KTM 350 XCF-W (2020) Owners guide [nl]

Page 1
BEDIENINGSHANDLEIDING 2020
350 EXC-F
350 XCF‑W
350 EXC‑F Six Days
Artikelnr. 3214010nl
Page 2
Page 3
BESTE KTM KLANT,
BESTEKTM KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw KTM-motorfiets. U bent nu in het bezit van een moderne en spor­tieve motorfiets die, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken.
We wensen u te allen tijde een goede en veilige reis toe!
Vul hieronder de serienummers van uw voertuig in.
Voertuigidentificatiennummer ( pag. 15) Stempel dealer
Motornummer ( pag. 15)
Sleutelnummer (alle EU/BR‑modellen) ( pag. 15)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling van de motorfietsen kunnen echter niet worden uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en der­gelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voor­afgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
© 2019 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk Alle rechten voorbehouden Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toe­stemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061) KTM past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanagement­norm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken. Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH Stallhofnerstraße 3 5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen: 350 EXC‑F EU (F8203T9) 350 EXC‑F BR (F8240T9) 350 XCF‑W US (F8275T1) 350 EXC‑F Six Days EU (F8203T2) 350 EXC‑F Six Days BR (F8240T2)
*3214010nl*
3214010nl
Page 4
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN................. 6
1.1 Gebruikte pictogrammen..................... 6
1.2 Gebruikte formatering......................... 6
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN........................ 7
2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik....... 7
2.2 Onjuist gebruik .................................. 7
2.3 Veiligheidsaanwijzingen...................... 7
2.4 Gevarenniveau en pictogrammen ......... 8
2.5 Waarschuwing voor manipulaties ......... 8
2.6 Veilig gebruik .................................... 9
2.7 Beschermende kleding ....................... 9
2.8 Werkinstructies.................................. 9
2.9 Milieu............................................. 10
2.10 Bedieningshandleiding ..................... 10
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ................... 11
3.1 Garantie.......................................... 11
3.2 Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ........... 11
3.3 Reserveonderdelen, toebehoren......... 11
3.4 Service ........................................... 11
3.5 Afbeeldingen ................................... 11
3.6 Klantenservice................................. 12
4 AFBEELDING VOERTUIG............................. 13
4.1 Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave) .................... 13
4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave) .................... 14
5 SERIENUMMERS........................................ 15
5.1 Voertuigidentificatiennummer ........... 15
5.2 Typeplaatje ..................................... 15
5.3 Sleutelnummer (alle
EU/BR‑modellen)............................. 15
5.4 Motornummer.................................. 15
5.5 Artikelnummer voorvork .................... 16
5.6 Artikelnummer schokdemper............. 16
6 BEDIENINGSELEMENTEN........................... 17
6.1 Koppelingshendel ............................ 17
6.2 Remhendel...................................... 17
6.3 Gashendel....................................... 17
6.4 Uitschakelknop................................ 17
6.5 Claxonknop (alle EU/BR‑modellen) .... 18
6.6 Lichtschakelaar (alle
EU/BR‑modellen)............................. 18
6.7 Lichtschakelaar (XCF‑W) ................... 18
6.8 Richtingaanwijzerschakelaar (alle
EU/BR‑modellen)............................. 19
6.9 Noodstopschakelaar ......................... 19
6.10 Startknop ........................................ 19
6.11 Combinatieschakelaar (alle
Six Days‑modellen, XCF‑W) ............... 20
6.12 Overzicht controlelampjes (alle
EU/BR‑modellen)............................. 20
6.13 Overzicht controlelampjes (XCF‑W) .... 21
6.14 Tankdop openen .............................. 21
6.15 Tankdop sluiten ............................... 22
6.16 Koude-startknop .............................. 22
6.17 Regelschroef stationair toerental........ 23
6.18 Versnellingshendel ........................... 23
6.19 Rempedaal...................................... 24
6.20 Zijstandaard .................................... 24
6.21 Stuurslot (alle EU/BR‑modellen)........ 24
6.22 Stuur vergrendelen (alle
EU/BR‑modellen)............................. 25
6.23 Stuur ontgrendelen (alle
EU/BR‑modellen)............................. 25
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT .................. 26
7.1 Gecombineerd instrument-overzicht ... 26
7.2 Activering en test............................. 26
7.3 Kilometer of mijl instellen................. 26
7.4 Gecombineerd instrument instellen.... 27
7.5 Tijd instellen ................................... 28
7.6 Rondetijd opvragen .......................... 28
7.7 Weergavemodus SPEED (snelheid) .... 29
7.8 Weergavemodus SPEED/H
(bedrijfsuren)................................... 29
7.9 Setupmenu ..................................... 30
7.10 Meeteenheid instellen ...................... 30
7.11 Weergavemodus SPEED/CLK (tijd) ..... 31
7.12 Tijd instellen ................................... 31
7.13 Weergavemodus SPEED/LAP
(rondetijd)....................................... 32
7.14 Rondetijd opvragen .......................... 32
7.15 Weergavemodus SPEED/ODO
(odometer) ...................................... 33
7.16 Weergavemodus SPEED/TR1
(tripmaster 1) .................................. 33
7.17 Weergavemodus SPEED/TR2
(tripmaster 2) .................................. 34
7.18 TR2 (tripmaster 2) instellen.............. 34
7.19 Weergavemodus SPEED/A1
(gemiddelde snelheid 1) ................... 35
7.20 Weergavemodus SPEED/A2
(gemiddelde snelheid 2) ................... 35
7.21 Weergavemodus SPEED/S1
(chronometer 1) ............................... 36
7.22 Weergavemodus SPEED/S2
(chronometer 2) ............................... 36
7.23 Functieoverzicht .............................. 36
7.24 Overzicht voorwaarden voor
activeerbaarheid .............................. 38
8 INBEDRIJFSTELLING.................................. 39
8.1 Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling ............................... 39
8.2 Motor inrijden.................................. 40
2
Page 5
INHOUDSOPGAVE
8.3 Startvermogen van lithium-ion­accu's bij lage temperaturen
(XCF‑W, alle EU-modellen)................ 41
8.4 Voertuig voorbereiden op zwaardere
gebruiksomstandigheden .................. 41
8.5 Voertuig voor rijden op droog zand
voorbereiden.................................... 41
8.6 Voertuig voor rijden op nat zand
voorbereiden.................................... 42
8.7 Voertuig voor rijden op nat en
modderig circuit voorbereiden ........... 43
8.8 Voertuig voor hoge temperaturen of
langzaam rijden voorbereiden............ 43
8.9 Voertuig voor lage temperaturen of
sneeuw voorbereiden ........................ 43
9 RIJ-INSTRUCTIES....................................... 44
9.1 Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling ............................... 44
9.2 Voertuig starten ............................... 44
9.3 Tractiecontrole activeren (alle
Six Days‑modellen, XCF‑W) ............... 45
9.4 Beginnen met rijden......................... 46
9.5 Schakelen, rijden ............................. 46
9.6 Afremmen ....................................... 47
9.7 Stoppen, parkeren............................ 47
9.8 Transporteren .................................. 48
9.9 Brandstof tanken ............................. 48
10 SERVICESCHEMA....................................... 50
10.1 Extra informatie ............................... 50
10.2 Verplichte werkzaamheden................ 50
10.3 Aanbevolen werkzaamheden.............. 51
11 CHASSIS AFSTELLEN ................................. 53
11.1 Basisinstelling chassis voor
bestuurdersgewicht controleren ......... 53
11.2 Ingaande demping schokdemper ....... 53
11.3 Ingaande demping lowspeed van de
schokdemper instellen...................... 53
11.4 Ingaande demping highspeed van de
schokdemper instellen...................... 54
11.5 Uitgaande demping van de
schokdemper instellen...................... 55
11.6 Maat achterwiel zonder belasting
bepalen........................................... 55
11.7 Statische veerweg schokdemper
controleren...................................... 56
11.8 Dynamische veerweg schokdemper
controleren...................................... 56
11.9 Veervoorspanning schokdemper
instellen ...................................... 57
11.10 Dynamische veerweg instellen ....... 58
11.11 Basisinstelling voorvork controleren ... 58
11.12 Ingaande demping voorvork
instellen.......................................... 59
11.13 Uitgaande demping voorvork
instellen.......................................... 60
11.14 Veervoorspanning voorvork instellen
(alle Six Days‑modellen) ................... 61
11.15 Stuurstand ...................................... 62
11.16 Stuurstand instellen ..................... 62
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ......... 65
12.1 Motorfiets met hefbok opkrikken ....... 65
12.2 Motorfiets van hefbok nemen ............ 65
12.3 Vorkpoten ontluchten ....................... 65
12.4 Vuilschrapers vorkpoten reinigen ....... 66
12.5 Voorvorkprotector demonteren ........... 66
12.6 Voorvorkprotector monteren............... 67
12.7 Vorkpoten demonteren .................. 67
12.8 Vorkpoten monteren ...................... 68
12.9 Onderste kroonplaat demonteren
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)..................... 69
12.10 Onderste kroonplaat demonteren
(alle Six Days‑modellen) ................... 70
12.11 Onderste kroonplaat monteren
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)..................... 71
12.12 Onderste kroonplaat monteren
(alle Six Days‑modellen) ................... 73
12.13 Speling balhoofdlager controleren...... 75
12.14 Speling balhoofdlager instellen
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)..................... 75
12.15 Speling balhoofdlager instellen
(alle Six Days‑modellen) ................... 76
12.16 Balhoofdlager smeren ................... 77
12.17 Spatbord voor demonteren ................ 77
12.18 Spatbord voor monteren.................... 78
12.19 Schokdemper demonteren ............. 79
12.20 Schokdemper monteren ................ 79
12.21 Zadel verwijderen............................. 79
12.22 Zadel monteren................................ 80
12.23 Deksel luchtfilterbak demonteren ...... 80
12.24 Deksel luchtfilterbak monteren .......... 81
12.25 Luchtfilter demonteren ................. 82
12.26 Luchtfilter monteren ..................... 82
12.27 Luchtfilter en luchtfilterbak
reinigen ....................................... 83
12.28 Luchtfilterbak-deksel op borging
voorbereiden ................................ 83
12.29 Einddemper demonteren................... 84
12.30 Einddemper monteren ...................... 84
12.31 Spark-arrestor reinigen (XCF‑W) ..... 84
12.32 Glasvezelvulling van einddemper
vervangen .................................... 86
12.33 Brandstoftank demonteren ............ 87
12.34 Brandstoftank monteren ................ 88
12.35 Kettingvervuiling controleren............. 90
12.36 Ketting reinigen ............................... 90
12.37 Kettingspanning controleren ............. 91
12.38 Kettingspanning instellen ................. 92
3
Page 6
INHOUDSOPGAVE
12.39 Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en
kettinggeleiding controleren .............. 93
12.40 Frame controleren ........................ 95
12.41 Achterbrug controleren .................. 95
12.42 Gaskabelplaatsing controleren ........... 95
12.43 Rubberen stuurcovers controleren...... 96
12.44 Uitgangspositie koppelingshendel
instellen.......................................... 97
12.45 Vloeistofpeil hydraulische koppeling
controleren/corrigeren....................... 97
12.46 Vloeistof van de hydraulische
koppeling verversen ...................... 98
12.47 Motorbescherming demonteren
(alle Six Days‑modellen, XCF‑W)...... 100
12.48 Motorbescherming monteren (alle
Six Days‑modellen, XCF‑W) ............. 100
13 REMSYSTEEM.......................................... 101
13.1 Vrije slag remhendel controleren...... 101
13.2 Vrije slag remhendel instellen (alle
EU/BR‑modellen)........................... 101
13.3 Uitgangspositie van de remhendel
instellen (XCF‑W) ........................... 102
13.4 Remschijven controleren................. 102
13.5 Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren.................................... 103
13.6 Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen .................................... 103
13.7 Remplaketten voorwielrem
controleren.................................... 105
13.8 Remplaketten van de voorwielrem
vervangen .................................. 105
13.9 Vrije slag rempedaal controleren...... 109
13.10 Uitgangspositie van het rempedaal
instellen .................................... 110
13.11 Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren.................................... 111
13.12 Remvloeistof achterwielrem
bijvullen .................................... 111
13.13 Remplaketten achterwielrem
controleren.................................... 112
13.14 Remplaketten van de
achterwielrem vervangen ............. 113
14 WIELEN, BANDEN .................................... 116
14.1 Voorwiel demonteren .................. 116
14.2 Voorwiel monteren ...................... 117
14.3 Achterwiel demonteren ............... 117
14.4 Achterwiel monteren ................... 118
14.5 Bandentoestand controleren............ 120
14.6 Bandenspanning controleren ........... 120
14.7 Spaakspanning controleren ............. 121
15 ELEKTRONICA.......................................... 122
15.1 12V-accu demonteren ................. 122
15.2 12V-accu monteren .................... 124
15.3 12V-accu laden .......................... 125
15.4 Hoofdzekering vervangen ................ 128
15.5 Zekeringen afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen ........... 129
15.6 Koplampkap met koplamp
demonteren................................... 131
15.7 Koplampkap met koplamp
monteren ...................................... 131
15.8 Lamp koplamp vervangen ............... 132
15.9 Koplampstand controleren .............. 133
15.10 Lichtbundelbreedte van de
koplamp instellen .......................... 133
15.11 Knipperlichtlamp vervangen (alle
EU/BR‑modellen)........................... 134
15.12 Batterij gecombineerd instrument
vervangen...................................... 135
15.13 Diagnosestekker............................. 136
16 KOELSYSTEEM......................................... 137
16.1 Koelsysteem .................................. 137
16.2 Antivries en koelmiddelpeil
controleren.................................... 137
16.3 Koelmiddelpeil controleren ............. 138
16.4 Koelmiddel aftappen .................. 139
16.5 Koelmiddel vullen ...................... 139
17 MOTOR AFSTELLEN ................................. 141
17.1 Speling gaskabel controleren........... 141
17.2 Speling gaskabel instellen ........... 141
17.3 Eigenschappen van de gasrespons
instellen .................................... 142
17.4 Mapping wijzigen (alle
Six Days‑modellen) ........................ 143
17.5 Stationair toerental instellen ........ 144
17.6 Smoorkleppositie programmeren...... 145
17.7 Uitgangspositie versnellingshendel
controleren.................................... 145
17.8 Uitgangspositie van de
versnellingshendel instellen ......... 146
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ......... 147
18.1 Brandstofzeef vervangen ............. 147
18.2 Motoroliepeil controleren ................ 148
18.3 Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeef reinigen ..... 148
18.4 Motorolie bijvullen ......................... 151
19 REINIGING, ONDERHOUD......................... 152
19.1 Motorfiets reinigen ......................... 152
19.2 Controle en onderhoud voor rijden
in de winter ................................... 153
20 STALLING ................................................ 154
20.1 Stalling......................................... 154
20.2 Inbedrijfname na stalling ................ 155
4
Page 7
21 FOUTEN OPSPOREN................................. 156
22 KNIPPERCODE ......................................... 159
23 TECHNISCHE GEGEVENS.......................... 161
23.1 Motor............................................ 161
23.2 Aanhaalmomenten motor ................ 162
23.3 Vulhoeveelheden............................ 164
23.3.1 Motorolie .................................. 164
23.3.2 Koelmiddel ............................... 164
23.3.3 Brandstof.................................. 164
23.4 Chassis ......................................... 164
23.5 Elektronica.................................... 165
23.6 Banden......................................... 166
23.7 Voorvork........................................ 166
23.7.1 EXC‑F EU/BR, XCF‑W................. 166
23.7.2 alle Six Days‑modellen ............... 166
23.8 Schokdemper ................................ 167
23.9 Aanhaalmomenten chassis .............. 168
24 GEBRUIKSSTOFFEN................................. 170
INHOUDSOPGAVE
25 HULPSTOFFEN......................................... 172
26 NORMEN ................................................. 174
27 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ...................... 175
28 LIJST MET AFKORTINGEN ........................ 176
29 LIJST MET SYMBOLEN ............................. 177
29.1 Gele of oranje pictogrammen........... 177
29.2 Groene en blauwe pictogrammen ..... 177
INDEX ............................................................. 178
5
Page 8

1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN

1.1 Gebruikte pictogrammen

Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTM­garage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.

1.2 Gebruikte formatering

Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam Kenmerkt een eigennaam.
®
Naam
Merk™ Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen
Kenmerkt een beschermde naam.
die in de begrippenlijst worden uitgelegd.
6
Page 9

VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2

2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik

(alle EU/BR‑modellen)
Dit voertuig is zodanig ontworpen en gebouwd dat het gangbare belastingen bij normale races kan weerstaan. Dit voertuig voldoet aan het geldende reglement en de geldende categorieën van de hoogste internationale motorsportbonden.
Info
Dit voertuig is alleen in de gehomologeerde uitvoering (beperkt vermogen) toegelaten voor het rijden op de openbare weg. In de niet-gehomologeerde uitvoering mag dit voertuig uitsluitend worden gebruikt op afgesloten tra­jecten buiten het openbare wegennet. Dit voertuig is speciaal ontworpen voor langeafstandsraces op het terrein en niet voor het overwegende gebruik in de motocross.
(XCF‑W)
Dit voertuig is zodanig ontworpen en gebouwd dat het gangbare belastingen bij normale races kan weerstaan. Dit voertuig voldoet aan het geldende reglement en de geldende categorieën van de hoogste internationale motorsportbonden.
Info
Dit voertuig is speciaal ontworpen voor langeafstandsraces op het terrein en niet voor het overwegende gebruik in de motocross.

2.2 Onjuist gebruik

Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze. Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en milieu. Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik. Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfs- en hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specifica­ties.

2.3 Veiligheidsaanwijzingen

Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden genomen. Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvul­dig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de tekst.
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwings­stickers aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
7
Page 10
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN

2.4 Gevarenniveau en pictogrammen

Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaat­regelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgs­maatregelen neemt.

2.5 Waarschuwing voor manipulaties

Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende maatregelen of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1 Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluids-
demping dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het voertuig voor andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2 Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten wer-
king is gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1 Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaat-
gassen geleiden. 2 Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem. 3 Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand. 4 Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van
het inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
(XCF‑W)
Een deel van het toebehoren of een gemodificeerd deel moet voldoen aan de geldende ARB-standaards ter
begrenzing van de verdampingsemissies. Overtredingen van deze bepaling kunnen leiden tot civiel- en/of
strafrechtelijke sancties.
8
Page 11
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2

2.6 Veilig gebruik

Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zich-
zelf en voor anderen.
– Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent. – Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
– Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie. – Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet. – Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
– Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken. Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist. Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen. De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.

2.7 Beschermende kleding

Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
– Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
– Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende kleding.

2.8 Werkinstructies

Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: lagertrekker (15112017000) Onderdelen die niet kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen, dichtringen, keerringen, splitpennen, borgplaten) tijdens de montage door nieuwe onderdelen vervangen. Voor enkele schroefverbindingen is schroefborging (bijvoorbeeld Loctite®) vereist. Specifieke aanwijzingen van de fabrikant bij het gebruik in acht nemen. Als op een nieuw onderdeel reeds schroefborgmiddel (bijv. Precote®) is aangebracht, geen extra borgmiddel aan­brengen. Onderdelen die na de demontage worden hergebruikt, reinigen en controleren op beschadiging en slijtage. Beschadigde of versleten onderdelen vervangen. Na een reparatie of servicebeurt controleren of het voertuig verkeersveilig is.
9
Page 12
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN

2.9 Milieu

Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en conflicten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebrui­ken, dient u milieubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren. Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de gel­dende wet- en regelgeving in het betreffende land. Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wet­telijke regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.

2.10 Bedieningshandleiding

Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedie­ningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen. Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt raadplegen wanneer dat nodig is. Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer tijdens het lezen iets niet duidelijk is. De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eige­naar worden gegeven.
De bedieningshandleiding is bovendien als download op uw geautoriseerde KTM Motorcycles-dealer en op de KTM Motorcycles-website beschikbaar. Internationale KTM website: http://www.ktm.com
10
Page 13

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3

3.1 Garantie

De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage worden uitgevoerd en moeten in het service- en garantieboekje en op KTM Dealer.net worden bevestigd, aangezien anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt, bestaat er geen aanspraak op garantie. Meer informatie over de garantie en de afwikkeling ervan vindt u in het service- & garantieboekje.

3.2 Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen

Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
– Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.

3.3 Reserveonderdelen, toebehoren

Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aan­bevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor ver­oorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk. Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website. Internationale KTM website: http://www.ktm.com

3.4 Service

Voorwaarde voor een storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de bedieningshandleiding genoemde service, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis. Door een onjuist afgesteld chassis kunnen chassiscomponenten beschadigen of afbreken. Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt zoals op zand of op een nat of modderig traject/terrein, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk sneller ver­slijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te contro­leren of te vervangen. Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets. Bij de intervallen gebaseerd op tijd of kilometerstand is het interval dat als eerste komt doorslaggevend.

3.5 Afbeeldingen

De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen. Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de betreffende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u zich aan de aanwijzingen in de tekst.
11
Page 14
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN

3.6 Klantenservice

De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website. Internationale KTM website: http://www.ktm.com
12
Page 15

4.1 Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)

AFBEELDING VOERTUIG 4

Koppelingshendel ( pag. 17)
1
Tankdop
2
Deksel luchtfilterbak
3
Zijstandaard ( pag. 24)
4
Motornummer ( pag. 15)
5
Versnellingshendel ( pag. 23)
6
V01826-10
13
Page 16
4 AFBEELDING VOERTUIG

4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)

Uitschakelknop ( pag. 17)
1
Claxonknop ( pag. 18) (alle EU/BR‑modellen)
1
Lichtschakelaar ( pag. 18) (alle EU/BR‑modellen)
1
Richtingaanwijzerschakelaar ( pag. 19) (alle EU/BR‑modellen)
1
Startknop ( pag. 19)
2
Noodstopschakelaar ( pag. 19)
3
Gashendel ( pag. 17)
4
Remhendel ( pag. 17)
5
Artikelnummer voorvork ( pag. 16)
6
Rempedaal ( pag. 24)
7
Kijkglas motorolie
8
Kijkglas remvloeistof achter
9
V01827-10
14
Page 17

5.1 Voertuigidentificatiennummer

401945-10

5.2 Typeplaatje

SERIENUMMERS 5

Het voertuigidentificatienummer1is aan de rechterkant van het balhoofd gegraveerd.
(alle EU-modellen)
Het typeplaatje Europa1is op het balhoofd vooraan aange­bracht. Het typeplaatje Australië2is op de borstbuis vooraan aange­bracht.
V01808-10

5.3 Sleutelnummer (alle EU/BR‑modellen)

Het sleutelnummer1voor het stuurslot is ingefreesd in de sleu­telhanger.
402247-10

5.4 Motornummer

Het motornummer1in de linkerkant van de motor boven het ketting-aandrijfwiel gegraveerd.
H01047-10
15
Page 18
5 SERIENUMMERS

5.5 Artikelnummer voorvork

5.6 Artikelnummer schokdemper

Het artikelnummer van de voorvork1is aan de binnenzijde van de asopname gegraveerd.
401947-10
Het artikelnummer van de schokdemper1is op het bovenste deel van de schokdemper boven de stelring naar de motorzijde toe gegraveerd.
H02222-10
16
Page 19

6.1 Koppelingshendel

6.2 Remhendel

BEDIENINGSELEMENTEN 6

De koppelingshendel1is aan de linkerkant van het stuur aange­bracht. De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijge­steld.
A00345-10
De remhendel1is aan de rechterkant van het stuur aangebracht. Met de remhendel wordt de voorwielrem bediend.

6.3 Gashendel

6.4 Uitschakelknop

E01205-10
De gashendel1is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
E01206-10
(alle EU/BR‑modellen)
De uitschakelknop1is links aan het stuur aangebracht.
S01302-10
17
Page 20
6 BEDIENINGSELEMENTEN

6.5 Claxonknop (alle EU/BR‑modellen)

(XCF‑W)
De uitschakelknop1is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Uitschakelknop in de uitgangspositie – In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten en kan de motor worden gestart.
• Uitschakelknop ingedrukt – In deze stand is het ontste­kingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in.
E00821-10
De claxonknop1is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon bediend.
S01303-10

6.6 Lichtschakelaar (alle EU/BR‑modellen)

De lichtschakelaar1is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
S01307-10

6.7 Lichtschakelaar (XCF‑W)

De lichtschakelaar1bevindt zich links naast het gecombineerde instrument.
Mogelijke toestanden
• Licht uit – Lichtschakelaar is tot de aanslag ingedrukt. In deze stand is het licht uitgeschakeld.
• Licht aan – Lichtschakelaar tot de aanslag uitgetrokken. In deze stand zijn het dimlicht en het achterlicht ingeschakeld.
Dimlicht aan – Lichtschakelaar in de middelste stand. In deze stand zijn het dimlicht en het achterlicht ingeschakeld.
Groot licht aan – Lichtschakelaar is tegen de klok in gedraaid. In deze stand zijn het groot licht en het ach­terlicht ingeschakeld.
18
V01748-10
Page 21

6.8 Richtingaanwijzerschakelaar (alle EU/BR‑modellen)

De richtingaanwijzerschakelaar1is links aan het stuur aange­bracht.
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit – Richtingaanwijzerschakelaar bevindt zich in de middelste stand.
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerscha­kelaar is naar links geschakeld.
S01304-10
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerscha­kelaar is naar rechts geschakeld.

6.9 Noodstopschakelaar

(alle EU/BR‑modellen)
De noodstopschakelaar1is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Ontsteking uit – In deze stand is het ontstekingscir­cuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in.
Ontsteking aan – In deze stand is het ontstekingscir-
V01749-10
cuit gesloten en kan de motor worden gestart.
BEDIENINGSELEMENTEN 6

6.10 Startknop

(alle EU/BR‑modellen)
De startknop1is aan de rechterkant van het stuur aange­bracht.
V01749-11
(XCF‑W)
De startknop1is aan de rechterkant van het stuur aange­bracht.
Mogelijke toestanden
• Startknop in de uitgangspositie
• Startknop ingedrukt – in deze stand wordt de startmotor geactiveerd.
V01750-10
19
Page 22
6 BEDIENINGSELEMENTEN

6.11 Combinatieschakelaar (alle Six Days‑modellen, XCF‑W)

H02887-01
De combinatieschakelaar is links op het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
1 STANDARD – Bij brandende led 1 is
STANDARD Mapping geactiveerd.
1TC STANDARD met TC – Bij brandende leds 1 en TC is
STANDARD Mapping met de tractiecontrole geacti­veerd.
2 ADVANCED – Bij brandende led 2 is ADVANCED Map-
ping geactiveerd.
2TC ADVANCED met TC – Bij brandende leds 2 en TC is
ADVANCED Mapping met de tractiecontrole geacti­veerd.
Waarschuwing
Vervallen van de toelating voor de openbare weg en de verze­kering Als de combinatieschakelaar is gemonteerd, ver-
valt de eventuele toelating van het voertuig voor de open­bare weg.
– Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en
niet op de openbare weg, als de combinatieschakelaar is gemonteerd.
Met de knop MAP van de combinatieschakelaar kan de motorka­rakteristiek worden gewijzigd. Bovendien kan via de combinatieschakelaar de tractiecontrole wor­den geactiveerd.

6.12 Overzicht controlelampjes (alle EU/BR‑modellen)

Mogelijke toestanden
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
Controlelampje storing brandt/knippert geel – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica geconsta­teerd. Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt geel
V01752-10
– Brandstofpeil heeft de reservemarkering bereikt.
Controlelampje richtingaanwijzer knippert groen – Richtingaanwijzer is ingeschakeld.
20
Page 23
BEDIENINGSELEMENTEN 6

6.13 Overzicht controlelampjes (XCF‑W)

Mogelijke toestanden
Controlelampje storing brandt/knippert geel – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica geconsta­teerd. Stoppen en contact opnemen met een geau­toriseerde KTM-garage.
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt oranje – Brandstofpeil heeft de reservemarkering bereikt.
V01751-10

6.14 Tankdop openen

Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
– Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten. – Zet de motor uit, als u brandstof tankt. – Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig. – Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg. – Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
– Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding. – Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt. – Adem geen brandstofdampen in. – Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen. – Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
– Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen. – Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
– Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
Ontgrendelknop1indrukken, tankdop tegen de klok in draaien en naar boven toe verwijderen.
K01334-10
21
Page 24
6 BEDIENINGSELEMENTEN

6.15 Tankdop sluiten

6.16 Koude-startknop

– Tankdop plaatsen en met de klok mee draaien tot de ontgren-
delknop1vergrendelt.
Info
Slang van de brandstoftankontluchting2zonder knik­ken leggen.
K01334-11
De koude-startknop1is onder aan het smoorklephuis aange­bracht. Bij koude motor en lage omgevingstemperatuur verlengt de elek­tronische brandstofinspuiting de inspuittijd. Om de grotere hoe­veelheid brandstof te verbranden, wordt er extra zuurstof aan de motor toegevoerd door het uittrekken van de koude-startknop. Als kort gas wordt gegeven en de gashendel dan wordt losgela­ten of de gashendel naar voren wordt gedraaid, springt de koude­startknop terug in de uitgangspositie.
H02253-10
Info
Controleer of de koude-startknop is teruggekeerd naar de uitgangspositie.
Mogelijke toestanden
• Koude-startknop geactiveerd – Koude-startknop is tot de aan­slag ingedrukt.
• Koude-startknop gedeactiveerd – Koude-startknop staat in de uitgangspositie.
22
Page 25

6.17 Regelschroef stationair toerental

De stationaire afstelling van de regelklep is van grote invloed op het startgedrag, een stabiel stationair toerental en de response bij het gas geven. Een motor met een correct ingesteld stationair toerental start mak­kelijker dan een motor met een verkeerd ingesteld stationair toe­rental. Het stationaire toerental wordt met de regelschroef stationair toe­rental1afgesteld. Als de regelschroef stationair toerental met de klok mee wordt gedraaid, wordt het stationaire toerental hoger. Als de regelschroef stationair toerental tegen de klok in wordt gedraaid, wordt het stationaire toerental lager.
BEDIENINGSELEMENTEN 6

6.18 Versnellingshendel

H02254-10
De versnellingshendel1is aan de linkerkant van de motor gemonteerd.
401950-10
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden van de afbeelding. De neutrale of stationaire stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.
401950-11
23
Page 26
6 BEDIENINGSELEMENTEN

6.19 Rempedaal

6.20 Zijstandaard

Het rempedaal1bevindt zich voor de rechter voetsteun. Met het rempedaal wordt de achterwielrem bediend.
401956-10
De zijstandaard1is aan de linker voertuigzijde aangebracht.
401943-10
401944-10

6.21 Stuurslot (alle EU/BR‑modellen)

S01311-10
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motor­fiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard1worden opge­klapt en met de rubberband2zijn vastgezet.
Het stuurslot1is aan de linkerkant van het balhoofd aange­bracht. Met het stuurslot kan het stuur worden geblokkeerd. Sturen en rijden is dan niet meer mogelijk.
24
Page 27

6.22 Stuur vergrendelen (alle EU/BR‑modellen)

Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
– Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
– Voertuig parkeren. – Het stuur volledig naar rechts draaien. – Stuurslot regelmatig smeren.
Universele oliespray ( pag. 173)
– Sleutel voor het stuurslot in het stuurslot ( pag. 24) steken,
naar links draaien, indrukken en naar rechts draaien. Sleutel voor het stuurslot verwijderen.
400732-01
Het stuur kan niet meer worden bewogen.
Info
Sleutel voor het stuurslot nooit in het stuurslot laten zitten.
BEDIENINGSELEMENTEN 6

6.23 Stuur ontgrendelen (alle EU/BR‑modellen)

– Sleutel voor het stuurslot in het stuurslot ( pag. 24) steken,
naar links draaien, uittrekken en naar rechts draaien. Sleutel voor het stuurslot verwijderen.
Het stuur kan weer worden bewogen.
400731-01
Info
Sleutel voor het stuurslot nooit in het stuurslot laten zitten.
25
Page 28

7 GECOMBINEERD INSTRUMENT

7.1 Gecombineerd instrument-overzicht

V00799-01

7.2 Activering en test

– Met de knop worden verschillende functies aangestuurd. – Met de knop worden verschillende functies aangestuurd.
Info
In de leveringstoestand is alleen de weergavemodus
SPEED/H en SPEED/ODO geactiveerd.
Gecombineerd instrument activeren
Het gecombineerde instrument wordt geactiveerd als u op een van de knoppen drukt of als het instrument van de wieltoerentalsensor een impuls ontvangt.
Displaytest
Voor de functiecontrole van het display lichten kort alle indicatie­segmenten op.
400313-01
WS (wheel size)
Na de functiecontrole van het display wordt kort de wielomtrek WS (wheel size) weergegeven.
Info
Het cijfer 2205 komt overeen met de omtrek van een 21"­voorwiel met standaardbanden.
Vervolgens wordt de laatste geselecteerde modus weergegeven.
400314-01

7.3 Kilometer of mijl instellen

Info
Als de eenheid wordt gewisseld, blijft de waarde ODO bewaard en wordt omgerekend naar de geselecteerde eenheid. De waarden TR1, TR2, A1, A2 en S1 worden bij het omstellen gewist.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie H rechtson-
der op het display verschijnt.
– Toets 2 - 3 seconden indrukken.
Het setupmenu wordt met de geactiveerde functies wor­den weergegeven.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie Km/h/Mph
knippert.
Km/h instellen
400329-01
– Toets indrukken.
26
Page 29
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Mph instellen
– Toets indrukken.
– 3 - 5 seconden wachten.
De instellingen worden opgeslagen.
Info
Indien er gedurende 10 - 12 seconden geen knop wordt ingedrukt of er een impuls wordt ontvangen van de wieltoerentalsensor, worden de instellingen automatisch opgeslagen en het setupmenu wordt gesloten.

7.4 Gecombineerd instrument instellen

Info
In de leveringstoestand is alleen de weergavemodus SPEED/H en SPEED/ODO geactiveerd.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie H rechtson-
der op het display verschijnt.
– Toets 2 - 3 seconden indrukken.
Het setupmenu wordt met de geactiveerde functies wor­den weergegeven.
400318-01
Info
Als er 10 -12 seconden geen knop is ingedrukt, worden de instellingen automatisch opgeslagen. Indien er gedurende 20 seconden geen knop wordt ingedrukt of er een impuls wordt ontvangen van de wieltoerentalsensor, worden de instellingen automatisch opgeslagen en het setupmenu wordt gesloten.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de gewenste functie
knippert.
De geselecteerde functie knippert.
Functie activeren
– Toets indrukken.
Pictogram blijft op het display staan en de weergave wisselt naar de volgende functie.
Functie deactiveren
– Toets indrukken.
Pictogram op het display verdwijnt en de weergave wisselt naar de volgende functie.
27
Page 30
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT

7.5 Tijd instellen

400330-01
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie CLK rechts-
onder op het display verschijnt.
– Toets 2 - 3 seconden indrukken.
Uurweergave knippert.
– Uurweergave met de knop resp. knop instellen. – 3 - 5 seconden wachten.
Het volgende segment van de weergave knippert en kan worden ingesteld.
– Door de knop en knop in te drukken kunnen de volgende
segmenten op dezelfde wijze als de uurweergave worden inge­steld.
Info
De seconden kunnen alleen op nul worden gezet. Indien er gedurende 15-20 seconden geen knop wordt ingedrukt of er een impuls wordt ontvangen van de wieltoerentalsensor, worden de instellingen automatisch opgeslagen en wordt het setupmenu gesloten.

7.6 Rondetijd opvragen

Info
Deze functie kan alleen worden opgeroepen, als de rondetijden zijn gemeten.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie LAP rechts-
onder op het display verschijnt.
– Toets kort indrukken.
Op de linkerkant van het display wordt LAP 1 weergegeven.
– De ronden 1-10 kunnen met de knop worden opgeroepen. – De knop 3-5 seconden ingedrukt houden.
De rondetijden worden gewist.
400321-01
– Toets kort indrukken.
Volgende weergavemodus
Info
Als er een impuls wordt ontvangen van de wieltoeren­talsensor, schakelt de linkerkant van het display terug naar de SPEED-modus.
28
Page 31

7.7 Weergavemodus SPEED (snelheid)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie SPEED links
op het display verschijnt.
In de weergavemodus SPEED wordt de actuele snelheid weergege­ven. De actuele snelheid kan in Km/h of in Mph worden weergegeven.
Info
Landspecifieke instelling aanpassen.
400317-02
Zodra er een impuls van het voorwiel komt, schakelt de lin­kerkant van het display naar de SPEED-modus en wordt de actuele snelheid weergegeven.

7.8 Weergavemodus SPEED/H (bedrijfsuren)

Voorwaarden
• De motorfiets staat stil. – Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie H rechtson-
der op het display verschijnt.
In de weergavemodus H worden de bedrijfsuren van de motor weer­gegeven. De bedrijfsurenteller slaat de totale rijtijd op.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
400316-01
Info
De bedrijfsurenteller is nodig om te kunnen voldoen aan de servicewerkzaamheden. Als het gecombineerde instrument zich bij het starten in de weergavemodus H bevindt, wisselt het automatisch naar de weergavemodus ODO. De weergavemodus H wordt tijdens het rijden onderdrukt.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Weergave wisselt naar het setupmenu voor de functies.
Volgende weergavemodus
Geen functie
Geen functie
29
Page 32
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT

7.9 Setupmenu

400344-01
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie H rechtson-
der op het display verschijnt.
– Toets 2 - 3 seconden indrukken. Het setupmenu geeft de geactiveerde functies weer.
Info
De knop zo vaak kort indrukken totdat de gewenste functie bereikt is. Als er 20 seconden geen knop is ingedrukt, worden de instellingen automatisch opgeslagen.

7.10 Meeteenheid instellen

400329-01
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
3 - 5 secon­den wachten.
10 - 12 seconden wachten.
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie H rechtson-
der op het display verschijnt.
– Toets 2 - 3 seconden indrukken. – Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie Km/h/Mph
knippert.
In de meeteenheden-modus kan de meeteenheid worden gewij­zigd.
Activeert de knipperende indicatie en gaat naar de volgende indicatie
Geen functie
Deactiveert de knipperende indicatie en gaat naar de volgende indicatie
Geen functie
Wisselt naar de volgende weergave zonder wijzi­gingen
Setupmenu start, slaat de instellingen op en wisselt naar H of ODO.
30
Info
Als er 5 seconden geen knop is ingedrukt, worden de instellingen automatisch opgeslagen.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Start van de selectie, activeert de Km/h weer­gave
Geen functie
Page 33
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
3 - 5 secon­den wachten.
10 - 12 seconden wachten.

7.11 Weergavemodus SPEED/CLK (tijd)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie CLK rechts-
In de weergavemodus CLK wordt de tijd weergegeven.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort
400319-01
indrukken. Toets 2 -
3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Activeert Mph weergave
Geen functie
Wisselt naar de volgende weergave, wisselt van de selectie naar het setupmenu
Slaat het setupmenu op en sluit dit menu
onder op het display verschijnt.
Weergave wisselt naar het setupmenu voor de klok.
Volgende weergavemodus
Geen functie
Geen functie

7.12 Tijd instellen

400319-01
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil. – Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie CLK rechts-
onder op het display verschijnt.
– Toets 2 - 3 seconden indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
3 - 5 secon­den wachten.
10 - 12 seconden wachten.
Verhoogt de waarde
Verhoogt de waarde
Verlaagt de waarde
Verlaagt de waarde
Wisselt naar de volgende waarde
SETUP-menu verlaten
31
Page 34
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT

7.13 Weergavemodus SPEED/LAP (rondetijd)

400320-01
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie LAP rechts-
onder op het display verschijnt.
In de weergavemodus LAP kan met de chronometer maximaal 10 rondetijden worden gemeten.
Info
Als de rondetijd na het indrukken van de toets doorloopt, zijn 9 geheugenplaatsen gebruikt. De ronde 10 moet met de toets worden gestopt.

7.14 Rondetijd opvragen

400321-01
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie LAP rechts-
onder op het display verschijnt.
– Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
De chronometer en rondetijd worden terugge­zet.
Volgende weergavemodus
Stopt de klok.
Start de klok of stopt de lopende rondetijd, slaat deze op en de chronometer start de vol­gende ronde.
De chronometer en rondetijd worden terugge­zet.
Ronden van 1-10 selecteren
Geen functie
Volgende rondetijd oproepen.
32
Page 35

7.15 Weergavemodus SPEED/ODO (odometer)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie ODO rechts-
onder op het display verschijnt.
In de weergavemodus ODO wordt de totale gereden afstand weerge­geven.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
400317-01
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.

7.16 Weergavemodus SPEED/TR1 (tripmaster 1)

–
Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie TR1 rechts­boven op het display verschijnt.
De TR1 (tripmaster 1) loopt altijd mee en telt tot 999,9. Hiermee kan de lengte van het traject tijdens ritten of de afstand tussen twee tankstops worden gemeten. TR1 is aan A1 (gemiddelde snelheid 1) en S1 (chronometer 1) gekoppeld.
400323-01
Info
Als 999,9 wordt overschreden, worden de waarden TR1, A1 en S1 automatisch teruggezet op 0,0.
Geen functie
Volgende weergavemodus
Geen functie
Geen functie
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Indicaties TR1, A1 en S1 worden op 0,0 gezet.
Volgende weergavemodus
Geen functie
Geen functie
33
Page 36
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT

7.17 Weergavemodus SPEED/TR2 (tripmaster 2)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie TR2 rechts-
boven op het display verschijnt.
De TR2 (tripmaster 2) loopt altijd mee en telt tot 999,9.
400324-01

7.18 TR2 (tripmaster 2) instellen

400324-01
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie TR2 rechts-
boven op het display verschijnt.
– Toets 2 - 3 seconden indrukken tot TR2 knippert. De weergegeven waarde kan handmatig met de toets en de
toets worden ingesteld. Deze functie is praktisch bij ritten op basis van het roadbook.
Wist waarden TR2 en A2.
Volgende weergavemodus
Verlaagt waarde TR2.
Verlaagt waarde TR2.
Info
De waarde TR2 kan ook tijdens het rijden handmatig wor­den gecorrigeerd met de toets en de toets . Als 999,9 wordt overschreden, wordt de waarde TR2 auto­matisch teruggezet op 0,0.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
10 - 12 seconden wachten.
Verhoogt waarde TR2.
Verhoogt waarde TR2.
Verlaagt waarde TR2.
Verlaagt waarde TR2.
Slaat het setupmenu op en sluit het.
34
Page 37

7.19 Weergavemodus SPEED/A1 (gemiddelde snelheid 1)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie A1 rechts-
boven op het display verschijnt.
A1 (gemiddelde snelheid 1) geeft de gemiddelde snelheid weer op basis van de berekening van TR1 (tripmaster 1) en S1 (chronome­ter 1) aan. De berekening van deze waarde wordt geactiveerd met de eerste impuls van de wieltoerentalsensor en eindigt 3 seconden na de laatste impuls.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
400325-01
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Indicaties TR1, A1 en S1 worden op 0,0 gezet.
Volgende weergavemodus
Geen functie
Geen functie

7.20 Weergavemodus SPEED/A2 (gemiddelde snelheid 2)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie A2 rechts-
boven op het display verschijnt.
A2 (gemiddelde snelheid 2) geeft de gemiddelde snelheid aan op basis van de actuele snelheid als de chronometer S2 (chronome­ter 2) loopt.
Info
De weergegeven waarde kan afwijken van de daadwerkelijke
400326-01
gemiddelde snelheid als S2 na het rijden niet is gestopt.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Volgende weergavemodus
Geen functie
Geen functie
Geen functie
35
Page 38
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT

7.21 Weergavemodus SPEED/S1 (chronometer 1)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie S1 rechts-
boven op het display verschijnt.
S1 (chronometer 1) geeft de rijtijd weer op basis van TR1 en loopt door als een impuls wordt ontvangen van de wieltoerentalsensor. De berekening van deze waarde start met de eerste impuls van de wieltoerentalsensor en eindigt 3 seconden na de laatste impuls.
Toets 2 ­3 seconden
400327-01
indrukken. Toets kort
indrukken. Toets 2 -
3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.

7.22 Weergavemodus SPEED/S2 (chronometer 2)

– Toets zo vaak kort indrukken totdat de indicatie S2 rechts-
boven op het display verschijnt.
S2 (chronometer 2) is een met de hand te bedienen chronometer. Als S2 op de achtergrond loopt, knippert de weergave S2 op het display.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
400328-01
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Toets kort indrukken.
Indicaties TR1, A1 en S1 worden op 0,0 gezet.
Volgende weergavemodus
Geen functie
Geen functie
Weergave van S2 en A2 worden op 0,0 gezet.
Volgende weergavemodus
Geen functie
Start of stopt S2.

7.23 Functieoverzicht

Weergave Toets 2 -
3 seconden indrukken.
Weergavemo­dus SPEED/H (bedrijfsuren)
36
Weergave wisselt naar het setup­menu voor de functies.
Toets kort indrukken.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Geen functie Geen functie
Toets kort indrukken.
3 - 5 secon­den wachten.
10 - 12 seconden wachten.
Page 39
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Weergave Toets 2 -
3 seconden indrukken.
Setupmenu Geen functie Activeert de
Meeteenheid instellen
Weergavemo­dus SPEED/CLK (tijd)
Tijd instellen Verhoogt de
Weergavemo­dus SPEED/LAP (rondetijd)
Rondetijd opvragen
Weergavemo­dus SPEED/ODO (odometer)
Weergavemo­dus SPEED/TR1 (tripmaster 1)
Weergavemo­dus SPEED/TR2 (tripmaster 2)
TR2 (tripmas­ter 2) instellen
Geen functie Start van de
Weergave wisselt naar het setup­menu voor de klok.
waarde
De chrono­meter en ron­detijd worden teruggezet.
De chrono­meter en ron­detijd worden teruggezet.
Geen functie Volgende
Indicaties
TR1, A1 en S1 worden op
0,0 gezet. Wist waarden
TR2 en A2.
Verhoogt waarde TR2.
Toets kort indrukken.
knipperende indicatie en gaat naar de volgende indicatie
selectie, acti­veert de Km/h weergave
Verhoogt de waarde
Ronden van 1-10 selecte­ren
weergave­modus
Verhoogt waarde TR2.
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Geen functie Deactiveert
Geen functie Activeert Mph
Geen functie Geen functie
Verlaagt de waarde
Stopt de klok.
Geen functie Volgende
Geen functie Geen functie
Geen functie Geen functie
Verlaagt waarde TR2.
Verlaagt waarde TR2.
Toets kort indrukken.
de knippe­rende indi­catie en gaat naar de vol­gende indica­tie
weergave
Verlaagt de waarde
Start de klok of stopt de lopende ron­detijd, slaat deze op en de chrono­meter start de volgende ronde.
rondetijd oproepen.
Verlaagt waarde TR2.
Verlaagt waarde TR2.
3 - 5 secon­den wachten.
Wisselt naar de volgende weergave zonder wij­zigingen
Wisselt naar de volgende weergave, wisselt van de selec­tie naar het setupmenu
Wisselt naar de volgende waarde
10 - 12 seconden wachten.
Setupmenu start, slaat de instellingen op en wis­selt naar H of ODO.
Slaat het setupmenu op en sluit dit menu
SETUP-menu verlaten
Slaat het setupmenu op en sluit het.
37
Page 40
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Weergave Toets 2 -
3 seconden indrukken.
Weergavemo­dus SPEED/A1 (gemiddelde snelheid 1)
Weergavemo­dus SPEED/A2 (gemiddelde snelheid 2)
Weergavemo­dus SPEED/S1 (chronome­ter 1)
Weergavemo­dus SPEED/S2 (chronome­ter 2)
Indicaties
TR1, A1 en S1 worden op
0,0 gezet. Geen functie Volgende
Indicaties
TR1, A1 en S1 worden op
0,0 gezet. Weergave
van S2 en A2 worden op 0,0 gezet.
Toets kort indrukken.
weergave­modus
Toets 2 ­3 seconden indrukken.
Geen functie Geen functie
Geen functie Geen functie
Geen functie Geen functie
Geen functie Start of stopt
Toets kort indrukken.
S2.
3 - 5 secon­den wachten.
10 - 12 seconden wachten.

7.24 Overzicht voorwaarden voor activeerbaarheid

Weergave De motorfiets staat
stil.
Weergavemodus SPEED/H (bedrijfsuren) • Setupmenu • Meeteenheid instellen • Tijd instellen • Weergavemodus SPEED/LAP (rondetijd) • Rondetijd opvragen • Weergavemodus SPEED/TR1 (tripmaster 1) • Weergavemodus SPEED/TR2 (tripmaster 2) • TR2 (tripmaster 2) instellen • Weergavemodus SPEED/A1 (gemiddelde snelheid 1) • Weergavemodus SPEED/A2 (gemiddelde snelheid 2) • Weergavemodus SPEED/S1 (chronometer 1) • Weergavemodus SPEED/S2 (chronometer 2) •
Menu activeerbaar
38
Page 41

INBEDRIJFSTELLING 8

8.1 Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling

Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zich-
zelf en voor anderen.
– Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent. – Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
– Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
– Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
– Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een niet-aangepaste rijwijze beïnvloedt het rijgedrag.
– Pas de rijsnelheid aan de toestand van de rijweg en uw rijvaardigheden aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het voertuig is niet geschikt voor het meenemen van een bijrijder.
– Neem geen bijrijder mee.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
– De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
– Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor diefstal Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
– Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt. – Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Info
Denk er bij het gebruik van de motorfiets aan dat andere mensen last kunnen hebben van teveel lawaai.
– Zorg ervoor dat de werkzaamheden van de controle voor de verkoop worden uitgevoerd door een geautoriseerde
KTM-garage.
U ontvangt het leveringsdocument bij de overdracht van het voertuig.
– Voordat u voor het eerst gaat rijden, moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen. – Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
39
Page 42
8 INBEDRIJFSTELLING
– Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. ( pag. 97) (alle EU/BR‑modellen)
– Vrije slag van de remhendel instellen. ( pag. 101)
(XCF‑W)
– Uitgangspositie van de remhendel instellen. ( pag. 102) – Uitgangspositie van het rempedaal instellen. ( pag. 110) – Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen. ( pag. 146) – Wen eerst op een hiervoor geschikt terrein aan het rijgedrag van de motorfiets voordat u een veeleisende tocht
onderneemt.
Info
Bij het rijden op het terrein is het raadzaam iemand met een tweede voertuig mee te nemen om elkaar te assisteren.
– Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden en staand te rijden, zodat u meer gevoel voor de motorfiets
krijgt.
– Maak geen terreinritten die uw vaardigheden en ervaring te boven gaan. – Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten. – Als u bagage meeneemt, moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig
en het gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
Info
Motorfietsen zijn gevoelig voor veranderingen in de gewichtsverdeling.
– Het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximaal toegestane aslasten aanhouden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal toegestaan totaalgewicht 335 kg Hoogst toegestane asbelasting voor 145 kg Maximale asbelasting achter 190 kg
– Spaakspanning controleren. ( pag. 121)
Info
De spaakspanning moet na een half uur rijden worden gecontroleerd.
– Motor inrijden. ( pag. 40)

8.2 Motor inrijden

– Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental en motorvermogen niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
Tijdens het eerste rij-uur 7.000 1/min
Maximaal motorvermogen
Tijdens de eerste 3 rij-uren ≤ 75 %
– Vol gas geven vermijden!
40
Page 43
INBEDRIJFSTELLING 8

8.3 Startvermogen van lithium-ion-accu's bij lage temperaturen (XCF‑W, alle EU-modellen)

Lithium-ion-accu's zijn veel lichter dan lood-zuur-accu's, hebben een lage zelfontlading en bij temperaturen boven 15 °C (60 °F) meer startvermogen. Het startvermogen van lithium-ion-accu's neemt bij lage temperaturen meer af dan dat van dan loodaccu's. Er kunnen verschillende startpogingen nodig zijn. Hiervoor 5 seconden de startknop indrukken en tussendoor 30 seconden wachten. De onderbrekingen zijn noodzakelijk opdat de ontstane warmte zich kan verdelen over de lithium-ion-accu en de 12V-accu
402555-01

8.4 Voertuig voorbereiden op zwaardere gebruiksomstandigheden

Info
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt zoals op zand of op een nat of mod­derig traject/terrein, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten dui­delijk sneller verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te controleren of te vervangen.
niet beschadigd raakt. Wanneer de opgeladen lithium-ion-accu bij temperaturen onder de 15 °C (60 °F) de starter niet of nauwelijks doortrekt, is hij niet defect, maar moet hij inwendig worden opgewarmd om het start­vermogen (stroomafgifte) te verhogen. Het startvermogen neemt toe met de opwarming.
– Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen. ( pag. 83)
Info
Luchtfilter om de ca. 30 minuten controleren.
– Luchtfilterbak afdichten. – Stekkers controleren op vocht en roest. Controleren of ze goed vastzitten.
» Als ze vochtig, verroest of beschadigd zijn:
– Stekker reinigen en drogen, indien nodig vervangen.
Zwaardere gebruiksomstandigheden zijn:
– Rijden op droog zand. ( pag. 41) – Rijden op nat zand. ( pag. 42) – Rijden op nat en modderig circuit. ( pag. 43) – Rijden bij hoge temperaturen of langzaam rijden. ( pag. 43) – Rijden bij lage temperaturen of sneeuw. ( pag. 43)

8.5 Voertuig voor rijden op droog zand voorbereiden

– Luchtfilter-stofbescherming monteren.
Luchtfilter-stofbescherming (79006920000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht nemen.
102136-01
41
Page 44
8 INBEDRIJFSTELLING
102138-01
600868-01
– Luchtfilter-zandbescherming monteren.
Luchtfilter-zandbescherming (79006922000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht nemen.
– Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 172)
– Staalkettingwiel monteren. – Ketting smeren.
Universele oliespray ( pag. 173)
– Radiateurlamellen reinigen. – Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.

8.6 Voertuig voor rijden op nat zand voorbereiden

– Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht nemen.
102137-01
– Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 172)
– Staalkettingwiel monteren. – Ketting smeren.
Universele oliespray ( pag. 173)
– Radiateurlamellen reinigen.
600868-01
– Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
42
Page 45

8.7 Voertuig voor rijden op nat en modderig circuit voorbereiden

– Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht nemen.
102137-01
– Staalkettingwiel monteren. – Motorfiets reinigen. ( pag. 152) – Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
INBEDRIJFSTELLING 8
600868-01

8.8 Voertuig voor hoge temperaturen of langzaam rijden voorbereiden

– Secundaire overbrenging aanpassen aan het circuit.
Info
De motorolie wordt snel heet als de koppeling wegens een te lange secundaire overbrenging vaak moet worden bediend.
– Ketting reinigen.
600868-01
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 172)
– Radiateurlamellen reinigen. – Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen. – Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 138)

8.9 Voertuig voor lage temperaturen of sneeuw voorbereiden

– Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
102137-01
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht nemen.
43
Page 46

9 RIJ-INSTRUCTIES

9.1 Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling

Info
Telkens voordat u gaat rijden controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan wor­den gereden. Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
– Motoroliepeil controleren. ( pag. 148) – Elektrische installatie controleren. – Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren.
( pag. 103)
– Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren.
( pag. 111)
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 105) – Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 112) – Controleren of het remsysteem goed werkt. – Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 138) – Vervuiling van de ketting controleren. ( pag. 90) – Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding
controleren. ( pag. 93)
– Kettingspanning controleren. ( pag. 91) – Bandentoestand controleren. ( pag. 120) – Bandenspanning controleren. ( pag. 120) – Spaakspanning controleren. ( pag. 121)
Info
De spaakspanning moet regelmatig worden gecontro­leerd, omdat bij verkeerde spaakspanning de rijveilig­heid ernstig nadelig wordt beïnvloed.
– Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen. ( pag. 66) – Vorkpoten ontluchten. ( pag. 65) – Luchtfilter controleren. – Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en
soepel bewegen.
– Alle schroeven, moeren en slangklemmen regelmatig op goed
vastzitten controleren.
– Brandstofvoorraad controleren.

9.2 Voertuig starten

Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
– Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie. – Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
44
Page 47
RIJ-INSTRUCTIES 9
Aanwijzing
Motorschade Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
– Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
–
Motorfiets van de zijstandaard1nemen en zijstandaard met de rubberband2borgen.
– Versnelling in stationair schakelen. – Noodstopschakelaar in stand schakelen.
Voorwaarde
Omgevingstemperatuur: < 20 °C – Koude-startknop tot de aanslag indrukken.
401944-10
(XCF‑W, alle EU-modellen)
– Startknop indrukken.
Info
Startknop maximaal 5 seconden indrukken. Tot de volgende startpoging 30 seconden wachten. Bij temperaturen onder 15 °C (60 °F) kunnen er verschillende startpogingen nodig zijn om de lithium-ion-accu op te warmen, waardoor het
400733-01
startvermogen wordt verhoogd. Tijdens het starten brandt het controlelampje sto­ring.
(alle BR-modellen)
– Startknop indrukken.
Info
Startknop maximaal 5 seconden indrukken. Tot de volgende startpoging 30 seconden wachten. Tijdens het starten brandt het controlelampje sto­ring.

9.3 Tractiecontrole activeren (alle Six Days‑modellen, XCF‑W)

Waarschuwing
Vervallen van de toelating voor de openbare weg en de verzekering Als de combinatieschakelaar is gemon-
teerd, vervalt de eventuele toelating van het voertuig voor de openbare weg. – Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en niet op de openbare weg, als de combinatiescha-
kelaar is gemonteerd.
Info
De tractiecontrole reduceert overmatige slip van het achterwiel voor meer controle en tractie, vooral bij natte omstandigheden. Als de tractiecontrole uitgeschakeld is, kan het achterwiel bij sterke acceleratie of op oppervlakken met een lage hechting doordraaien. De tractiecontrole kan ook tijdens het rijden worden in- en uitgeschakeld. De laatst geselecteerde instelling is na opnieuw starten weer actief.
45
Page 48
9 RIJ-INSTRUCTIES

9.4 Beginnen met rijden

Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard worden opgeklapt en met de rubberband zijn vastgezet.
– Aan de koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam op laten komen en
gelijktijdig voorzichtig gas geven.
– Toets TC indrukken om de tractiecontrole in of uit te schake-
len. Voorgeschreven waarde
Motortoerental ≤ 4.000 1/min
De TC led brandt, als de tractiecontrole geactiveerd is.
H02885-01

9.5 Schakelen, rijden

Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbe-
last de motor. – Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Info
Als tijdens het rijden ongewone geluiden optreden, meteen stoppen, motor uitzetten en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage. De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.
– Als de verhoudingen het toestaan (helling, rijsituatie) kunt u naar een hogere versnelling schakelen. Daarvoor
gas loslaten, tegelijkertijd koppelingshendel trekken, naar de volgende versnelling schakelen, koppelingshen-
del vrijgeven en gas geven. – Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, deze tot ¾ gas
terugdraaien. Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie aan. De snelheid verlaagt nauwelijks,
maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt. – Geef slechts zoveel gas als de motor op dat moment aan kan - het abrupt opentrekken van de gashendel ver-
hoogt het verbruik.
– Voordat u terugschakelt, remmen en tegelijkertijd gas terugnemen. – Aan de koppelingshendel trekken en naar een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijge-
ven en gas geven resp. nog een keer schakelen. – Zet de motor uit als het voertuig langere tijd met stationair toerental draait of stilstaat.
Voorgeschreven waarde
≥ 2 min
– Regelmatig of langdurig slippen van de koppeling vermijden. Daardoor verhit de motorolie, de motor en het
koelsysteem. – Rijd met een lager toerental in plaats van met een hoger toerental en een slepende koppeling.
46
Page 49
RIJ-INSTRUCTIES 9

9.6 Afremmen

Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk afremmen blokkeren de wielen.
– Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
– Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
– Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
– Op een zandige, natte of gladde ondergrond moet overwegend de achterwielrem worden gebruikt. – Het remmen moet altijd voor begin van de bocht zijn afgerond. Schakel daarbij ook naar een lagere versnel-
ling afhankelijk van de snelheid.
– Gebruik bij langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor. Schakel daarvoor een of twee versnellingen
terug, maar overbelast de motor niet. Zo hoeft u veel minder te remmen en raakt het remsysteem niet overver­hit.

9.7 Stoppen, parkeren

Waarschuwing
Gevaar voor diefstal Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
– Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt. – Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet. – Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
– Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
– Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen. – Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan. De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
– Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond. – Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
– Motorfiets afremmen. – Versnelling in stationair schakelen. – Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indrukken, totdat de motor stilstaat.
47
Page 50
9 RIJ-INSTRUCTIES
– Motorfiets op vaste ondergrond parkeren.

9.8 Transporteren

Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
– Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
– Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen. – Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
– Motor uitzetten. – Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigings-
middelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
401475-01

9.9 Brandstof tanken

Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
– Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten. – Zet de motor uit, als u brandstof tankt. – Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig. – Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg. – Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
– Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding. – Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt. – Adem geen brandstofdampen in. – Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen. – Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
– Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Materiaalschade Door een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt tot problemen in het brandstofsysteem.
48
Page 51
RIJ-INSTRUCTIES 9
– Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
– Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
– Motor uitzetten. – Tankdop openen. ( pag. 21)
–
Brandstoftank maximaal tot maatAmet brandstof vullen. Voorgeschreven waarde
35 mm
9,25 l Brandstof super
loodvrij (ROZ 95) ( pag. 170) (alle EU-modellen)
Super loodvrij type C (ROZ 95/RON 95/PON
91) ( pag. 171) (alle BR-modellen)
401226-10
Maat
A
(alle EU/BR‑modellen)
Brandstoftankin­houd totaal ca.
Brandstoftankin­houd totaal ca.
(XCF‑W)
Brandstoftankin­houd totaal ca.
– Tankdop sluiten. ( pag. 22)
8,5 l Brandstof super
loodvrij (ROZ 95) ( pag. 170)
49
Page 52

10 SERVICESCHEMA

10.1 Extra informatie

Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen werkzaamheden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht. Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden. In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten ver­anderen. Het meest recente serviceschema vindt u altijd op KTM Dealer.net. Uw geautoriseerde KTM-dealer advi­seert u graag.

10.2 Verplichte werkzaamheden

Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen. ○ ● ● ● ● Werking van de elektrische installatie controleren. ○ ● ● ● ● 12V-accu controleren en opladen. ● ● ● ● Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 105) ● ● ● ● Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 112) ● ● ● ● Remschijven controleren. ( pag. 102) ● ● ● ● Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid. ● ● ● ● Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. ( pag. 111) ● ● ● ● Vrije slag van het rempedaal controleren. ( pag. 109) ● ● ● ● Frame controleren. ( pag. 95) ● ● ● ● Achterbrug controleren. ( pag. 95) ● ● ● ● Achterbruglager op speling controleren. ● Zwenklager op speling controleren. ● ● ● Bandentoestand controleren. ( pag. 120) ○ ● ● ● ● Bandenspanning controleren. ( pag. 120) ○ ● ● ● ● Wiellager op speling controleren. ● ● ● ● Wielnaven controleren. ● ● ● ● Velgslag controleren. ○ ● ● ● Spaakspanning controleren. ( pag. 121) ○ ● ● ● ● Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren. ( pag. 93) ● ● ● ● Kettingspanning controleren. ( pag. 91) ○ ● ● ● ● Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controle-
ren of ze gemakkelijk bewegen. Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. ( pag. 97) ● ● ● ● Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. ( pag. 103) ● ● ● ● Vrije slag van de remhendel controleren. ( pag. 101) ● ● ● ● Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 75) ○ ● ● ● Klepspeling controleren. ○ ● Koppeling controleren. ● ● Dekselpakking en keerringen van de waterpomp vervangen. ● Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeef reinigen. ( pag. 148) ○ ● ● ● ●
om de 10 bedrijfsuren bij gebruik voor sportdoeleinden
om de 45 bedrijfsuren
om de 30 bedrijfsuren
om de 15 bedrijfsuren
na 1 bedrijfsuur
● ● ● ●
50
Page 53
SERVICESCHEMA 10
om de 10 bedrijfsuren bij gebruik voor sportdoeleinden
om de 45 bedrijfsuren
om de 30 bedrijfsuren
om de 15 bedrijfsuren
na 1 bedrijfsuur
Alle slangen (bijv. brandstof, radiateur, ontluchting, aftapslangen, ...) en manchet­ten controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
Antivries en koelmiddelpeil controleren. ( pag. 137) ○ ● ● ● ● Kabels controleren op beschadiging en leggen zonder knikken. ● ● ● ● Bowdenkabels controleren op beschadiging, knikken en instelling. ○ ● ● ● ● Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen. ( pag. 83) ● ● ● ● Glasvezelvulling van einddemper vervangen. ( pag. 86) ● ● Voorvorkservice uitvoeren. ● Schokdemperservice uitvoeren. ● Controleren of makkelijk toegankelijke, veiligheidsrelevante schroeven en moeren goed
vastzitten. Koplampinstelling controleren. ( pag. 133) ○ ● ● ● ● Brandstofzeef vervangen. ( pag. 147) ○ ● ● ● ● Brandstofdruk controleren. ● ● ● ● Stationair toerental controleren. ○ ● ● ● ● Controleren of de radiateurventilator werkt. (alle Six Days‑modellen, XCF‑W) ○ ● ● ● Inlaatmembraan controleren. (XCF‑W) ● Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken. ○ ● ● ● ● Na proefrit foutgeheugen uitlezen met KTM-diagnosetool. ○ ● ● ● ● Service in het KTM Dealer.net noteren. ○ ● ● ● ●
○ ● ● ● ●
○ ● ● ● ●
○ Eenmalig interval
● Periodiek interval

10.3 Aanbevolen werkzaamheden

om de 135 bedrijfsuren
om de 70 bedrijfsuren bij gebruik voor sportdoeleinden
na 20 bedrijfsuren
na 10 bedrijfsuren
om de 12 maanden
Remvloeistof van de voorwielrem verversen. ● Remvloeistof van de achterwielrem verversen. ● Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen. ( pag. 98) ● Balhoofdlager smeren. ( pag. 77) ● Spark-arrestor reinigen. (XCF‑W) ( pag. 84) ● Voorvorkservice uitvoeren. ○ Schokdemperservice uitvoeren. ○ Brandstoffilter vervangen. ●
51
Page 54
10 SERVICESCHEMA
Motoronderhoud uitvoeren, inclusief demontage en montage van de motor. (Bougie en bougiedop vervangen. Zuigers vervangen. Cilinder controleren/opmeten. Cilinderkop con­troleren. Kleppen, klepveren en klepveersteunen vervangen. Nokkenas en nokvolger con­troleren. Drijfstang, drijfstanglager en kruktap vervangen. Keerringen van de waterpomp vervangen. Transmissie en versnelling controleren. Oliedrukregelklep controleren. Zuig­pomp vervangen. Drukpomp en smeersysteem controleren. Distributie controleren. Distri­butieketting vervangen. Alle motorlagers vervangen. Vrijloop vervangen.)
○ Eenmalig interval
● Periodiek interval
om de 135 bedrijfsuren
om de 70 bedrijfsuren bij gebruik voor sportdoeleinden
na 20 bedrijfsuren
na 10 bedrijfsuren
om de 12 maanden
● ●
52
Page 55

11.1 Basisinstelling chassis voor bestuurdersgewicht controleren

Info
Voor de basisinstelling van het chassis eerst de schokdemper en daarna de voorvork instellen.
– Om optimale rijeigenschappen van de motorfiets te bereiken
en om beschadiging aan voorvork, schokdemper, achterbrug en frame te voorkomen moeten de basisinstelling en veringscom­ponenten bij het gewicht van de bestuurder passen.
– KTM offroad-motorfietsen zijn in de leveringstoestand inge-
steld op een bestuurder met standaard gewicht (met bescher­mende kleding).
Voorgeschreven waarde
Standaard rijgewicht 75 … 85 kg
– Als het gewicht van de bestuurder buiten dit bereik ligt moet
de basisinstelling van de veringscomponenten worden aange­past.
– Kleine afwijkingen van het gewicht kunnen door het wijzigen
van de veervoorspanning worden gecompenseerd, bij grotere afwijkingen moet een aangepaste vering worden gemonteerd.

CHASSIS AFSTELLEN 11

401030-01

11.2 Ingaande demping schokdemper

De ingaande demping van de schokdemper is verdeeld in twee bereiken: highspeed en lowspeed. High- en lowspeed hebben betrekking op de snelheid waarmee het achterwiel inveert en niet op de rijsnelheid. De highspeed instelling voor ingaande demping is bijvoorbeeld van invloed op de landing na een sprong. Het ach­terwiel veert daarbij snel in. De lowspeed instelling voor ingaande demping is bijvoorbeeld van invloed bij het rijden over lange hobbels op de ondergrond. Het achterwiel veert daarbij langzaam in. Beide bereiken kunnen apart worden ingesteld, de overgang tussen high- en lowspeed is echter vloeiend. Daarom zijn wijzigingen in het highspeedbereik van de ingaande demping ook van invloed op het lowspeedbereik en omgekeerd.

11.3 Ingaande demping lowspeed van de schokdemper instellen

Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen. De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
– Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
De lowspeed instelling voor ingaande demping toont zijn effect wanneer de schokdemper langzaam tot normaal inveert.
53
Page 56
11 CHASSIS AFSTELLEN
V01809-10
–
Stelschroef1met een schroevendraaier met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
Info
Schroef2niet losdraaien!
– Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien. Voorgeschreven waarde
Ingaande demping lowspeed
Comfort 18 klikken Standaard 15 klikken Sport 12 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.

11.4 Ingaande demping highspeed van de schokdemper instellen

Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen. De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
– Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
De highspeed instelling voor ingaande demping toont zijn effect wanneer de schokdemper snel inveert.
–
Stelschroef1met een steeksleutel tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
Schroef2niet losdraaien!
– Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen
de klok in draaien.
V01810-10
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping highspeed
Comfort 2,5 omw Standaard 2 omw Sport 1 omw
54
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
Page 57
CHASSIS AFSTELLEN 11

11.5 Uitgaande demping van de schokdemper instellen

Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen. De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
– Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Stelschroef1met de klok mee draaien tot de laatste voel­bare klik.
– Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien. Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort 18 klikken
S01314-10
Standaard 15 klikken Sport 12 klikken

11.6 Maat achterwiel zonder belasting bepalen

Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
– Veerwegmal in de achterwielas positioneren en de afstand tot
de markering SAG op het achterspatbord meten.
Veerwegmal (00029090100) Veerwegmal-pen (00029990010)
–
Waarde als maatAnoteren.
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
402415-10
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
55
Page 58
11 CHASSIS AFSTELLEN

11.7 Statische veerweg schokdemper controleren

–
MaatAachterwiel zonder belasting bepalen. ( pag. 55)
– De motorfiets met behulp van iemand die assisteert rechtop
houden.
– Opnieuw met de veerwegmal de afstand tussen de achterwielas
en de markering SAG op het achterspatbord meten.
–
Waarde als maatBnoteren.
Info
De statische veerweg is het verschil tussen maat enB.
– Statische veerweg controleren.
Statische veerweg 37 mm
» Als de statische veerweg kleiner of groter is dan de aange-
geven maat: – Veervoorspanning van de schokdemper instellen.
( pag. 57)
A
402416-10

11.8 Dynamische veerweg schokdemper controleren

–
MaatAachterwiel zonder belasting bepalen. ( pag. 55)
– Met behulp van een persoon, die de motorfiets vasthoudt, gaat
de bestuurder met volledige beschermende kleding in een nor­male zitpositie (voeten op de voetsteunen) op de motorfiets zitten en beweegt enkele keren op en neer.
De achterwielophanging slingert zo in de juiste positie.
– Een tweede persoon meet nu opnieuw met de veerwegmal de
afstand tussen de achterwielas en de markering SAG op het achterspatbord.
–
Waarde als maatCnoteren.
Info
De dynamische veerweg is het verschil tussen maat enC.
– Dynamische veerweg controleren.
Dynamische veerweg 110 mm
402417-10
» Als de dynamische veerweg afwijkt van de aangegeven
maat: – Dynamische veerweg instellen. ( pag. 58)
A
56
Page 59
CHASSIS AFSTELLEN 11

11.9 Veervoorspanning schokdemper instellen

Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen. De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
– Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
Voordat u de veervoorspanning verandert, moet u de huidige instelling noteren - bijv. de veerlengte opme­ten.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
–
Schokdemper demonteren. ( pag. 79)
– Schokdemper in gedemonteerde toestand grondig reinigen.
Hoofdwerk
–
Schroef1losdraaien.
–
Stelring2draaien tot de veer volledig ontspannen is.
402659-10
Haaksleutel (90129051000)
Info
Als de veer niet geheel kan worden ontspannen, moet de veer worden gedemonteerd voor een nauwkeurige meting van de veerlengte.
– Totale veerlengte in ontspannen toestand meten.
–
Veer door het draaien van de stelring2op de aangegeven maatAspannen.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning 8 mm
Info
Afhankelijk van de statische of dynamische veerweg kan een hogere of lagere veervoorspanning nodig zijn.
–
Schroef1vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef stelring schokdemper
Nawerk
– Schokdemper monteren. ( pag. 79) – Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
M5 5 Nm
57
Page 60
11 CHASSIS AFSTELLEN

11.10 Dynamische veerweg instellen

B00292-10
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65) – Schokdemper demonteren. ( pag. 79) – Schokdemper in gedemonteerde toestand grondig reinigen.
Hoofdwerk
– Een passende veer kiezen en monteren.
Voorgeschreven waarde
Veerconstante
Gewicht bestuurder: 65 … 75 kg
Gewicht bestuurder: 75 … 85 kg
Gewicht bestuurder: 85 … 95 kg
60 … 66 N/mm
63 … 69 N/mm
66 … 72 N/mm
Info
De veerconstante staat vermeld op de buitenkant van de veer. Kleine afwijkingen in gewicht kunnen worden gecom­penseerd door het wijzigen van de veervoorspanning.
Nawerk
– Schokdemper monteren. ( pag. 79) – Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65) – Statische veerweg van de schokdemper controleren.
( pag. 56)
– Dynamische veerweg van de schokdemper controleren.
( pag. 56)
– Uitgaande demping van de schokdemper instellen.
( pag. 55)

11.11 Basisinstelling voorvork controleren

Info
Bij de voorvork kan om verschillende redenen geen exacte dynamische veerweg worden vastgelegd.
– Kleinere afwijkingen van het bestuurdersgewicht kunnen net
als bij de schokdemper door de veervoorspanning worden gecompenseerd.
– Als de voorvork echter vaker doorslaat (harde eindaanslag bij
het inveren) moeten beslist hardere vorkveren worden gemon­teerd om beschadiging aan voorvork en frame te voorkomen.
– Als de voorvork na langdurig gebruik hard aanvoelt, moeten de
vorkpoten worden ontlucht.
58
401000-01
Page 61

11.12 Ingaande demping voorvork instellen

Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
–
Wit stelelement1tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
Het stelelement1bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de linker vorkpoot. De ingaande demping bevindt zich in de linker
S03470-10
– Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen
vorkpoot COMP (wit stelelement). De uitgaande demping bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rood stelelement).
de klok in draaien. Voorgeschreven waarde
Ingaande demping
Comfort 18 klikken Standaard 15 klikken Sport 12 klikken
CHASSIS AFSTELLEN 11
S03471-10
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
(alle Six Days‑modellen)
–
Wit stelelement1tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
Het stelelement1bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de linker vorkpoot. De ingaande demping bevindt zich in de linker vorkpoot COM (wit stelelement). De uitgaande dem­ping bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rood stelelement).
– Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen
de klok in draaien. Voorgeschreven waarde
Ingaande demping
Comfort 18 klikken Standaard 15 klikken Sport 12 klikken
59
Page 62
11 CHASSIS AFSTELLEN

11.13 Uitgaande demping voorvork instellen

Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
V01754-10
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
–
Rood stelelement1tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
Het stelelement1bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de rechter vorkpoot. De uitgaande demping bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rood stelelement). De ingaande dem­ping bevindt zich in de linker vorkpoot COMP (wit stelelement).
V01753-10
– Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen
de klok in draaien. Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort 18 klikken Standaard 15 klikken Sport 12 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
(alle Six Days‑modellen)
–
Rood stelelement1tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
Het stelelement1bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de rechter vorkpoot. De uitgaande demping bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rood stelelement). De ingaande dem­ping bevindt zich in de linker vorkpoot COM (wit stelelement).
60
– Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen
de klok in draaien.
Page 63
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort 18 klikken Standaard 15 klikken Sport 12 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.

11.14 Veervoorspanning voorvork instellen (alle Six Days‑modellen)

Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
–
De T-handvatten1tot de aanslag tegen de klok in draaien.
De markering +0 staat op een lijn met de rechter vleugel.
CHASSIS AFSTELLEN 11
V01755-10
Info
De instelling alleen handmatig uitvoeren. Geen gereed­schap gebruiken. De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
– De T-handvatten met de klok mee draaien.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort +0 Standaard +0 Sport +3
De T-handvatten vergrendelen op de getalswaarden voel­baar.
Info
De veervoorspanning alleen op de getalswaarden instel­len, omdat de voorspanning tussen de getalswaarden niet vergrendelt. Draaien met de klok mee verhoogt de veervoorspanning, draaien tegen de klok in verlaagt de veervoorspanning. Het instellen van de veervoorspanning heeft geen invloed op de instelling van de uitgaande demping. Toch moet bij een verhoging van de veervoorspanning altijd ook de uitgaande demping worden verhoogd.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
61
Page 64
11 CHASSIS AFSTELLEN

11.15 Stuurstand

(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
Op de bovenste kroonplaat bevinden zich 2 boringen op een afstandAvan elkaar.
M00993-10
Afstand borin­gen
A
De boringen op de stuuradapters zijn op een afstandBvan het midden geplaatst.
Afstand borin­gen
B
De stuuradapters kunnen in 4 verschillende standen worden gemonteerd.
(alle Six Days‑modellen)
Op de bovenste kroonplaat bevinden zich 2 boringen op een afstandAvan elkaar.
Afstand borin­gen
A
De boringen op de stuuradapters zijn op een afstandBvan het midden geplaatst.
15 mm
3,5 mm
15 mm
M00987-10
Afstand borin­gen
B
De stuuradapters kunnen in 4 verschillende standen worden gemonteerd.
3,5 mm

11.16 Stuurstand instellen

Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een gerepareerd stuur vormt een veiligheidsrisico.
Als het stuur werd verbogen of uitgelijnd, treedt materiaalmoeheid op. Hierdoor kan het stuur breken.
– Vervang het stuur, als het stuur is verbogen of beschadigd.
62
Page 65
M00993-11
CHASSIS AFSTELLEN 11
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
–
Schroeven1verwijderen. Stuurklemmen verwijderen. Stuur verwijderen en opzij leggen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging beschermen. Kabels en leidingen niet knikken.
–
Schroeven2verwijderen. Stuuradapters verwijderen.
– Stuuradapters in de gewenste positie zetten.
Schroeven2monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef stuur­adapter
Info
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positione­ren.
– Stuur positioneren.
M10 40 Nm
Loctite®243™
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen correct wor­den gelegd.
–
Stuurklemmen positioneren. Schroeven1monteren en gelijkmatig vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurklem­men
M8 20 Nm
Info
Op gelijkmatige spleetmaten letten.
63
Page 66
11 CHASSIS AFSTELLEN
M00987-11
(alle Six Days‑modellen)
–
Schroeven1verwijderen. Stuurklemmen verwijderen. Stuur verwijderen en opzij leggen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging beschermen. Kabels en leidingen niet knikken.
–
Schroeven2verwijderen. Stuuradapters verwijderen.
– Stuuradapters in de gewenste positie zetten.
Schroeven2monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef stuur­adapter
M10 40 Nm
Info
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positione­ren.
– Stuur positioneren.
Loctite®243™
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen correct wor­den gelegd.
–
Stuurklemmen positioneren. Schroeven1monteren en gelijkmatig vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurklem­men
M8 20 Nm
Info
Op gelijkmatige spleetmaten letten.
64
Page 67

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12

12.1 Motorfiets met hefbok opkrikken

Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
– Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
– Motorfiets bij frame onder de motor opkrikken.
Hefbok (78129955100)
Beide wielen hebben geen contact met de bodem.
– Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
401942-01

12.2 Motorfiets van hefbok nemen

Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
– Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.

12.3 Vorkpoten ontluchten

401943-10
402556-10
– Motorfiets van hefbok nemen. – Hefbok verwijderen.
–
Voor het parkeren van de motorfiets de zijstandaard1met de voet tot de bodem uitklappen en belasten met de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard worden opge­klapt en met de rubberband zijn vastgezet.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
–
Ontluchtingsschroeven1losdraaien.
Als de druk te hoog is, dan verdwijnt de overtollige druk uit de binnenruimte van de voorvork.
– Ontluchtingsschroeven vastdraaien.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
65
Page 68
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

12.4 Vuilschrapers vorkpoten reinigen

Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65) – Voorvorkprotector demonteren. ( pag. 66)
Hoofdwerk
–
Vuilschrapers1aan beide vorkpoten omlaag schuiven.
K00070-10
Info
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de bin­nenpoot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te vuilschrapers terechtkomen. Als deze vervuiling niet wordt verwijderd, kunnen de daarachter liggende olie­keerringen gaan lekken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
– Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij. – Reinig de remschijven indien nodig met remreini-
gingsmiddel.

12.5 Voorvorkprotector demonteren

V00332-10
– Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen
en smeren met olie.
Universele oliespray ( pag. 173)
– Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie. – Overtollige olie verwijderen.
Nawerk
– Voorvorkprotector monteren. ( pag. 67) – Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
–
Schroeven1verwijderen en klem verwijderen.
–
Schroeven2aan linker vorkpoot verwijderen en linker voor­vorkprotector eraf halen.
–
Schroeven3aan rechter vorkpoot verwijderen en rechter voorvorkprotector eraf halen.
66
Page 69

12.6 Voorvorkprotector monteren

V00332-11

12.7 Vorkpoten demonteren

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
– Voorvorkprotector op linker vorkpoot positioneren. Schroe-
ven1monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe­ven chassis
–
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
– Voorvorkprotector op rechter vorkpoot positioneren. Schroe-
ven3monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe­ven chassis
Voorwerk
– Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indruk-
ken, totdat de motor stilstaat.
– Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 131) – Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65) – Voorwiel demonteren. ( pag. 116)
Hoofdwerk
–
Schroeven1verwijderen en klem verwijderen.
– Kabelbinders verwijderen.
–
Schroeven2verwijderen en remzadels verwijderen.
– Remzadel met remkabel spanningsvrij opzij hangen.
M6 10 Nm
2
M6 10 Nm
K00545-10
V01756-10
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
–
Schroeven3losdraaien. Vorkpoot links verwijderen.
–
Schroeven4losdraaien. Vorkpoot rechts verwijderen.
67
Page 70
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
(alle Six Days‑modellen)
–
–
V01784-10

12.8 Vorkpoten monteren

Hoofdwerk (EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
– Vorkpoten positioneren.
402556-10
Schroeven3losdraaien. Vorkpoot links verwijderen. Schroeven4losdraaien. Vorkpoot rechts verwijderen.
De ontluchtingsschroeven1zijn naar voren gepositi­oneerd.
Info
Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groe­ven in de zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde groef (van boven) moet door de bovenkant van de bovenste kroonplaat worden afgesloten.
V01756-11
402556-10
–
Schroeven2vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
–
Schroeven3vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
(alle Six Days‑modellen)
– Vorkpoten positioneren.
De ontluchtingsschroeven1zijn naar voren gepositi­oneerd.
Info
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rode stelschroef). De ingaande dem­ping bevindt zich in de linker vorkpoot COM (witte stelschroef). Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groe­ven in de zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde groef (van boven) moet door de bovenkant van de bovenste kroonplaat worden afgesloten.
M8 20 Nm
M8 15 Nm
68
Page 71
V01784-11
K00546-10
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
–
Schroeven2vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
–
Schroeven3vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef onderste kroonplaat
–
Remzadel positioneren, schroeven4monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remza­del voor
– Kabelbinders monteren.
–
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
M8 17 Nm
M8 15 Nm
M8 25 Nm
Loctite®243™
5
Nawerk
– Voorwiel monteren. ( pag. 117) – Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 131) – Koplampinstelling controleren. ( pag. 133)

12.9 Onderste kroonplaat demonteren (EXC‑F EU/BR, XCF‑W)

Voorwerk
– Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indruk-
ken, totdat de motor stilstaat.
– Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 131) – Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65) – Voorwiel demonteren. ( pag. 116) – Vorkpoten demonteren. ( pag. 67) – Spatbord voor demonteren. ( pag. 77) – Stuurbescherming verwijderen.
Hoofdwerk
– Kabelhouder voor de linker radiateur openen en kabelboom
losmaken.
–
Schroef1losdraaien.
–
Schroef2verwijderen.
– Bovenste kroonplaat met stuur verwijderen en opzij hangen.
V01785-10
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging beschermen. Kabels en leidingen niet knikken.
69
Page 72
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Keerring3en beschermring4verwijderen.
– Onderste kroonplaat met vorkbuis verwijderen. – Bovenste balhoofdlager verwijderen.
V01757-10

12.10 Onderste kroonplaat demonteren (alle Six Days‑modellen)

Voorwerk
– Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indruk-
ken, totdat de motor stilstaat.
– Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 131) – Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65) – Voorwiel demonteren. ( pag. 116) – Vorkpoten demonteren. ( pag. 67) – Spatbord voor demonteren. ( pag. 77) – Stuurbescherming verwijderen.
Hoofdwerk
– Kabelhouder voor de linker radiateur openen en kabelboom
losmaken.
–
Schroef1verwijderen.
–
Schroef2verwijderen.
– Bovenste kroonplaat met stuur verwijderen en opzij hangen.
V01787-10
V01788-10
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging beschermen. Kabels en leidingen niet knikken.
–
Keerring3en beschermring4verwijderen.
– Onderste kroonplaat met vorkbuis verwijderen. – Bovenste balhoofdlager verwijderen.
70
Page 73
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12

12.11 Onderste kroonplaat monteren (EXC‑F EU/BR, XCF‑W)

Hoofdwerk
– Lagers en afdichtelementen reinigen, op beschadiging contro-
leren en invetten.
Smeervet met hoge viscositeit ( pag. 172)
– Onderste kroonplaat met vorkbuis plaatsen. Bovenste balhoofd-
lager monteren.
–
Controleren of de balhoofdafdichting boven1correct is gepositioneerd.
–
Beschermingsring2en O-ring3erop schuiven.
B01605-10
V01785-11
V01791-10
– Bovenste kroonplaat met stuur positioneren.
–
Schroef4monteren, maar nog niet vastdraaien.
– Kabelboom en koppelingskabel vastzetten met kabelhouder.
– Vorkpoten positioneren.
De ontluchtingsschroeven5zijn naar voren gepositio­neerd.
Info
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter vork­poot REB (rood stelelement). De ingaande demping bevindt zich in de linker vork­poot COMP (wit stelelement). Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groeven in de zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde groef (van boven) moet door de bovenkant van de bovenste kroon­plaat worden afgesloten.
71
Page 74
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroeven6vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
V01790-10
–
Schroef4vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd boven
–
Schroef7vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis
V01789-10
boven
M8 15 Nm
M20x1,5 12 Nm
M8 20 Nm
V01790-11
V01792-10
–
Schroeven8vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
–
Remzadel positioneren, schroeven9monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remza­del voor
– Kabelbinders monteren.
–
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Nawerk
– Stuurbescherming monteren. – Spatbord voor monteren. ( pag. 78) – Voorwiel monteren. ( pag. 117) – Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 131) – Controleren of kabelboom, bowdenkabels, rem- en koppelings-
leiding vrij kunnen bewegen en of ze goed zijn gelegd.
– Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 75) – Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65) – Koplampinstelling controleren. ( pag. 133)
M8 20 Nm
M8 25 Nm
Loctite®243™
bk
72
Page 75
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12

12.12 Onderste kroonplaat monteren (alle Six Days‑modellen)

Hoofdwerk
– Lagers en afdichtelementen reinigen, op beschadiging contro-
leren en invetten.
Smeervet met hoge viscositeit ( pag. 172)
– Onderste kroonplaat met vorkbuis positioneren. Bovenste bal-
hoofdlager monteren.
–
Controleren of de balhoofdafdichting boven1correct is gepositioneerd.
–
Beschermring2en keerring3monteren.
B01604-10
V01787-12
V01791-10
– Bovenste kroonplaat met stuur positioneren.
–
Schroef4monteren, maar nog niet vastdraaien.
– Kabelboom en koppelingskabel vastzetten met kabelhouder.
– Vorkpoten positioneren.
De ontluchtingsschroeven5zijn naar voren gepositio­neerd.
Info
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter vork­poot REB (rood stelelement). De ingaande demping bevindt zich in de linker vorkpoot COMP (wit stelele­ment). Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groeven in de zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde groef (van boven) moet door de bovenkant van de bovenste kroon­plaat worden afgesloten.
73
Page 76
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroeven6vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef onderste kroonplaat
V01793-10
–
Schroef4vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd boven
–
Schroef7monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis
V01794-10
boven
M8 15 Nm
M20x1,5 12 Nm
M8 17 Nm
Loctite®243™
V01793-11
V01792-10
–
Schroeven8vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
–
Remzadel positioneren, schroeven9monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remza­del voor
– Kabelbinders monteren.
–
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Nawerk
– Stuurbescherming monteren. – Spatbord voor monteren. ( pag. 78) – Voorwiel monteren. ( pag. 117) – Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 131) – Controleren of kabelboom, bowdenkabels, rem- en koppelings-
leiding vrij kunnen bewegen en of ze goed zijn gelegd.
– Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 75) – Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65) – Koplampinstelling controleren. ( pag. 133)
M8 17 Nm
M8 25 Nm
Loctite®243™
bk
74
Page 77
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12

12.13 Speling balhoofdlager controleren

Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerde speling van het balhoofdlager beïnvloedt het rijgedrag negatief en
beschadigt componenten. – Corrigeer verkeerde speling van het balhoofdlager onmiddellijk. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Info
Als er gedurende langere tijd wordt gereden met speling in de balhoofdlagers, beschadigen de lagers en daardoor ook de lagerzittingen in het frame.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
– Stuur in de rechtuitstand zetten. Vorkpoten in rijrichting voor-
en achteruit bewegen.
Er mag geen speling in de balhoofdlager te voelen zijn.
» Als er speling voelbaar is:
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
– Speling balhoofdlager instellen. ( pag. 75)
H01167-01
(alle Six Days‑modellen)
– Speling balhoofdlager instellen. ( pag. 76)
– Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stuur moet eenvoudig kunnen worden bewogen over het gehele stuurbereik. Er mogen geen blokkeringen te voelen zijn.
» Als er blokkeringen voelbaar zijn:
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
– Speling balhoofdlager instellen. ( pag. 75)
(alle Six Days‑modellen)
– Speling balhoofdlager instellen. ( pag. 76)
– Balhoofdlager controleren en indien nodig vervangen.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)

12.14 Speling balhoofdlager instellen (EXC‑F EU/BR, XCF‑W)

Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
75
Page 78
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
–
Schroeven1en2losdraaien.
–
Schroef3losdraaien en weer vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd boven
– Met een kunststofhamer zacht op de bovenste kroonplaat klop-
K01336-10
pen om spanning te voorkomen.
–
Schroeven1vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
–
Schroef2vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis boven
Nawerk
– Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 75) – Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
M20x1,5 12 Nm
M8 20 Nm
M8 20 Nm

12.15 Speling balhoofdlager instellen (alle Six Days‑modellen)

Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
–
Schroeven1losdraaien.
–
Schroef2verwijderen.
–
Schroef3losdraaien en weer vastdraaien. Voorgeschreven waarde
V01795-10
Schroef balhoofd boven
– Met een kunststofhamer zacht op de bovenste kroonplaat klop-
pen om spanning te voorkomen.
–
Schroeven1vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste kroonplaat
–
Schroef2monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis boven
M20x1,5 12 Nm
M8 17 Nm
M8 17 Nm
Loctite®243™
76
Nawerk
– Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 75) – Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
Page 79

12.16 Balhoofdlager smeren

H02387-01

12.17 Spatbord voor demonteren

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
(EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
– Onderste kroonplaat demonteren. ( pag. 69) – Onderste kroonplaat monteren. ( pag. 71)
(alle Six Days‑modellen)
– Onderste kroonplaat demonteren. ( pag. 70) – Onderste kroonplaat monteren. ( pag. 73)
Voorwerk
– Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indruk-
ken, totdat de motor stilstaat.
– Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 131)
Hoofdwerk (EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
–
Schroeven1verwijderen.
V00340-10
V00341-10
K00576-10
–
Schroeven2verwijderen. Spatbord voor verwijderen.
(alle Six Days‑modellen)
–
Schroeven1verwijderen.
77
Page 80
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
S01321-10

12.18 Spatbord voor monteren

Hoofdwerk (EXC‑F EU/BR, XCF‑W)
–
Schroeven2verwijderen. Spatbord voor verwijderen.
Spatbord voor positioneren. Schroeven1monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
M6 10 Nm
ven chassis
V00340-10
V00341-10
K00576-10
–
Schroeven2monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
M6 10 Nm
ven chassis
(alle Six Days‑modellen)
–
Spatbord voor positioneren. Schroeven1monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
M6 10 Nm
ven chassis
–
Schroeven2monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
M6 10 Nm
ven chassis
78
S01321-10
Nawerk
– Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 131)
Page 81

12.19 Schokdemper demonteren

V01811-10

12.20 Schokdemper monteren

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
– Koplampinstelling controleren. ( pag. 133)
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
–
Schroef1verwijderen en het achterwiel met de achterbrug zo ver neerlaten dat het achterwiel nog gedraaid kan worden. Achterwiel in deze stand vastzetten.
–
Schroef2verwijderen, spatbescherming3opzij duwen en schokdemper verwijderen.
Hoofdwerk
–
Spatbescherming1opzij duwen en schokdemper positione­ren. Schroef2monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef schok­demper boven
M12 80 Nm
Loctite®2701™

12.21 Zadel verwijderen

V01811-11
–
Schroef3monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef schok­demper onder
M12 80 Nm
Info
Het zwenklager voor de schokdemper van de achterbrug is gecoat met teflon. Het mag noch met vet noch met andere smeermiddelen worden gesmeerd. Smeermidde­len lossen de tefloncoating op waardoor de levensduur drastisch wordt verkort.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
–
Schroef1verwijderen.
Loctite®2701™
S03480-10
79
Page 82
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
– Zadel achteraan optillen, naar achteren trekken en naar boven
toe verwijderen.
H02218-10

12.22 Zadel monteren

– Zadel vooraan aan de flensbussen van de brandstoftank haken,
achteraan neerlaten en naar voren schuiven.
– Ervoor zorgen dat het zadel goed vergrendeld is.
H02218-11
–
S03480-10

12.23 Deksel luchtfilterbak demonteren

Voorwaarde
Schroef1monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe­ven chassis
Deksel luchtfilterbak vastgezet.
– Zadel verwijderen. ( pag. 79)
–
Schroef1verwijderen.
M6 10 Nm
80
V01815-10
Page 83
V01815-11
V01816-10
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
–
Deksel luchtfilterbak in bereikAnaar de zijkant toe eraf trekken en naar voren toe verwijderen.
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak niet vastgezet.
–
Deksel luchtfilterbak in bereikAnaar de zijkant toe eraf trekken en naar voren toe verwijderen.

12.24 Deksel luchtfilterbak monteren

V01815-12
V01815-10
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak vastgezet.
–
Deksel luchtfilterbak in bereikAvasthaken en in bereikBvergrendelen.
–
Schroef1monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroef deksel luchtfilterbak
®
EJOT PT
K60x20-Z
– Zadel monteren. ( pag. 80)
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak niet vastgezet.
–
Deksel luchtfilterbak in bereikAvasthaken en in bereikBvergrendelen.
3 Nm
V01816-11
81
Page 84
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

12.25 Luchtfilter demonteren

Aanwijzing
Motorschade Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
–
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
– Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Voorwerk
– Deksel luchtfilterbak demonteren. ( pag. 80)
Hoofdwerk
–
Bevestigingslip1losmaken. Luchtfilter met luchtfilterhouder verwijderen.
– Luchtfilter van luchtfilterhouder verwijderen.

12.26 Luchtfilter monteren

V01812-10
H02459-01
V01813-10
Hoofdwerk
– Schoon luchtfilter op de luchtfilterhouder monteren.
–
Luchtfilter in het bereikAinvetten.
Duurzaam vet ( pag. 172)
–
Luchtfilter plaatsen en borgpen1in busBpositioneren.
Het luchtfilter is correct gepositioneerd.
–
Onderste borgpen met bevestigingsklem2vastzetten.
Info
Wanneer het luchtfilter niet correct gemonteerd is, kun­nen stof en vuil in de motor dringen en schade veroor­zaken.
82
Nawerk
– Deksel luchtfilterbak monteren. ( pag. 81)
Page 85
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12

12.27 Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen

Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
– Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Luchtfilter niet reinigen met brandstof of petroleum aangezien deze middelen de schuimstof aanvreten.
Voorwerk
– Deksel luchtfilterbak demonteren. ( pag. 80) – Luchtfilter demonteren. ( pag. 82)
Hoofdwerk
– Luchtfilter in een speciale reinigingsvloeistof grondig wassen
en goed laten drogen.
Reinigingsmiddel voor luchtfilter ( pag. 172)
Info
Luchtfilter alleen uitdrukken, in geen geval uitwringen.
A00061-10
– Droog luchtfilter smeren met een hoogwaardige luchtfilterolie.
Olie voor luchtfilters van schuimstof ( pag. 172)
– Luchtfilterbak reinigen. – Controleren of de luchtinlaataansluiting stevig vastzit en niet is
beschadigd.
Nawerk
– Luchtfilter monteren. ( pag. 82) – Deksel luchtfilterbak monteren. ( pag. 81)

12.28 Luchtfilterbak-deksel op borging voorbereiden

Voorwerk
– Deksel luchtfilterbak demonteren. ( pag. 80)
Hoofdwerk
–
Bij de markeringAeen gat boren. Voorgeschreven waarde
Diameter 6 mm
S03499-10
Nawerk
– Deksel luchtfilterbak monteren. ( pag. 81)
83
Page 86
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

12.29 Einddemper demonteren

Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Het uitlaatsysteem wordt bij gebruik van het voertuig zeer heet.
– Laat het uitlaatsysteem afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
(alle EU-modellen)
–
–
(XCF‑W, alle BR-modellen)
–
Veer1losmaken.
Veerhaak (50305017000C1)
Schroeven2verwijderen en einddemper met katalysator verwijderen.
Veer1losmaken.

12.30 Einddemper monteren

V01814-10
S02101-10
V01814-11
Veerhaak (50305017000C1)
–
Schroeven2verwijderen en einddemper verwijderen.
(alle EU-modellen)
– Katalysator in de einddemper positioneren.
–
Einddemper plaatsen. Schroeven1monteren, maar nog niet vastdraaien.
–
Veer2vasthaken.
Veerhaak (50305017000C1)
–
Schroeven1vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe­ven chassis
M6 10 Nm

12.31 Spark-arrestor reinigen (XCF‑W)

Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Het uitlaatsysteem wordt bij gebruik van het voertuig zeer heet.
– Laat het uitlaatsysteem afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
84
Page 87
Info
Na verloop van tijd zetten zich op de vonkenvanger roetdeeltjes af. Daardoor verandert de vermogenskarakteristiek.
Voorwerk
– Einddemper demonteren. ( pag. 84)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
Hoofdwerk
–
Schroeven1verwijderen, eindkap2met keerring3verwijderen.
Info
Glasvezelvulling niet verwijderen.
Voorzichtig
Gevaar voor de gezondheid Roetdeeltjes irriteren de ogen en slijmvliezen.
– Draag een geschikte adem- en oogbescherming bij het reinigen van de de einddemper en het kool-
stoffilter.
–
Einddemper-huls4en zeef5van spark-arrestor met perslucht reinigen.
–
Nieuwe keerring3op de eindkap2monteren.
–
Eindkap2positioneren. Schroeven1monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Schroeven van einddemper M5 7 Nm
Nawerk
– Einddemper monteren. ( pag. 84)
V01736-10
85
Page 88
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

12.32 Glasvezelvulling van einddemper vervangen

Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Het uitlaatsysteem wordt bij gebruik van het voertuig zeer heet.
– Laat het uitlaatsysteem afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Info
Na enige tijd vervluchtigen de vezels van het glasvezel naar buiten, de demper "brandt" uit. Naast een hoger geluidsniveau verandert daardoor ook de vermogenskarakteristiek.
Voorwerk
– Einddemper demonteren. ( pag. 84)
Hoofdwerk (alle EU/BR‑modellen)
–
– – Oude glasvezelvulling verwijderen.
–
– – Keerring op de eindkap monteren.
– Eindkap positioneren. – Alle schroeven monteren en vastdraaien.
Schroeven1verwijderen. Eindkap2met keerring3verwijderen.
Onderdelen die weer worden gemonteerd reinigen en con­troleren of deze beschadigd zijn.
Nieuwe glasvezelvulling4in de einddemper monteren.
Voorgeschreven waarde
Schroeven van einddemper
M5 7 Nm
V01734-10
V01735-10
(XCF‑W)
–
Schroeven1verwijderen.
–
Eindkap2met keerring3verwijderen.
– Oude glasvezelvulling verwijderen. – Onderdelen die weer worden gemonteerd reinigen en con-
troleren of deze beschadigd zijn.
–
Nieuwe glasvezelvulling4in de einddemper monteren.
– Keerring op de eindkap monteren. – Eindkap positioneren. – Alle schroeven monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroeven van einddemper
M5 7 Nm
86
Page 89
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
Nawerk
– Einddemper monteren. ( pag. 84)

12.33 Brandstoftank demonteren

Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
– Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
– Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig. – Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg. – Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
– Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding. – Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt. – Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
– Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
– Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen. – Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
V01824-10
V01825-10
Voorwerk
– Zadel verwijderen. ( pag. 79)
Hoofdwerk
–
Stekker1van brandstofpomp loskoppelen.
–
Steekverbinding2van de brandstofleiding grondig reinigen met perslucht.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de inspuitklep!
– Steekverbinding van de brandstofleiding loskoppelen.
Info
Uit de brandstofleiding kan nog wat resterende brand­stof stromen.
–
Wasdopset3monteren.
Waskappenset (81212016100)
87
Page 90
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
(alle EU/BR‑modellen)
– – Claxon met claxonhouder opzij hangen.
V01764-10
(XCF‑W)
–
V01765-10
Schroeven4verwijderen.
Schroeven4verwijderen.
–
Schroef5met rubberbus verwijderen.
– Slang van de brandstoftankontluchting trekken.
V01766-10
– Beide spoilers naar de zijkant van de radiateur trekken en
brandstoftank naar boven toe verwijderen.
V01767-10

12.34 Brandstoftank monteren

Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
– Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten. – Zet de motor uit, als u brandstof tankt. – Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig. – Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg. – Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
88
Page 91
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
– Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding. – Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt. – Adem geen brandstofdampen in. – Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen. – Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
– Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Hoofdwerk
– Gaskabelplaatsing controleren. ( pag. 95)
– Brandstoftank positioneren en beide spoilers aan de zijkant
vóór de radiateur vasthaken.
– Erop letten dat er geen kabels of bowdenkabels klem raken of
worden beschadigd.
V01767-11
V01766-11
V01764-11
– Slang voor brandstoftankontluchting erop steken.
–
Schroef1met rubberbus monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
M6 10 Nm
ven chassis
(alle EU/BR‑modellen)
– Claxon met claxonhouder positioneren.
–
Schroeven2monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
M6 10 Nm
ven chassis
(XCF‑W)
–
Schroeven2monteren en vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
M6 10 Nm
ven chassis
V01765-11
89
Page 92
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Stekker3van de brandstofpomp verbinden.
– Waskappenset verwijderen. – Steekverbinding van de brandstofleiding grondig reinigen met
perslucht.
V01824-11
–
Keerring smeren en steekverbinding4van de brandstoflei­ding verbinden.
Nawerk
– Zadel monteren. ( pag. 80)
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de inspuitklep!
Info
Kabels en brandstofleiding op een veilige afstand van het uitlaatsysteem leggen.

12.35 Kettingvervuiling controleren

– Ketting controleren op grove vervuiling.
» Als de ketting erg vuil is:
– Ketting reinigen. ( pag. 90)
400678-01

12.36 Ketting reinigen

Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
– Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
– Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij. – Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
– Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
90
Page 93
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
– Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal. – Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 172)
– Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray offroad ( pag. 172)
400725-01
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)

12.37 Kettingspanning controleren

Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of breken. Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
– Controleer de kettingspanning regelmatig. – Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
V00354-10
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
– Ketting aan het einde van het onderste glijblok omhoog trek-
ken en de kettingspanningAbepalen.
Info
Het onderste deel van de ketting1moet daarbij gespannen zijn. Als de kettingbescherming gemonteerd is moet de ket­ting minimaal tot de aanslag aan de kettingbescher­mingBomhoog kunnen worden getrokken. Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet de meting op verschillende plekken van de ketting wor­den herhaald.
Kettingspanning 55 … 58 mm
» Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorge-
schreven waarde: – Kettingspanning instellen. ( pag. 92)
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
91
Page 94
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

12.38 Kettingspanning instellen

Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of breken. Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
– Controleer de kettingspanning regelmatig. – Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65) – Kettingspanning controleren. ( pag. 91)
Hoofdwerk
–
Moer1losdraaien.
–
Moeren2losdraaien.
–
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven links en rechts instellen.
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning 55 … 58 mm
Stelschroeven3links en rechts zodanig draaien dat de markeringen aan de linker en rechter kettingspanner in dezelfde positie staan t.o.v. de referentiemarkeringenA. Zo is het achterwiel correct uitgelijnd.
3
E00330-10
–
Moeren2vastdraaien.
–
Controleren of de kettingspanners4tegen de stelschroe­ven3liggen.
–
Moer1vastdraaien. Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter M20x1,5 80 Nm
Info
Door het grote instelbereik van de kettingspanner (32 mm) kunnen bij gelijke kettinglengte verschillende secundaire overbrengingen worden gereden. De kettingspanners4kunnen 180° worden gedraaid.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
92
Page 95
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12

12.39 Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren

Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 65)
Hoofdwerk
– Versnelling in stationair schakelen. – Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controle-
ren. » Als ketting, kettingwiel of ketting-aandrijfwiel versleten
zijn: – Aandrijfset vervangen.
400227-01
400987-10
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moe­ten altijd samen worden vervangen.
– Aan het bovenste deel van de ketting met het aangegeven
gewichtAtrekken. Voorgeschreven waarde
Gewicht voor het meten van de kettingslijtage
–
De afstandBvan 18 kettingschakels aan het onderste deel van de ketting meten.
10 … 15 kg
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet de meting op verschillende plekken van de ketting wor­den herhaald.
Maximale afstandBvan 18 kettingschakels op het langste stuk van de ketting
»
Als de afstandBgroter is dan de aangegeven maat: – Aandrijfset vervangen.
272 mm
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd, moeten ook het kettingwiel en het ketting-aandrijfwiel worden vervangen. Nieuwe kettingen slijten op een oud, versleten kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel sneller.
93
Page 96
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
– Glijblok op slijtage controleren.
» Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op
– Controleren of het glijblok goed vastzit.
» Als het glijblok loszit:
V01829-10
dezelfde hoogte of onder het bovenste glijblok bevindt:
– Bovenste glijblok vervangen.
– Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef glij­blok
M6 6 Nm
Loctite®243™
V01830-10
– Onderste glijblok op slijtage controleren.
» Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op
dezelfde hoogte of onder onderste glijblok bevindt:
– Onderste glijblok vervangen.
– Controleren of het onderste glijblok goed vastzit.
» Als het onderste glijblok loszit:
– Schroef van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste glijblok
– Kettinggeleiding controleren op slijtage.
M8 15 Nm
Info
De slijtage is herkenbaar aan de voorkant van de ket­tinggeleiding.
94
» Wanneer het lichtgekleurde deel van de kettinggeleiding is
versleten: – Kettinggeleiding vervangen.
401760-01
Page 97

12.40 Frame controleren

E00333-01
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
– Controleren of de kettinggeleiding goed vastzit.
» Als de kettinggeleiding loszit:
– Schroeven van de kettinggeleiding vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
Resterende moe­ren chassis
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 65)
– Frame controleren op scheurvorming en vervorming.
» Als het frame door een mechanische krachtinwerking
gescheurd of vervormd is: – Frame vervangen.
M6 10 Nm
M6 10 Nm
S01316-10

12.41 Achterbrug controleren

S01317-10

12.42 Gaskabelplaatsing controleren

Info
Een frame dat door een mechanische krachtin­werking is beschadigd, altijd vervangen. KTM staat niet toe dat frames worden gerepareerd.
– Achterbrug op beschadiging, scheurvorming en vervorming
controleren. » Als de achterbrug beschadigd, gescheurd of vervormd is:
– Achterbrug vervangen.
Info
Een beschadigde achterbrug altijd vervangen. Reparatie van de achterbrug staat KTM niet toe.
Voorwerk
– Zadel verwijderen. ( pag. 79) – Brandstoftank demonteren. ( pag. 87)
95
Page 98
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Gaskabelplaatsing controleren.
Beide gaskabels moeten naast elkaar aan de achterkant van het stuur, boven het brandstoftanklager, naar het smoorklep­huis gelegd zijn. Beide gasbowdenkabels moeten achter de rubberband van de brandstoftankhouder geborgd zijn.
» Als de gaskabel niet op de voorgeschreven wijze is gelegd:
V01828-10
– Gaskabelplaatsing corrigeren.
Nawerk
– Brandstoftank monteren. ( pag. 88) – Zadel monteren. ( pag. 80)

12.43 Rubberen stuurcovers controleren

– Rubberen stuurcovers aan stuur controleren op beschadiging
401197-01
(alle EU/BR‑modellen)
en slijtage. Controleren of de stuurcovers goed vastzitten.
Info
De rubberen stuurcovers zijn links op een huls en rechts op de handgreep van de gashendel gevulkaniseerd. De linker huls is op het stuur vastgeklemd. De rubberen stuurcover kan alleen worden vervangen met de huls of de gasbuis.
» Als een rubberen stuurcover is beschadigd, versleten of
loszit:
– Rubberen stuurcover vervangen.
–
Schroef1op goede bevestiging controleren. Voorgeschreven waarde
Schroef vaste handgreep
M4 5 Nm
Loctite®243™
96
De ruitAmoet zoals op de afbeelding zijn gepositio­neerd.
K01340-10
Page 99
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
–
Schroef1op goede bevestiging controleren. Voorgeschreven waarde
Schroef vaste handgreep
De ruitAmoet naar boven zijn gepositioneerd.
V01768-10

12.44 Uitgangspositie koppelingshendel instellen

– Uitgangspositie van de koppelingshendel met de
stelschroef1aanpassen aan de grootte van de hand.
Info
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid, komt de koppelingshendel verder van het stuur af te staan. Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
E00842-10
komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te staan. Het instelbereik is beperkt. Draai de stelschroef alleen met de hand en gebruik geen geweld. Niet instellen tijdens het rijden.
M4 5 Nm
Loctite®243™

12.45 Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren

Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
– Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen. – Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen. – Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding. – Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt. – Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen. – Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
– Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
– Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
97
Page 100
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingplaten zijn versleten. Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtin­gen en koppelingskabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5. Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak aantast. Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
– Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische
koppeling in een horizontale positie zetten.
–
Schroeven1verwijderen.
–
Deksel2met membraan3verwijderen.
– Vloeistofpeil controleren.
V00456-10
Vloeistofpeil lager dan bovenkant van reservoir
» Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschre-
ven waarde: – Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 171)
– Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en
vastdraaien.
4 mm
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afspoelen.

12.46 Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen

Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
– Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen. – Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen. – Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding. – Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt. – Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen. – Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
– Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
– Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
98
Loading...