOLD

 

 

P7

MANUAL ON

 

 

P8

TUNER ON

 

 

Werkwijze:

3

2

1

(1)Druk op [PEDAL/ASSIGN].

(2)Kies met de PARAMETER [][®] knoppen de volgende parameters in het display.

Om de functie van het zwelpedaal te kiezen:

Om de functie van het controlepedaal te kiezen:

…slaat u de gemaakte instellingen eerst eens op (zie blz. 28), voordat u verderwerkt.

Geen gebruik maken van de Quick methode

In dat geval moet u de werkwijze volgen die wordt beschreven onder “Stuurbronnen toewijzen (Assign)” (zie hieronder). Het gaat dan om de volgende parameters:

Assign On/Off: Control Assign On/Off

Target: de parameter die u wilt aansturen

Target Range: het waardebereik dat u wilt aansturen

Source Mode: de manier waarop u de voetschakelaar wilt laten werken.

Opmerking: De Source Mode hoeft u enkel voor het controlepedaal in te stellen.

Opmerking: Als u binnen een bepaald waardebereik wilt aansturen of het virtuele zwelpedaal als stuurbron wilt gebruiken, moet u de nodige toewijzingen via “Control Assign” (zie hieronder) maken.

(3)Kies met de VALUE regelaar het effect dat u wilt aansturen.

Opmerking: Kies “Off” als u niets wilt aansturen.

(4)Herhaal stap 2 en 3 tot u de gewenste functies voor de twee pedalen hebt ingesteld.

(5)Zodra u een keuze hebt gemaakt…

…stelt u nog andere parameters in, of

22

Instellingen wijzigen, Stuurbronnen toewijzen (Assign)

5.4 Stuurbronnen toewijzen (Assign)

Om de GT-5 nog flexibeler te maken hebben we hem de mogelijkheid gegeven om parameters aan te sturen met pedalen of vanuit externe MIDIinstrumenten. Voor ieder Patch nummer kunt u acht parameters uitkiezen en voor elk van deze parameters een stuurbron kiezen.

3

2

1

(1)Druk op [PEDAL/ASSIGN].

(2)Ga met de PARAMETER [][®] knoppen naar het display van de parameter die u wilt instellen.

Assign On/Off

Target

Aangestuurd waardebereik: Min

Aangestuurd waardebereik: Max

Source

Source Mode

Uitgestuurd waardebereik : Min

Uitgestuurd waardebereik : Max

Internal Pedal

Trigger

(3)Stel met de VALUE regelaar de gewenste waarden in.

(4)Herhaal stap 2 en 3 tot u alle gewenste stuurbronnen hebt toegewezen.

(5)Zodra u een keuze hebt gemaakt…

…stelt u nog andere parameters in, of

…slaat u de gemaakte instellingen eerst eens op (zie blz. 28), voordat u verderwerkt.

Assign On/Off: toewijzingen in/uitschakelen

Met de onderstaande parameter kunt u elk van de 8 toegewezen stuurbronnen inof uitschakelen. Ook voor dit soort toewijzigingen kunt u gebruik maken van Preset en User instellingen om op die manier vaak gebruikte toewijzingen binnen handbereik te houden.

Opmerking: Per Patch kunt u 8 stuurbronnen toewijzen. Zet de stuurbronnen die u niet gebruikt op “Off”.

Toewijzingen opslaan als een User instelling

Voor ieder effectblok kunt u tot 5 verschillende instellingen als een User instelling wegschrijven. Op die manier kunt u vaak gebruikte instellingen binnen handbereik houden en in verschillende Patches gebruiken. Hieronder tonen we hoe u zo’n instelling kunt wegschrijven.

Opmerking: De inhoud van een Preset instelling op zich kunt u niet wijzigen. U kunt wel de parameters van het betreffende effectblok binnen de context van een Patch wijzigen, of de gewijzigde instellingen opslaan als een User instelling.

1

3

3

2,4

 

2

 

 

(1)Zorg dat de Control Assign instelling die u wilt wegschrijven in het display verschijnt.

(2)Houd het nummerpedaal ingedrukt van het nummer waaronder u de instelling wilt opslaan (1~5) en druk op [WRITE].

23

GT-5 Handleiding

Het display beeldt de naam af van de User instelling die nu onder het betreffende nummer zit.

Opmerking: U kunt nog op [EXIT] drukken om de procedure te annuleren. U keert dan terug naar de toestand van stap (1).

(3)Geef de User instelling een naam. Plaats de cursor met de PARAMETER [][®] knoppen op het karakter dat u wilt wijzigen en kies met de VALUE regelaar het gewenste karakter.

Opmerking: U kunt hierbij de volgende functies gebruiken:

CAPS

Hiermee kiest u tussen hoofdletters en kleine letters.

Hiermee voegt u op de plaats van de cursor INS een spatie in en verschuift u de volgende let-

ters naar rechts.

Hiermee wist u het karakter op de cursorpoDEL sitie en verschuift u de volgende letters naar

links.

(4)Druk op [WRITE].

De toegewezen stuurbron wordt, met de naam die u eraan hebt gegeven, opgeslagen in de User instelling die u in stap (2) hebt geselecteerd.

Target (Trg): parameter die u gaat aansturen

Hiermee kiest u de parameter die u wilt aansturen. Dat kunnen de volgende parameters zijn:

Uitgangsvolume

Aan./uit status van ieder effect

Effectparameters

Tuner/Bypass aan/uit

Manual aan/uit

MIDI Start/Stop

MMC Play/Stop

Opmerking: Het is mogelijk twee of meer stuurbronnen aan één parameter toe te wijzen, maar in dat geval is het af te raden beide stuurbronnen tegelijk te gebruiken. Dat kan namelijk voor ongewenste bijgeluiden zorgen.

Waardebereik van Target

Voor iedere extern aangestuurde parameter moet u een minimumen maximumwaarde specifiëren. Dat zijn de grenzen waartussen de stuurbron de waarde van die parameter kan variëren.

Voor stuurbronnen van het aan/uit type is “uit” (dicht) gelijk aan de “minimumwaarde” en is “aan” (open) gelijk aan de “maximumwaarde”. Met stuurbronnen zoals zwelpedalen of Pitch Bend hendels kunt u alle waarden tussen het minimum en het maximum zenden. Is de aangestuurde parameter van het aan/uit type, dan schakelen waarden boven de middenste waarde (tussen minimum en maximum) deze parameter in, terwijl waarden beneden de middenste waarde hem uitschakelen.

Verandering in de

Stuurbron parameterwaarde

AAN

100%

 

Max.

 

waarde

 

Min.

 

waarde

UIT

0%

Verandering in de

Stuurbron parameterwaarde

Max. 100% waarde

Max. waarde

Min. waarde

Min.

0%

waarde

Stuurbron Parameterwaarde

Max.

AAN

waarde

Midden-

waarde

Min.

 

 

 

UIT

waarde

 

 

 

 

 

Opmerking: De beschikbare minimumen maximumwaarden hangen af van de aangestuurde parameter.

Opmerking: Als u de minimumwaarde boven de maximumwaarde instelt wordt de parameter “omgekeerd” aangestuurd.

Opmerking: Kiest u na het instellen van minimumen maximumwaarden een ander Target, dan is het mogelijk dat de instellingen plots veranderen. Controleer dit steeds even nadat u een ander target hebt gekozen.

Source: stuurbron die de parameter aanstuurt

De Source is de stuurbron die de Target parameter aanstuurt.

24

Loading...
+ 54 hidden pages