Dit is de Xperia XA1 Plus-gebruikershandleiding voor de Android™ 8.0softwareversie. Als u niet zeker weet welke softwareversie uw apparaat gebruikt,
kunt u dat controleren in het menu Instellingen.
Updates voor het systeem en de applicatie kunnen de apparaatfuncties op een andere
manier weergeven dan in deze gebruikershandleiding wordt beschreven. De Android-versie
wordt mogelijk niet door een update beïnvloed. Voor meer informatie over softwareupdates raadpleegt u
De huidige softwareversie van uw apparaat bekijken
•Tik op Instellingen > Systeem > Over de telefoon.
De huidige softwareversie van het apparaat wordt weergegeven bij Build-nummer.
Het modelnummer van uw apparaat vinden
•Tik op Instellingen > Systeem > Over de telefoon.
Het modelnummer van het apparaat wordt weergegeven bij Model.
Beperkingen van services en functies
Bepaalde services en functies die in deze Gebruikershandleiding worden
beschreven, worden mogelijk niet voor alle landen of regio's of voor alle
netwerken en serviceproviders in alle gebieden ondersteund. Het internationale
GSM-alarmnummer kan altijd in alle landen, regio's, netwerken en door alle
serviceproviders worden gebruikt, mits het apparaat met het mobiele netwerk is
verbonden. Neem contact op met uw netwerkaanbieder of serviceprovider om de
beschikbaarheid te bepalen van bepaalde services of functies en om na te gaan of
dit extra kosten voor toegang of gebruik met zich meebrengt.
Het gebruik van bepaalde functies en applicaties die in deze handleiding zijn
beschreven, kunnen internettoegang vereisen. Er kunnen kosten voor
dataoverdracht in rekening worden gebracht wanneer u verbinding maakt met
internet met uw apparaat. Neem contact op met uw draadloze serviceprovider
voor meer informatie.
Vingerafdrukfuncties zijn niet beschikbaar in de VS.
Kaarten plaatsen – enkele SIM
Uw apparaat ondersteunt alleen nano-SIM-kaarten. Op apparaten met een enkele
SIM kunt u één SIM-kaart en een geheugenkaart gebruiken.
De nano-SIM-kaart en de geheugenkaart hebben elk een eigen sleuf. Zorg dat u
beide niet met elkaar verwart.
Als u wilt controleren of uw apparaat een enkele of een dubbele SIM ondersteunt,
De IMEI-nummer(s) van het apparaat zoeken
zie
informatie.
op pagina 16 voor meer
Om gegevensverlies te voorkomen, moet u het apparaat uitschakelen of de geheugenkaart
ontkoppelen voordat u de houder er uit haalt om de nano-SIM-kaart of geheugenkaart uit
het apparaat te verwijderen.
Een nano-SIM-kaart en de geheugenkaart plaatsen
Knip niet in de SIM-kaart omdat dit het apparaat kan beschadigen.
2Plaats de geheugenkaart in de juiste positie in de geheugenkaartsleuf, zoals
is aangegeven in de afbeelding.
3Plaats de SIM-kaart stevig in de SIM-kaarthouder. Zie de afbeelding.
4Duw de houder voorzichtig helemaal terug in de sleuf.
Kaarten plaatsen – dubbele SIM
Uw apparaat ondersteunt alleen nano-SIM-kaarten. Apparaten met een dubbele
SIM ondersteunen één of twee nano-SIM-kaarten en een geheugenkaart.
Apparaten met dubbele SIM zijn niet voor elke regio en bij elke aanbieder
beschikbaar.
Als u wilt controleren of uw apparaat een enkele of een dubbele SIM ondersteunt,
De IMEI-nummer(s) van het apparaat zoeken
zie
informatie.
Om gegevensverlies te voorkomen, moet u het apparaat uitschakelen of de geheugenkaart
ontkoppelen voordat u de houder er uit haalt om de nano-SIM-kaart (of kaarten) of
geheugenkaart uit het apparaat te verwijderen.
De nano-SIM-kaarten en de geheugenkaart plaatsen
op pagina 16 voor meer
Knip niet in SIM-kaarten omdat dit het apparaat kan beschadigen.
1Trek de SIM-kaarthouder naar buiten.
2Plaats de geheugenkaart in de juiste positie in de geheugenkaartsleuf, zoals
is aangegeven in de afbeelding.
3Plaats de hoofd-SIM-kaart (SIM1) stevig in de SIM-kaarthouder. Zie de
afbeelding.
4Plaats de tweede SIM-kaart (SIM2) stevig in de SIM-kaarthouder. Zie de
afbeelding.
5Duw de houder voorzichtig helemaal terug in de sleuf.
Schermbescherming
Voordat u het apparaat gebruikt,
gebruiken.
Met een schermcover of een schermbescherming kunt u het apparaat beschermen
tegen beschadiging. We raden aan dat u alleen schermcovers gebruikt die voor
verwijdert u de beschermfolies om alle functies te kunnen
9
Page 10
het Xperia-apparaat zijn bedoeld. Als u een schermbescherming van een ander
merk gebruikt, kan het zijn dat uw apparaat niet correct functioneert omdat
sensoren, lenzen, luidsprekers of microfoons eventueel worden bedekt. Hierdoor
kan de garantie komen te vervallen.
Uw apparaat de eerste keer inschakelen
Het wordt aangeraden de batterij minimaal dertig minuten op te laden voordat u
het apparaat voor het eerst inschakelt. U kunt het apparaat blijven gebruiken
tijdens het opladen. Zie hiervoor
De eerste keer dat u uw apparaat inschakelt, wordt u aan de hand van een
installatiehandleiding geholpen bij het configureren van de basisinstellingen, het
personaliseren van uw apparaat en u aan te melden bij bepaalde accounts,
bijvoorbeeld een Google™-account.
Als u het apparaat koopt, is er al een basisveegvergrendeling ingesteld. Dit
betekent dat u op het scherm omhoog of naar links moet vegen om het te
ontgrendelen. U kunt de beveiligingsinstellingen later wijzigen en andere soorten
vergrendeling toevoegen.
Het apparaat inschakelen
Gebruik een USB Type-C-kabel (meegeleverd) voor het opladen van uw apparaat. Laad de
batterij minstens 30 minuten op voordat u het apparaat voor het eerst inschakelt.
1Houd de aan-uitknop ingedrukt totdat het apparaat trilt.
2Voer desgevraagd de PIN van uw SIM-kaart in en tik vervolgens op .
3Wacht even tot het apparaat start.
Uw apparaat opladen
op pagina 38.
De PIN van uw SIM-kaart wordt aanvankelijk door uw netwerkoperator geleverd, maar u
kunt deze later wijzigen in het menu Instellingen.
Het apparaat uitschakelen
1Houd de aan-uitknop
ingedrukt tot het optiemenu wordt weergegeven.
2Tik in het optiemenu op Uitschakelen.
Het kan even duren voordat het apparaat uit gaat.
Waarom heb ik een Google-account nodig?
Uw Xperia™-apparaat van Sony gebruikt het Android™-platform dat is ontwikkeld
door Google. Een groot aantal verschillende Google-applicaties en -services is bij
aankoop van uw apparaat beschikbaar, bijvoorbeeld Gmail™, Google Maps™,
YouTube™ en de Play Store™-applicatie, waarmee u toegang hebt tot de Google
Play™-onlinewinkel voor het downloaden van Android-applicaties. Om het beste
uit deze services te halen, hebt u een Google-account nodig. Met een Googleaccount kunt u bijvoorbeeld het volgende doen:
•Applicaties downloaden en installeren van Google Play.
•E-mail, contacten en de agenda synchroniseren met Gmail.
•Chatten met vrienden met de Duo™-applicatie.
•Browsergeschiedenis en bladwijzers synchroniseren met de webbrowser Google
Chrome™.
•Maak uzelf kenbaar als de bevoegde gebruiker na een softwarereparatie met
behulp van Xperia™ Companion.
•Zoek, blokkeer of wis een verloren of gestolen apparaat op afstand met de behulp
van Mijn apparaat zoeken.
Ga naar
http://support.google.com
voor meer informatie over Android en Google.
Het is erg
onthoudt. In sommige gevallen moet u zich vanwege veiligheidsredenen identificeren met
uw Google-account. Als u in dergelijke gevallen de gebruikersnaam of het wachtwoord van
belangrijk dat u de gebruikersnaam en het wachtwoord van uw Google-account
Google niet kunt invullen, wordt uw apparaat vergrendeld. Als u meerdere Google-accounts
hebt, zorg dan dat u de gegevens van het betreende account invult.
Een Google-account instellen op uw apparaat
1Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts > Account toevoegen >
Google.
2Volg de instructies op het scherm om een Google-account te maken of meld
u aan als u al een account hebt.
U kunt ook een Google-account maken via de instellingengids als u het apparaat voor de
eerste keer start. Of u gaat op een later tijdstip online en maakt een account op
https://myaccount.google.com/
.
Een Google-account verwijderen
1Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts.
2Selecteer het Google-account dat u wilt verwijderen.
3Tik op ACCOUNT VERWIJDEREN.
4Tik opnieuw op ACCOUNT VERWIJDEREN om te bevestigen.
Als u uw Google-account verwijdert, zijn beveiligingsfuncties die aan uw Google-account
zijn gekoppeld niet langer beschikbaar.
Het apparaat bevat beveiligingsfuncties. Het wordt sterk aanbevolen deze te
gebruiken in verband met verlies of diefstal.
Als u het apparaat beveiligt met een beveiligingsfunctie, is het essentieel dat u de
ingestelde gegevens onthoudt.
Schermvergrendeling
Stel een veilige schermvergrendeling op uw apparaat in met behulp van een
pincode, wachtwoord of vingerafdruk, om te voorkomen dat anderen het apparaat
zonder toestemming kunnen gebruiken. Zodra de schermvergrendeling is
ingesteld, kan zonder het invoeren van de schermvergrendelingsinformatie het
scherm niet worden ontgrendeld en kunnen geen gegevens worden gewist door
de standaardinstellingen te herstellen.
Als u contactgegevens, bijvoorbeeld uw e-mailadres, toevoegt aan de
schermvergrendeling, kan deze informatie worden gebruikt om het apparaat terug te
krijgen als u het heeft verloren.
Google-account
Voeg een Google-account toe zodat u de service Mijn apparaat zoeken kunt
gebruiken. In sommige gevallen moet u zich vanwege veiligheidsredenen ook
identificeren met uw Google-account.
Mijn apparaat vinden
Gebruik de service Mijn apparaat zoeken om een apparaat op afstand te zoeken,
vergrendelen, ontgrendelen of de inhoud van een verloren apparaat te wissen. Als
u zich heeft aangemeld met uw Google-account, wordt Mijn apparaat zoeken
standaard ingeschakeld.
SIM-kaartvergrendeling
Vergrendel SIM-kaarten met een PIN om misbruik van uw abonnement te
voorkomen. De PIN is elke keer nodig als u het apparaat opnieuw opstart.
IMEI-nummer
Bewaar een exemplaar van het IMEI-nummer. En als uw apparaat wordt gestolen,
kunnen sommige netwerkproviders uw IMEI-nummer gebruiken om ervoor te
zorgen dat het apparaat geen toegang meer krijgt tot het netwerk in uw land of
regio.
Apparaten met dubbele SIM's hebben twee IMEI-nummers.
Back-up
Maak een back-up van de inhoud van het apparaat voor het geval het apparaat
beschadigd, gestolen of verloren raakt. Ga voor meer informatie naar
maken van inhoud en inhoud herstellen
op de pagina 45.
Back-up
Schermvergrendeling
Vingerafdrukfuncties
Als het scherm is vergrendeld, kunt u het ontgrendelen met een veeggebaar of
met een persoonlijk patroon, PIN, wachtwoord of vingerafdruk. Oorspronkelijk
wordt een onbeveiligde veegbeweging over het scherm ingesteld, maar we raden
aan om een veiligere schermvergrendeling in te stellen op het apparaat.
Het beveiligingsniveau van elk type vergrendeling staat hieronder vermeld op
volgorde van zwak naar sterk:
•Vegen: geen beveiliging, maar u hebt snel toegang tot het startscherm.
•Patroon: teken een eenvoudig patroon met uw vinger om het apparaat te
ontgrendelen.
•PIN: voer een pincode in van minstens vier cijfers om het apparaat te
ontgrendelen.
•Wachtwoord: voer een alfanumeriek wachtwoord in om het apparaat te
ontgrendelen.
•Vingerafdruk: plaats de geregistreerde vinger op de sensor om het apparaat te
ontgrendelen.
Vingerafdrukken moeten met Vingerafdrukbeheer worden geregistreerd voordat
ze kunnen worden gebruikt. Zie
Meldingen
op de pagina 30 voor informatie over
het configureren van meldingen op het vergrendelingsscherm.
Een schermontgrendeling maken of veranderen
Het is heel belangrijk dat u het patroon, de PIN of het wachtwoord voor
schermvergrendeling onthoudt. Als u deze informatie vergeet, kunt u belangrijke gegevens,
zoals contacten en berichten, mogelijk niet meer herstellen. Zie tips voor
probleemoplossing voor uw apparaat op
http://support.sonymobile.com
.
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging >
Schermvergrendeling.
2Bevestig desgevraagd uw huidige schermvergrendeling.
3Kies een optie en volg de instructies op het scherm.
4Als een veilige schermvergrendeling is ingesteld, kunt u instellen dat de aan-
uitknop het scherm vergrendelt, de activeringstijd van de
schermvergrendeling instellen en een bericht voor het
vergrendelingsscherm instellen door op
te drukken.
Als u een Microsoft Exchange ActiveSync-account (EAS) gebruikt, is het type
schermvergrendeling mogelijk beperkt tot alleen PIN of wachtwoord op basis van de EASbeveiligingsinstellingen. Neem contact op met de netwerkbeheerder om te controleren
welk netwerkbeveiligingsbeleid is geïmplementeerd.
Het apparaat automatisch ontgrendelen
Met de functie Smart Lock kunt u het apparaat in bepaalde situaties automatisch
ontgrendelen, bijvoorbeeld als het is verbonden met een Bluetooth-apparaat of als
u het met u meedraagt.
De functie Smart Lock is voor de meeste markten, landen en regio's beschikbaar.
Ga naar
http://www.support.google.com/
informatie over de functie Smart Lock.
Smart Lock inschakelen
1Stel een patroon, PIN of wachtwoord in als schermvergrendeling als u dit
nog niet hebt gedaan.
2Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging > Trust-agents.
3Tik op de Smart Lock (Google)-schuifregelaar om de functie in te schakelen
als deze nog niet is ingeschakeld.
4Tik op
.
5Tik op Smart Lock.
6Voer uw patroon, PIN of wachtwoord in. Als u de Smart Lock-instellingen wilt
wijzigen, moeten deze referenties worden ingevoerd.
Vingerafdrukfuncties zijn niet beschikbaar in de VS.
Vingerafdrukbeheer registreert gegevens over vingerafdrukken die kunnen worden
gebruikt als extra beveiligingsmethode voor het ontgrendelen van het apparaat of
om aankopen te verifiëren. U mag maximaal vijf vingerafdrukken registreren op het
apparaat.
Voordat u de Vingerafdruksensor gebruikt, controleert u of de sensor schoon is en vrij is
van zichtbaar vocht.
Ontgrendelen met vingerafdruk
Vingerafdrukfuncties zijn niet beschikbaar in de VS.
U kunt met uw vingerafdruk het apparaat snel ontgrendelen. U kunt deze functie
pas gebruiken als u een vingerafdruk hebt geregistreerd en als u deze functie in
Vingerafdrukbeheer hebt ingeschakeld.
Als u de optie ontgrendelen met vingerafdruk hebt ingeschakeld, fungeert de
schermvergrendeling met patroon, PIN of wachtwoord als een alternatieve
ontgrendelingsmethode. Als u andere schermvergrendelingstypen selecteert,
worden alle vingerafdrukinstellingen gewist.
Het apparaat ontgrendelen met uw vingerafdruk
•Als de schermvergrendeling is geactiveerd, plaatst u uw vinger op de aan-
uitknop zodat het apparaat uw vingerafdruk kan scannen en het scherm kan
ontgrendelen. Zorg dat u een vinger gebruikt die u in Vingerafdrukbeheer
hebt geregistreerd.
Als het u na vijf pogingen niet is gelukt om het scherm met uw vingerafdruk te
ontgrendelen, kunt u het reservepatroon, de reservepincode of het reservewachtwoord
gebruiken.
Voor de eerste keer een vingerafdruk registreren
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging >
Vingerafdrukbeheer.
2Tik op VOLGENDE. Bevestig desgevraagd uw patroon, PIN of wachtwoord.
3Tik op VOLGENDE en volg de instructies op het scherm om de registratie van
de vingerafdruk te voltooien.
Als u een vingerafdruk voor het eerst registreert, wordt u gevraagd ook een patroon, PIN of
wachtwoord in te stellen als schermvergrendeling als u dit nog niet hebt gedaan.
De Vingerafdruksensor bevindt zich op de aan-uitknop en niet op het scherm van uw
apparaat. Voordat u de Vingerafdruksensor gebruikt, controleert u of de sensor schoon is
en vrij is van zichtbaar vocht.
Extra vingerafdrukken registreren
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging >
Vingerafdrukbeheer.
2Bevestig uw patroon, PIN of wachtwoord.
3Tik op Vingerafdruk toevoegen en volg de instructies op het scherm.
Een geregistreerde vingerafdruk verwijderen
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging >
Vingerafdrukbeheer.
2Bevestig uw patroon, PIN of wachtwoord.
3Tik op de geregistreerde vingerafdruk en tik op VERWIJDEREN >
De naam van een geregistreerde vingerafdruk wijzigen
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging >
Vingerafdrukbeheer.
2Selecteer een geregistreerde vingerafdruk in de lijst, voer een naam in en tik
op OK.
SIM-kaartbeveiliging
U kunt elke SIM-kaart in uw apparaat vergrendelen en ontgrendelen met een PIN.
Als een SIM-kaart is vergrendeld, is het bijbehorende abonnement beschermd
tegen ongeoorloofd gebruik. Telkens wanneer u uw apparaat inschakelt, moet u
dus een PIN invoeren.
Als u uw pincode te vaak onjuist invoert, wordt de SIM-kaart geblokkeerd. U moet
dan de PUK-code (Personal Unblocking Key) en een nieuwe pincode invoeren. U
ontvangt de pincode en de PUK-code van uw netwerkoperator.
Een SIM-kaartblokkering instellen
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging > SIM-kaart
blokkeren.
2Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
3Tik op de schuifregelaar naast SIM-kaart vergrendelen om deze in te
schakelen.
4Voer de pincode voor de SIM-kaart in en tik op OK. De SIM-kaartblokkering is
nu actief en telkens wanneer u het apparaat opnieuw start, wordt u
gevraagd om uw pincode in te vullen.
De pincode van de SIM-kaart wijzigen
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging > SIM-kaart
blokkeren.
2Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
3Tik op SIM pincode wijzigen.
4Voer de oude pincode voor de SIM-kaart in en tik op OK.
5Voer de nieuwe pincode voor de SIM-kaart in en tik op OK.
6Voer de nieuwe pincode voor de SIM-kaart opnieuw in en tik op OK.
Een geblokkeerde SIM-kaart met behulp van een PUK-code deblokkeren
1Voer de PUK-code in en tik op
2Voer een nieuwe PIN-code in en tik op
3Voer de nieuwe PIN-code nogmaals in en tik op .
Als u te vaak een onjuiste PUK-code hebt ingevoerd, dient u contact met uw
netwerkprovider op te nemen voor een nieuwe SIM-kaart.
.
.
Meerdere SIM-kaarten gebruiken
Deze functie is alleen van toepassing voor apparaten met dubbele SIM-kaart.
Apparaten met dubbele SIM-kaart werken met één of met twee geplaatste SIMkaarten. U kunt binnenkomende communicatie voor beide SIM-kaarten ontvangen
en selecteren van welk nummer u uitgaande communicatie wilt uitvoeren. Voordat
u meerdere SIM-kaarten kunt gebruiken, moet u deze inschakelen en de SIM-kaart
selecteren die het dataverkeer moet verwerken.
U kunt oproepen die binnenkomen op SIM 1 doorschakelen naar SIM 2 als SIM 1
niet bereikbaar is en omgekeerd. Deze functie heet Dual SIM reachability. U moet
dit handmatig inschakelen. Zie
Het gebruik van twee SIM-kaarten in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Dubbele SIM.
2Tik op de schuifregelaars SIM-sleuf 1 en SIM-sleuf 2 om de SIM-
kaartblokkering in of uit te schakelen.
De naam van een SIM-kaart wijzigen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Dubbele SIM.
2Selecteer een SIM-kaart en voer er een naam voor in.
3Tik op OK.
Selecteren welke SIM-kaart dataverkeer afhandelt
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Dubbele SIM > Mobiele
gegevens.
2Selecteer de SIM-kaart die u voor dataverkeer wilt gebruiken.
Voor hogere datasnelheden selecteert u de SIM-kaart die het snelste mobiele netwerk
ondersteunt, bijvoorbeeld LTE.
De IMEI-nummer(s) van het apparaat zoeken
Uw apparaat heeft een of twee unieke identificatienummers die IMEI of Product-ID
worden genoemd. Zorg dat u een kopie hiervan bewaart. U hebt dit nummer
eventueel nodig als het apparaat is gestolen of als u contact opneemt met de
klantenservice.
Alleen voor apparaten met een dubbele SIM-kaart: uw apparaat heeft twee
IMEI-nummers, eentje voor elke SIM-kaartsleuf.
Uw IMEI-nummer(s) met het toetsenblok weergeven
1Tik op
.
2Tik op .
3Voer *#06# in met het toetsenblok. De IMEI-nummer(s) worden automatisch
weergegeven.
De IMEI-nummer(s) op de etiketstrook bekijken
1Trek de nano-SIM-kaarthouder naar buiten.
2Trek de strook met een vingernagel naar buiten. U ziet de IMEI-nummer(s)
Een verloren apparaat terugvinden, vergrendelen of wissen
Google biedt een locatie- en beveiligingswebservice aan die Mijn apparaat zoeken
heet. Als u zich heeft aangemeld met een Google-account, wordt Mijn apparaat
zoeken standaard ingeschakeld. Als u uw apparaat verliest, kunt u met Mijn
apparaat zoeken:
•De locatie van uw apparaat zoeken en weergeven op een kaart.
•Het apparaat vergrendelen en op het vergrendelingsscherm een bericht laten
verschijnen.
•Het apparaat ontgrendelen en resetten door de inhoud te wissen.
•De beltoon activeren, zelfs als het geluid is uitgeschakeld.
Het apparaat moet zijn ingeschakeld, een internetverbinding hebben en de
locatieservice moet zijn geactiveerd. De service Mijn apparaat zoeken is mogelijk
niet in alle landen of regio's beschikbaar.
Voor meer informatie over Mijn apparaat zoeken gaat u naar
https://www.support.google.com/
Als u met Mijn apparaat zoeken inhoud op het apparaat wist, moet u de gebruikersnaam en
het wachtwoord van een Google-account invoeren om het apparaat weer te kunnen
gebruiken. Dit kan elk Google-account zijn dat u als eigenaar op het apparaat heeft
ingesteld. Als u tijdens het instellen deze informatie niet kunt verstrekken, kunt u het
apparaat na een reset niet gebruiken.
Zo controleert u of uw apparaat kan worden gevonden
•Ga naar
https://www.google.com/android/find
Google-account.
en zoekt u "Mijn apparaat vinden".
en meld u aan met uw
Locatieservices gebruiken
Locatieservices zorgen ervoor dat applicaties als Maps en de camera uw locatie
kunnen bepalen met Wi-Fi en GPS (Global Positioning System). Als de verbinding
met GPS-satellieten niet optimaal is, kan uw locatie worden bepaald met de Wi-Fifunctie. En als u niet binnen het bereik van een netwerk bent, kan uw apparaat uw
locatie met behulp van uw mobiele netwerk bepalen.
Als u wilt dat uw apparaat weet waar u bent, moet u locatieservices inschakelen.
Locatieservices in- of uitschakelen
•Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging > Locatie. Tik op
de schuifregelaar om locatieservices in of uit te schakelen.
U kunt locatieservices ook inschakelen vanuit > Instellingen > Google > Locatie.
Google locatie delen in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging > Locatie.
2Tik op Google locatie delen >
3Selecteer de tijd waarin de functie moet worden ingeschakeld en kies een
optie om het contact te selecteren waarmee u de locatie wilt delen. Tik
vervolgens op Delen. Tik op Meer om te kiezen hoe u de locatie wilt delen.
Bij
Google-locatiegeschiedenis kunt u ook uw locatiegeschiedenis volgen.
De nauwkeurigheid van GPS verbeteren
Als u de GPS-functie van het apparaat voor het eerst gebruikt, kan het enkele
minuten duren voordat uw locatie wordt gevonden. Om ervoor te zorgen dat het
zoeken zo goed mogelijk verloopt, moet u vrij zicht op de hemel hebben. Sta stil
en bedek de GPS-antenne niet (het gemarkeerde gebied in de afbeelding). GPSsignalen kunnen door wolken en plastic dringen, maar niet door de meeste vaste
objecten, zoals gebouwen en bergen. Wordt uw locatie niet na enkele minuten
gevonden, ga dan ergens anders staan.
•Blader snel, bijvoorbeeld in een lijst of een webpagina. U kunt het bladeren
stoppen door op het scherm te tikken.
Het scherm in- of uitschakelen
Als uw apparaat is ingeschakeld en gedurende een bepaalde periode inactief is,
wordt het scherm gedimd en uitgeschakeld om batterijstroom te besparen. U kuntwijzigen hoe lang het scherm actief blijft voordat het wordt uitgeschakeld.
Als het scherm wordt uitgeschakeld, kan het apparaat vergrendeld of ontgrendeld
zijn,afhankelijk van de instelling van schermvergrendeling. Zie
Schermvergrendeling
Het scherm in- of uitschakelen
•Druk kort op de aan-uitknop
Opgeven na hoeveel tijd het scherm moet worden uitgeschakeld als de
telefoon niet wordt gebruikt
1Tik op Instellingen > Weergave > Slaapstand.
2Selecteer een optie.
op de pagina 12.
.
Slimme achtergrondverlichting
De slimme achtergrondverlichting houdt het scherm aan zolang u het apparaat in
uw hand houdt. Zodra u het apparaat neerlegt, schakelt het scherm uit
overeenkomstig de slaapinstelling.
De Slimme achtergrondverlichting in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Weergave > Smart-tegenlicht.
2Tik op de schuifregelaar om de functie in of uit te schakelen.
Startscherm
Het startscherm is het beginpunt voor het gebruik van uw apparaat. Het is
vergelijkbaar met het bureaublad op een computerscherm. Het aantal
deelvensters in het startscherm wordt aangegeven met een reeks stippen onder
aan het startscherm. De gemarkeerde stip toont het deelvenster dat momenteel
wordt weergegeven.
If Google Assistant is ingeschakeld, verschijnt het startschermpictogram als op de
navigatiebalk.
Overzicht van startscherm
1Welkom bij Xperia-widget: tik om de widget te openen en selecteer een taak zoals het kopiëren
van inhoud van het oude apparaat of het instellen van Xperia-services
2Stippen: geven het aantal deelvensters in het startscherm aan
Ga naar de startpagina
•Druk op
.
Door het startscherm bladeren
Deelvensters van het startscherm
U kunt nieuwe vensters toevoegen aan uw startscherm (maximaal twintig
vensters) en vensters verwijderen. U kunt ook instellen welk venster u als
hoofdvenster voor het startscherm wilt gebruiken.
Een deelvenster instellen als het hoofdvenster van het startscherm
1Houd een leeg gebied op uw startscherm aangeraakt tot het apparaat trilt.
2Veeg naar links of rechts om te bladeren naar het venster dat u wilt instellen
als uw hoofdvenster van het startscherm, tik vervolgens op
Als Google Feed is ingeschakeld, wordt het meest linkse deelvenster voor deze service
gereserveerd en kan het hoofdvenster van het startscherm niet worden gewijzigd. Voor
meer informatie zie
Google Feed
op pagina 111.
.
Een deelvenster toevoegen aan het startscherm
1Houd een leeg gebied op uw startscherm aangeraakt tot het apparaat trilt.
2Veeg helemaal naar rechts of naar links om door de deelvensters te bladeren
en tik vervolgens op
Als Google Feed is ingeschakeld, wordt het linkerdeelvenster voor deze service
gereserveerd en kunnen geen andere deelvensters meer aan de linkerkant worden
toegevoegd. Voor meer informatie zie
.
Google Feed
op pagina 111.
Een deelvenster verwijderen van de startpagina
1Houd een leeg gebied op uw startscherm aangeraakt tot het apparaat trilt.
2Veeg naar links of rechts om naar het deelvenster te gaan dat u wilt
verwijderen en tik op
rechtsboven in de hoek van het deelvenster.
Instellingen voor het startscherm
U kunt de Instellingen-snelkoppeling gebruiken om enkele basisinstellingen voor
het startscherm aan te passen. U kunt bijvoorbeeld de grootte van de
pictogrammen op het startscherm aanpassen.
Een applicatie uitschakelen of verwijderen uit het startscherm
Als u een vooraf geïnstalleerde app uitschakelt, worden alle gegevens
app opnieuw inschakelen via Instellingen > Apps en meldingen > App-info. Alleen
gedownloade apps kunnen volledig worden verwijderd.
verwijderd. U kunt de
1Tik en houd vast op de applicatie die u wilt verwijderen of uitschakelen. Deze
kan worden uitgeschakeld of verwijderd en
verschijnt.
2Tik op > Uitschakelen als de app vooraf op het apparaat is geïnstalleerd of
tik op
> OK als u de app zelf hebt gedownload en u deze wilt verwijderen.
1Houd een leeg gebied op uw startscherm aangeraakt tot het apparaat trilt.
2Tik op Raster en selecteer een grootte.
3Tik op TOEPASSEN.
De grootte van pictogrammen op het startscherm aanpassen
1Houd een willekeurig gebied op het startscherm aangeraakt totdat het
apparaat trilt en tik vervolgens op .
2Tik op Pictogramgrootte en selecteer vervolgens een optie.
Applicatiescherm
Het applicatiescherm, dat u opent vanuit het startscherm, bevat de applicaties die
vooraf op uw apparaat zijn geïnstalleerd en de applicaties die u hebt gedownload.
Alle applicaties op het applicatiescherm weergeven
1Tik op .
2Veeg naar links of rechts op het applicatiescherm.
U kunt recent weergegeven apps ook zoeken door in het applicatiescherm naar links te
vegen.
De lijsten met aanbevolen apps in- of uitschakelen
1Houd een leeg gebied op de startpagina aangeraakt en tik vervolgens op
2Tik op de schuifregelaar Aanbevelingen voor apps.
Een applicatie openen vanuit het applicatiescherm
•Als het applicatiescherm is geopend, veegt u naar links of rechts om de
applicatie te zoeken en tikt u vervolgens op de applicatie.
Vanuit het applicatiescherm naar een applicatie zoeken
1Wanneer het applicatiescherm is geopend, tikt u op Applicaties zoeken.
2Voer de naam in van de applicatie die u wilt zoeken.
U kunt applicaties ook zoeken door op het applicatiescherm naar rechts te vegen.
Applicaties rangschikken op het applicatiescherm
1Wanneer het applicatiescherm is geopend, tikt u op .
2Tik op Apps sorteren en selecteer vervolgens een optie.
Een applicatiesnelkoppeling toevoegen aan het startscherm
1Raak vanuit het applicatiescherm een applicatiepictogram aan en houd dit
vast totdat het scherm gaat trillen, sleep het pictogram vervolgens naar de
bovenkant van het scherm. Het startscherm wordt geopend.
2Sleep het pictogram naar de gewenste locatie op het startscherm en laat het
vervolgens los.
Een applicatie verplaatsen op het applicatiescherm
1Open het applicatiescherm en tik op .
2Zorg dat Eigen volgorde is geselecteerd onder Apps sorteren.
3Houd de applicatie aangeraakt tot het apparaat trilt. Sleep deze vervolgens
naar de nieuwe locatie.
Snelkoppelingen voor gemakkelijke bediening
Bij de app-pictogrammen bevinden zich snelkoppelingen waarmee u meteen
gedownloade apps kunt verwijderen of meer snelle opties kunt openen. Als u
bijvoorbeeld het Agendapictogram ingedrukt houdt, kunt u een nieuwe
gebeurtenis maken of een herinnering instellen. Alle apps hebben een
snelkoppeling naar App-info waar u meldingsinstellingen en toestemmingen kunt
aanpassen. Ga naar App-info door op
Snelkoppelingen voor gemakkelijke bediening gebruiken
1Houd het gewenste app-pictogram ingedrukt op het startscherm of op het
applicatiescherm.
2Kies uit de aanwezige opties: Tik bijvoorbeeld op
gaan of tik op
om de applicatie uit te schakelen of te verwijderen.
te tikken.
om naar App-info te
Tik op
voor meer opties als een -pictogram niet wordt weergegeven.
Een applicatie uitschakelen of verwijderen vanuit het applicatiescherm
Of een app kan worden verwijderd of uitgeschakeld is afhankelijk van de app en of deze op
de telefoon was voorgeïnstalleerd of gedownload. Gedownloade apps kunnen worden
verwijderd. Voorgeïnstalleerde apps kunnen niet worden verwijderd. Ze kunnen alleen
worden uitgeschakeld als de app dit ondersteunt. Als u een voorgeïnstalleerde app
uitschakelt, kunt u de app weer inschakelen vanaf Instellingen > Apps en meldingen > Appinfo.
1
Tik en houd vast op de applicatie die u wilt verwijderen of uitschakelen. Deze
kan worden uitgeschakeld of verwijderd en verschijnt.
2Tik op > Uitschakelen als de app vooraf op het apparaat is geïnstalleerd of
tik op
Tik op
> OK als u de app zelf hebt gedownload en u deze wilt verwijderen.
voor meer opties als een -pictogram niet wordt weergegeven.
Navigeren door applicaties
U kunt tussen applicaties navigeren met de navigatietoetsen en het venster met
onlangs gebruikte applicaties, waarmee u eenvoudig kunt schakelen tussen alle
onlangs gebruikte applicaties. De navigatietoetsen zijn de terug-toets, de
starttoets en de toets Recente apps. U kunt ook twee applicaties in één keer op het
scherm openen met de modus voor gesplitst scherm indien de applicatie de
functie voor meerdere schermen ondersteunt. Bepaalde applicaties worden
gesloten wanneer u op de starttoets
kunnen actief blijven op de achtergrond of kunnen worden onderbroken. Als de
applicatie wordt onderbroken of actief is op de achtergrond, kunt u, de volgende
keer wanneer u de applicatie opent, doorgaan waar u gebleven was.
1Alles wissen - Alle recent gebruikte applicaties sluiten.
2Venster met onlangs gebruikte applicaties – open een onlangs gebruikte applicatie
3Toets Recente apps – Open het venster met onlangs gebruikte applicaties en de favorietenbalk
4Starttoets – sluit een applicatie en ga terug naar het startscherm
5Terugtoets – ga terug naar het vorige scherm binnen een applicatie of sluit de applicatie
Het venster met onlangs gebruikte toepassingen openen
•Druk op .
Snel wisselen tussen recent gebruikte applicaties
•Druk snel twee keer op
.
Alle recentelijk gebruikte applicaties sluiten
•Druk op
en tik op ALLES WISSEN.
Een menu in een applicatie openen
•Druk terwijl u een applicatie gebruikt op of .
Niet in alle applicaties is een menu beschikbaar.
Modus voor gesplitst scherm
In de modus voor gesplitst scherm kunt u twee applicaties tegelijk weergeven,
bijvoorbeeld als u het postvak van uw e-mail en een webbrowser tegelijkertijd wilt
bekijken.
1Tik op of om het scherm naar links of naar rechts te schuiven.
2Versleep de horizontale strepen aan de rand van het scherm met een nieuwe
grootte om het scherm omhoog of omlaag te slepen.
3Pas de grootte van het scherm aan door de drie diagonale strepen te
verslepen aan de rand van het scherm met een nieuwe grootte.
Keer terug naar het volledige scherm door op te tikken.
Widgets
Widgets zijn kleine applicaties die u direct op uw startscherm kunt gebruiken. Ze
werken tevens als snelkoppelingen. Met de widget Weer kunt u bijvoorbeeld
basisinformatie over het weer direct op uw startscherm bekijken. Als u op de
widget tikt, wordt de volledige applicatie Weer geopend. U kunt meer widgets
downloaden via Google Play.
Een widget toevoegen aan het startscherm
1Raak een leeg gebied in het Startscherm aan en houd het even vast tot het
apparaat trilt. Tik vervolgens op Widgets.
2Tik op de widget die u wilt toevoegen.
De afmetingen van een widget wijzigen
1Raak een widget aan en houd deze even vast tot het apparaat trilt. Laat de
widget vervolgens los.
2Als de afmetingen van de widget kunnen worden veranderd, verschijnt de
optie Formaat wijzigen. Bijvoorbeeld van de widget Agenda kan het
formaat worden gewijzigd.
3Tik op Formaat wijzigen en versleep de punten om de widget kleiner of
groter te maken.
4Tik op een willekeurige plaats in het Startscherm om de nieuwe afmetingen
te bevestigen.
Een widget verplaatsen
•Houd de widget aangeraakt tot het apparaat trilt. Sleep deze vervolgens
naar de nieuwe locatie.
Een widget verwijderen
•Houd de widget aangeraakt tot het apparaat trilt. Sleep deze vervolgens
naar Verwijderen van startscherm.
Snelkoppelingen en mappen
Gebruik snelkoppelingen en mappen voor het beheren van uw applicaties en om
uw startscherm overzichtelijk te houden.
Een applicatiesnelkoppeling toevoegen aan het startscherm
1Raak een leeg gebied in het Startscherm aan en houd het even vast tot het
apparaat trilt.
2Tik in het instelmenu op Widgets > Snelkoppelingen.
3Blader door de lijst en selecteer een applicatie. De geselecteerde applicatie
wordt toegevoegd aan het Startscherm.
Een item op het startscherm verplaatsen
•Houd het item aangeraakt tot het apparaat trilt. Sleep het item vervolgens
naar de nieuwe locatie.
Een item van de startpagina verwijderen
•Houd het item aangeraakt tot het apparaat trilt. Sleep het item vervolgens
naar Verwijderen van startscherm boven aan het scherm.
Een map op het startscherm maken
•Houd het pictogram of de snelkoppeling van een applicatie aangeraakt tot
het apparaat trilt; sleep het vervolgens naar het pictogram of de
snelkoppeling van een andere applicatie.
Items toevoegen aan een map op het startscherm
•Houd een item aangeraakt tot het apparaat trilt. Sleep het item vervolgens
naar de map.
Een map op het startscherm hernoemen
1Tik op de map om deze te openen.
2Tik op de titelbalk van de map om het veld Mapnaam weer te geven.
3Voer de naam van de nieuwe map in en tik op GEREED.
Achtergrond en thema's
Het apparaat heeft een standaardachtergrond, maar u kunt het startscherm en het
vergrendelingsscherm aanpassen aan uw eigen stijl met achtergronden en
thema's met verschillende kleuren en patronen.
U kunt een achtergrond gebruiken zonder de andere elementen van het
startscherm en vergrendelingsscherm te veranderen. Live achtergronden voegen
visuele eecten toe aan interacties met het touchscreen, waardoor het scherm
dynamisch verandert.
Thema's kunnen een achtergrond, schermbeveiliging, titelbalken en een
geluidsschema bevatten die bij elkaar passen en uw apparaat een unieke look en
feel geven.
De achtergrond veranderen
1Raak een leeg gebied in het Startscherm aan en houd vast tot het apparaat
trilt.
2Tik op Achtergrond.
3Selecteer de achtergrond en tik op TOEPASSEN om dezelfde achtergrond te
selecteren voor het vergrendelingsscherm en startscherm. Tik eerst op de
voorbeeldweergave van het vergrendelingsscherm of het startscherm om
verschillende achtergronden in te stellen. Kies een achtergrond voor dat
scherm en tik op SELECTEREN > TOEPASSEN.
U kunt ook een foto als achtergrond gebruiken. In plaats van een achtergrond te selecteren
uit de weergegeven opties, tikt u op Foto's. Kies een foto en tik op SELECTEREN >
TOEPASSEN.
Een thema instellen
1Raak een leeg gebied in het Startscherm aan en houd het even vast tot het
apparaat trilt.
2Tik op Thema´s.
3Kies een optie:
•Voor een bestaand thema, selecteert u het thema en tikt u op THEMA
TOEPASSEN.
•Download een nieuw thema door op MEER THEMA'S DOWNLOADEN te
tikken.
Als u een thema wijzigt, wordt ook de achtergrond in sommige applicaties gewijzigd.
Een screenshot maken
U kunt stilstaande beelden maken van een scherm op uw apparaat als screenshot.
Screenshots worden automatisch opgeslagen in de applicatie Album.
Een schermafbeelding maken
1Houd de aan-uitknop
lang ingedrukt totdat een venster verschijnt.
2Tik op .
U kunt ook een schermafbeelding maken door de aan-uitknop en de toets voor volume
omlaag tegelijkertijd ingedrukt te houden.
De schermafbeelding weergeven
1Dubbeltik op de statusbalk om het Gedeelte voor meldingen te openen.
2Tik op de screenshot.
Meldingen
Meldingen brengen u op de hoogte van gebeurtenissen zoals nieuwe berichten en
agendameldingen evenals lopende activiteiten zoals downloads. Meldingen
verschijnen op:
1Sleep de statusbalk omlaag om het gedeelte voor meldingen te openen of
dubbeltik op de statusbalk.
2Sleep het venster omhoog om het gedeelte voor meldingen te sluiten.
Na het openen van het gedeelte voor meldingen, kunt u het deelvenster Snelle instellingen
openen door de statusbalk opnieuw omlaag te slepen.
Reageren op een melding in het gedeelte voor meldingen
•Tik op de melding.
U kunt rechtstreeks op e-mail- of chatberichten reageren in het gedeelte voor meldingen.
Een melding verwijderen uit het gedeelte voor meldingen
•Veeg de melding naar links of rechts.
Niet alle meldingen kunnen worden verwijderd.
Als u een melding in de sluimerstand wilt zetten, sleept u de melding langzaam naar de
zijkant en tikt u op . Meldingen kunnen 15 of 30 minuten of 1 of 2 uur lang sluimeren.
Een melding in het gedeelte voor meldingen vergroten
•Tik op voor meer informatie over de melding zonder de app te openen.
Niet alle meldingen kunnen worden vergroot.
Alle meldingen in het gedeelte voor meldingen wissen
•Tik op ALLES WISSEN.
In geval van een lange
lijst meldingen schuift u omlaag naar de knop ALLES WISSEN.
Reageren op een melding in het vergrendelingscherm
•Dubbeltik op de melding.
Een melding uit het vergrendelingscherm verwijderen
Opties voor weergave van meldingen op het
vergrendelingsscherm
Helemaal geen
meldingen
weergeven
Content van alle
meldingen
weergeven
Content van
gevoelige
meldingen
verbergen
U krijgt geen meldingen op het vergrendelscherm.
Alle meldingen op het vergrendelingsscherm weergeven. Als deze instelling is
ingeschakeld, moet u er rekening mee houden dat alle inhoud (inclusief de
inhoud van binnenkomende e-mails en chatberichten) zichtbaar is op het
vergrendelingsscherm, behalve wanneer u de betreende apps in het menu
Apps en meldingen-instellingen aanmerkt als Gevoelige inhoud verbergen.
Een pincode, wachtwoord of patroon moet zijn ingesteld als
schermvergrendeling om deze instelling beschikbaar te maken. Content
verborgen wordt weergegeven op het vergrendelingsscherm als er gevoelige
berichten binnenkomen. U krijgtbijvoorbeeld een melding voor een
binnenkomende e-mail of chat, maar de inhoud is niet zichtbaar op uw
vergrendelingsscherm.
De meldingen selecteren voor weergave op het vergrendelingsscherm
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > Meldingen configureren.
2Tik op Meldingen weergeven.
3Selecteer een optie.
Meldingen kunnen op het vergrendelingsscherm blijven staan tenzij u ze verwijdert door te
vegen. Tik op de Meldingen vergrendelings-scherm behouden-schuifregelaar om deze
functie in te schakelen.
Het meldingniveau van een app instellen
Meldingspunt toestaan
Geef meldingspunten weer.
Geluid toestaanSta alle meldingen toe van de geselecteerde app.
Meldingen weergevenGeef alle meldingen op het vergrendelingsscherm weer of verberg
Onderbrekingen alleen met
prioriteit
alle meldingen.
Ontvang meldingen van deze app zelfs als Niet storen is ingesteld op
Alleen prioriteit.
U kunt meldingskanalen instellen om meldingsniveaus te categoriseren. Druk lang op een
melding om de meldingscategorieën te wijzigen.
Het meldingsniveau voor een app instellen
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > App-info.
2Selecteer de gewenste app en tik op App-meldingen.
3Tik op de schuifregelaars om de gewenste meldingsinstellingen aan te
passen.
Meldingslampje
Het meldingslampje informeert u over de batterijstatus en een aantal andere
zaken. Een wit knipperend lampje betekent bijvoorbeeld dat er een nieuw bericht
of een gemist gesprek is. Het meldingslampje is standaard ingeschakeld maar u
kunt het handmatig uitschakelen.
Als het meldingslampje is uitgeschakeld, gaat het alleen branden bij een waarschuwing
voor de batterijstatus,bijvoorbeeld als het energieniveau lager is dan 15 procent.
Het meldingslampje in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > Meldingen configureren.
2Tik op de schuifregelaar naast Knipperend licht om de functie in of uit te
schakelen.
Pictogrammen in de statusbalk
Statuspictogrammen
Geen SIM-kaart
Signaalsterkte
Geen signaal
Roaming
LTE-gegevens worden verzonden en gedownload
GPRS-gegevens worden verzonden en gedownload
EDGE-gegevens worden verzonden en gedownload
3G-gegevens worden verzonden en gedownload
HSPA+-gegevens worden verzonden en gedownload
Mobiele data is uitgeschakeld
Een Wi-Fi-verbinding wordt ingeschakeld en er worden gegevens
verzonden
Er is een Wi-Fi-verbinding ingeschakeld maar er is geen internetverbinding.
Dit pictogram wordt ook weergegeven wanneer u probeert verbinding te
maken met een beveiligd Wi-Fi-netwerk of netwerk met een
toegangspagina. Nadat u bent ingelogd, verdwijnt het kruisje.
Als Google in uw regio is geblokkeerd, kan het kruisje zelfs worden
weergegeven als u verbinding maakt met een Wi-Fi-netwerk en er een
werkende internetverbinding is.
Afhankelijk van uw serviceprovider, netwerk of regio zijn bepaalde functies of services die
door sommige pictogrammen in deze lijst worden vertegenwoordigd, mogelijk niet
beschikbaar.
Pictogrammen in de statusbalk beheren
1Tik vervolgens op Instellingen > Weergave > Systeempictogrammen.
2Markeer de selectievakjes voor de systeempictogrammen die u in de
statusbalk wilt weergeven.
Meldingspictogrammen
Nieuw sms-bericht of mms-bericht
Lopend gesprek
Gemist gesprek
Gesprek in de wacht
Apparaat met enkele SIM-kaart: Oproepen doorschakelen is ingeschakeld
Apparaat met dubbele SIM-kaart: Oproepen doorschakelen is ingeschakeld
Nieuw voicemailbericht
Nieuw e-mailbericht
Gegevens worden gedownload
Gegevens worden geüpload
Mobiele data is uitgeschakeld
Een basisinstallatie van uw apparaat uitvoeren
Er is een software-update beschikbaar
Er zijn systeemupdates beschikbaar
Systeemupdates worden gedownload
Tikken om de gedownloade systeemupdates te installeren
STAMINA-modus is geactiveerd
Ultra STAMINA-modus is geactiveerd
Batterijonderhoud is geactiveerd
Screenshot gemaakt
Videochatten met vrienden met de Duo™-applicatie
Er wordt een nummer afgespeeld
Het apparaat is via een USB-kabel met een computer verbonden
Intern geheugen is 75% vol; tik om gegevens op geheugenkaart over te
brengen
Niet alle pictogrammen die op uw apparaat kunnen verschijnen,zijn hier vermeld. Deze lijst
dient slechts als leidraad, en er kunnen wijzigingen worden aangebracht zonder
voorafgaande kennisgeving.
Een applicatie verhinderen notificaties te verzenden
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > Meldingen configureren >
Meldingen.
2Selecteer een applicatie.
3Tik op de schuifregelaar naast Aan om meldingen voor applicaties te
blokkeren.
Overzicht van applicaties
Gebruik de applicatie Album om uw foto's en video's te beheren, bekijken
en bewerken.
Gebruik de applicatie Amazon Shopping om te zoeken in en bladeren door
duizenden producten en koop deze rechtstreeks vanaf uw apparaat.
Gebruik de applicatie Amazon Kindle om boeken te zoeken, kopen en lezen
op uw apparaat.
Gebruik de applicatie AVG Protection Pro om uw apparaat te beveiligen
tegen virussen, malware, spyware, phishing-aanvallen en onlinemisbruik.
Gebruik de applicatie Rekenmachine om eenvoudige berekeningen uit te
voeren.
Gebruik de applicatie Agenda om gebeurtenissen bij te houden en uw
afspraken te beheren.
Gebruik de camera om foto's te maken en videoclips op te nemen.
Gebruik de Chrome-webbrowser om te navigeren, webpagina's, tekst en
afbeeldingen weer te geven en om favorieten te beheren.
Gebruik de applicatie Klok om verschillende alarmen en timers in te stellen.
Gebruik de applicatie Contacten om telefoonnummers, e-mailadressen en
andere contactgegevens te beheren.
Gebruik de applicatie Google Docs om documenten te maken, te bewerken
en samen met anderen aan documenten te werken.
Gebruik de applicatie Google Drive om uw documenten en bestanden op
te slaan zodat ze eenvoudig toegankelijk zijn vanaf een willekeurig
apparaat, ze met familie en vrienden te delen en om samen te werken met
collega's.
Gebruik de applicatie Duo om online met vrienden te chatten.
Gebruik de applicatie Bestanden om gedownloade applicaties,
documenten en foto's te openen.
Blader door en luister naar FM-radiozenders.
Gebruik de applicatie E-mail om e-mails te verzenden en ontvangen via
persoonlijke en zakelijke accounts.
Gebruik de applicatie Facebook™ om wereldwijd deel te nemen aan
sociale netwerken met vrienden, familie en collega's.
Gebruik de applicatie Gmail om e-mailberichten te lezen, te schrijven en te
ordenen.
Zoek naar informatie op uw apparaat en op internet.
Geniet van muziek, films, apps en games op uw apparaat en krijg exclusief
toegang tot unieke inhoud die alleen beschikbaar is voor Xperia-apparaten.
Bekijk uw huidige locatie, zoek andere locaties en plan routes met Google
Maps.
Gebruik de applicatie Berichten om sms- en mms-berichten te verzenden
en ontvangen.
Movie Creator maakt automatisch korte videocollages op basis van foto's
en video's uit uw bestaande verzameling.
Gebruik de applicatie Muziek om muziek en audioboeken te ordenen en af
te spelen.
Bekijk nieuws van News Suite.
Voer telefoongesprekken door het nummer handmatig in te voeren of door
middel van de functie Smart Dial.
Zoek of blader door al uw foto's en video's of orden ze.
Gebruik de applicatie Google Play Movies & TV om films en tvprogramma's te bekijken die u op Google Play hebt gekocht of gehuurd.
Met de applicatie Google Play Music ontdekt u duizenden nummers en
kunt u deze afspelen.
Met de applicatie Play Store zoekt u applicaties die u kunt kopen of gratis
kunt downloaden.
Blijf verbonden met uw gamevrienden en de games die u graag speelt, ga
winkelen in de PlayStation®Store en meer.
Optimaliseer de instellingen naar eigen inzicht.
Gebruik de applicatie Google Sheets om spreadsheets te maken, te
bewerken en samen met anderen aan spreadsheets te werken.
Gebruik de applicatie Schets om afbeeldingen te maken en te verkennen
en deze te delen met uw vrienden.
Gebruik de applicatie Google Slides om presentaties te maken, te
bewerken en samen met anderen aan presentaties te werken.
Gebruik de applicatie Ondersteuning voor gebruikersondersteuning op uw
apparaat. Zo krijgt u bijvoorbeeld toegang tot de gebruikershandleiding,
informatie over het oplossen van problemen, en tips en trucs.
Gebruik de applicatie Video en TV SideView om video's op uw apparaat af
te spelen en inhoud te delen met uw vrienden.
Gebruik de applicatie Video om video's op uw apparaat af te spelen en
inhoud te delen met uw vrienden.
Gebruik de applicatie Weer om de weersvoorspelling te bekijken.
Gebruik de applicatie What's New om nieuwe games, apps en mediainhoud te ontdekken.
•De synchronisatie-instellingen wijzigen voor e-mail, kalender en contacten. Zie
Synchroniseren met onlineaccounts
op pagina 57.
•Controleer welke applicaties een hoog batterijverbruik hebben en lees de tips over
batterijbesparing voor deze applicaties op dit apparaat.
•Het meldingsniveau voor een applicatie wijzigen. Zie
Meldingen
op pagina 30.
•Schakel de toestemming voor het delen van locaties voor een applicatie uit. Zie
Applicatie-instellingen
•Verwijder applicaties die u niet gebruikt. Zie
op pagina 63.
Applicatiescherm
op pagina 24.
•Gebruik een originele headset van Sony om naar muziek te luisteren. Handsfree-
apparaten verbruiken minder energie dan de luidsprekers van het apparaat.
•Start het apparaat af en toe opnieuw op.
Specifieke applicaties van optimalisatie uitsluiten
1Tik op Instellingen > Batterij.
2Tik op
en selecteer Energiebesparende uitzonderingen. U ziet een lijst
met applicaties die niet zijn geoptimaliseerd.
3Als u applicaties aan de lijst wilt toevoegen of uit deze lijst met
uitzonderingen wilt verwijderen, tikt u op APPS en selecteert of deselecteert
u een applicatie in de lijst om de uitsluitingsinstellingen aan te passen.
4De lijst met applicaties die niet worden geoptimaliseerd, wordt conform uw
aanpassingen bijgewerkt.
U kunt Energiebesparende uitzonderingen ook configureren vanuit Instellingen > Apps en
meldingen > Geavanceerd > Speciale apptoegang > Energiebesparende functie.
STAMINA-modus
Afhankelijk van het STAMINA-niveau kunnen bepaalde functies zijn beperkt of
uitgeschakeld om de batterij te sparen. Dit zijn de functies voor het weergeven van
de prestaties, animatie en helderheid van het scherm, het verbeteren van
afbeeldingen, het synchroniseren van achtergrondgegevens van apps, trillen
(behalve bij inkomende gesprekken), streamen en GPS (als het scherm uit is).
verschijnt op de statusbalk.
Als u een apparaat met meerdere gebruikers deelt, moet u zich wellicht aanmelden als de
eigenaar, d.w.z. de primaire gebruiker, om de STAMINA-modus in of uit te schakelen.
STAMINA-modus activeren of deactiveren
1Tik op Instellingen > Batterij.
2Tik op STAMINA-modus en vervolgens op de schuifregelaar om de functie
te activeren of deactiveren. Als STAMINA-modus is geactiveerd, kunt u extra
opties kiezen, bijvoorbeeld het percentage Automatisch starten aanpassen.
In het menu Energiebesparende uitzonderingen kunt u aangeven welke applicaties niet
door de STAMINA-modus worden beperkt.
Ultra STAMINA-modus
De gebruikstijd van de batterij wordt aanzienlijk verlengd, maar apps worden
ingeperkt en mobiele data en Wi-Fi worden uitgeschakeld. U kunt nog steeds
bellen en sms'en. Het startscherm wordt gewijzigd en
weergegeven.
Als u een apparaat met meerdere gebruikers deelt, moet u zich wellicht aanmelden als de
eigenaar, d.w.z. de primaire gebruiker, om de Ultra STAMINA-modus in of uit te schakelen.
Ultra-STAMINA-modus activeren
1Tik op Instellingen > Batterij.
2Tik op Ultra STAMINA-modus en vervolgens op Activeren.
3Tik op OK.
wordt in de statusbalk
U kunt applicaties niet uitsluiten voor optimaliseren door de Ultra STAMINA-modus.
1Sleep de statusbalk omlaag om het gedeelte voor meldingen te openen.
2Tik op de melding Ultra STAMINA-modus actief.
3Tik op OK.
Als u Ultra STAMINA-modus deactiveert, wordt het apparaat opnieuw opgestart.
Batterijonderhoud
Batterijonderhoud gebruiken om de levensduur van de batterij te verlengen. Deze
functie detecteert uw oplaadritme en schat de begin- en eindtijden van uw
normale oplaadperiode. Vervolgens wordt de oplaadsnelheid zodanig geregeld
dat de batterij net voordat u de lader loskoppelt, volledig is opgeladen.
Batterijonderhoud regelt de oplaadsnelheid pas wanneer een regelmatige oplaadcyclus van
minstens vier uur in een periode van een aantal dagen is gedetecteerd.
Batterijonderhoud in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Batterij > Batterijverzorging.
2Tik op de schuifregelaar om Batterijverzorging in of uit te schakelen.
Aangeleerde patronen van de regelmatige oplaadcyclus worden opgeslagen door
Batterijonderhoud. Zelfs als de functie is uitgeschakeld, neemt deze na inschakelen de
geleerde patronen over.
Uw apparaat bijwerken
Werk de software van uw apparaat bij voor de nieuwste functies, verbeteringen en
bugfixes, zodat het apparaat optimaal functioneert. Als er een software-update
beschikbaar is, wordt op de statusbalk weergegeven. U kunt ook handmatig
controleren of er nieuwe updates zijn of een update inplannen.
De eenvoudigste manier om een software-update te installeren, is draadloos vanaf
uw apparaat. Sommige updates kunnen echter niet draadloos worden
gedownload. In dat geval gebruikt u de Xperia Companion-software op een pc of
op een Mac-computer om uw apparaat bij te werken.
Denk om het volgende voordat u het apparaat bijwerkt:
•Zorg dus voor voldoende opslagruimte voordat u het apparaat bijwerkt.
•Als u een apparaat met meerdere gebruikers deelt, moet u inloggen als de
eigenaar, d.w.z. de primaire gebruiker, om het apparaat te updaten.
•Updates voor het systeem en de applicatie kunnen de apparaatfuncties op een
andere manier weergeven dan in deze gebruikershandleiding wordt beschreven.
De Android-versie wordt door een update wellicht niet beïnvloed.
Ga voor meer informatie over software-updates naar
support.sonymobile.com/software/
.
Controleren op nieuwe software
1Gebruikt u een apparaat met meerdere gebruikers, zorg er dan voor dat u
bent aangemeld als de eigenaar.
2Tik op Instellingen > Systeem > Software-update.
http://
Als uw Xperia-apparaat minder dan 500 MB intern geheugen beschikbaar heeft, ontvangt u
geen meldingen over nieuwe software. In plaats daarvan ontvangt u een waarschuwing in
het meldingsvenster: “Onvoldoende opslagruimte. Enkele systeemfuncties functioneren
wellicht niet.” Als u deze melding ontvangt, moet u eerst ruimte in het interne geheugen
vrijmaken voordat u meldingen ontvangt over nieuwe beschikbare software.
Het apparaat draadloos bijwerken
Gebruik de applicatie voor software-updates om de apparaatsoftware draadloos
bij te werken. Welke updates u kunt downloaden via een mobiel netwerk is
afhankelijk van uw provider. We raden u aan voor het downloaden van nieuwe
software een Wi-Fi-netwerk te gebruiken in plaats van een mobiel netwerk, om
extra kosten voor dataverkeer te voorkomen.
Een systeemupdate installeren
1Deelt u een apparaat met meerdere gebruikers, zorg er dan voor dat u bent
aangemeld als de eigenaar.
2Tik op Instellingen > Systeem > Software-update.
3Als een systeemupdate beschikbaar is, tikt u op DOORGAAN en vervolgens
op NU INSTALLEREN.
Een systeemupdate inplannen
1Deelt u een apparaat met meerdere gebruikers, zorg er dan voor dat u bent
aangemeld als de eigenaar.
2Tik op Instellingen > Systeem > Software-update.
3Als een systeemupdate beschikbaar is, tikt u op DOORGAAN en vervolgens
op de schuifregelaar Installatie plannen.
4Tik op OK > Tijd instellen.
5Stel de gewenste tijd in voor de software-update en tik op OK.
6Het apparaat wordt op de ingestelde tijd automatisch bijgewerkt.
Het automatisch downloaden van systeemupdates instellen
1Tik op Instellingen > Systeem > Software-update.
2Tik op
en vervolgens op Instellingen > Systeemupdates automatisch
downloaden.
3Selecteer de gewenste optie.
Automatisch bijwerken van alle applicaties in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Systeem > Software-update.
2Tik op
en vervolgens op Instellingen > Apps automatisch bijwerken.
3Selecteer de gewenste optie.
Uw apparaat bijwerken met een computer
1Sluit het apparaat aan op de computer via een USB Type-C-kabel.
2Zorg dat het scherm van uw apparaat ontgrendeld is en dat de USB-
verbindingsmodus op het apparaat is ingesteld op Bestanden overzetten.
3Open Xperia Companion als dit nog niet automatisch is gestart.
4Controleer of de computer verbinding maakt met internet.
5Computer: Als er een nieuwe software-update wordt gedetecteerd, wordt
een pop-upvenster weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm om
de relevante software-updates uit te voeren.
Als de Xperia Companion-software niet op de betreende computer is geïnstalleerd, sluit u
uw apparaat aan op de computer en volgt u de installatie-instructies op het scherm.
Gebruik alleen de USB Type-C-kabel die met uw apparaat is meegeleverd en zorg ervoor dat
deze correct is aangesloten op het apparaat en de computer.
Onderhoud met behulp van een computer
Xperia Companion
Xperia Companion is een softwaredienst met een aantal functies en applicaties die
u kunt gebruiken als u uw apparaat met behulp van een USB-kabel op een
computer aansluit. Met Xperia Companion kunt u:
•De software van uw apparaat bijwerken of repareren.
•Inhoud vanaf een ouder apparaat overbrengen met behulp van Xperia Transfer.
•Inhoud back-uppen en herstellen op de computer.
•Multimediabestanden, zoals foto's, video's, muziek en afspeellijsten, tussen uw
•Het interne geheugen is de opslag voor gedownloade of overgedragen content en
voor persoonlijke instellingen en gegevens.
•Voor meer opslagruimte kunt u een verwisselbare geheugenkaart gebruiken.
Mediabestanden kunnen worden verplaatst naar dit type geheugen om intern
geheugen vrij te maken.
•Het dynamische geheugen (RAM) kan niet voor opslag worden gebruikt. RAM
wordt gebruikt als werkgeheugen voor applicaties en voor het besturingssysteem.
Een geheugenkaart is apart verkrijgbaar.
Lees meer over het gebruik van geheugen in Android apparaten door het
informatiedocument ('White Paper') te downloaden voor uw apparaat op
www.sonymobile.com/support/
.
Geheugenprestaties verbeteren
Het apparaatgeheugen raakt bij normaal gebruik langzaam vol. Als het apparaat
trager wordt of als applicaties plotseling worden afgesloten, kunt u het volgende
doen:
•Zorg er altijd voor dat er minstens 500 MB vrij intern geheugen beschikbaar is.
•Sluit applicaties af als u ze niet gebruikt.
•Wis het cachegeheugen voor alle applicaties.
•Verwijder gedownloade applicaties die u niet gebruikt.
•Verplaats applicaties naar de geheugenkaart als de interne opslag vol is.
•Verplaats foto's, video's en muziek van het interne geheugen naar de
geheugenkaart.
•Als uw apparaat de content op de geheugenkaart niet kan lezen, moet u de kaart
wellicht formatteren. Bij het formatteren wordt alle inhoud op de geheugenkaart
gewist.
Als u een apparaat met meerdere gebruikers deelt, moet u zich als eigenaar aanmelden,
oftewel de primaire gebruiker, om bepaalde handelingen te kunnen verrichten zoals het
overzetten van gegevens naar de geheugenkaart en het formatteren van de
geheugenkaart.
De geheugenstatus weergeven
•Ga naar en tik op Instellingen > Opslagruimte.
Het cachegeheugen van alle applicaties wissen
1Tik op Instellingen > Opslagruimte.
2Tik op Andere apps en tik op de gewenste applicatie.
3Tik op CACHE WISSEN.
Als u het cachegeheugen wist, verliest u geen belangrijke gegevens of instellingen.
Mediabestanden naar de geheugenkaart overbrengen
1Zorg dat er een geheugenkaart in het apparaat is geplaatst.
2Tik op Instellingen > Opslagruimte > Data overbrengen naar SD-kaart.
3Markeer de bestanden die u naar de geheugenkaart wilt overbrengen.
4Tik op Overbrengen.
Applicaties en services stoppen
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > App-info.
2Selecteer een applicatie of service en tik op NU STOPPEN > OK.
De geheugenkaart formatteren
1Tik op Instellingen > Opslagruimte.
2Tik op SD-kaart >
en vervolgens op Instellingen voor opslag >
Formatteren > Wissen en formatteren.
Bij
het formatteren wordt alle inhoud op de geheugenkaart gewist. Maak eerst een back-up
van alle gegevens die u wilt behouden. Als u een back-up van de inhoud wilt maken, kunt u
deze naar een computer kopiëren. Zie voor meer informatie
computer
op de pagina 43.
Bestanden beheren met een
Smart Cleaner
Met Slimme wisser kunt u de apparaatprestaties verbeteren door de opslagruimte
en het geheugen automatisch te optimaliseren afhankelijk van hoe vaak u een app
gebruikt.
Smart Cleaner in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Helpen.
2Tik op Slimme wisser en vervolgens op de schuifregelaar om de functie in
of uit te schakelen.
U kunt bestanden ook handmatig wijzigen, kopiëren of verwijderen door op de applicatie
Bestanden te tikken.
Back-up maken van inhoud en inhoud herstellen
In het algemeen kunt u foto's, video's en andere persoonlijke gegevens beter niet
alleen op het interne geheugen van uw toestel opslaan. Als uw toestel beschadigd
raakt, zoek raakt of wordt gestolen, is het wellicht niet meer mogelijk om de
gegevens op het interne geheugen van het toestel te herstellen. Het wordt
aanbevolen om Xperia Companion te gebruiken om back-ups te maken die uw
gegevens veilig op een ander apparaat opslaan. Deze methode wordt in het
bijzonder aanbevolen als u de software van uw apparaat bijwerkt naar een
nieuwere Android-versie.
We raden aan de applicatie Xperia Back-up maken en herstellen te gebruiken als u
een back-up van gegevens wilt maken voordat u de standaardinstellingen herstelt.
Met deze applicatie kunt u een back-up maken van gegevens in een
onlineaccount, op een SD-kaart of op een extern USB-opslagapparaat dat u door
middel van de USB-hostadapter op uw apparaat hebt aangesloten.
Met de applicatie Google Backup & restore kunt u een back-up maken van
gegevens op een server van Google.
Een gegevensback-up maken naar een computer
Gebruik de applicatie Xperia™ Companion om vanaf uw apparaat een
gegevensback-up naar een pc of een Apple ® Mac®-computer te maken. U kunt een
back-up maken van de volgende gegevenstypen:
•Gesprekkenlijsten
•SMS-berichten
•Agenda
•Instellingen
•Mediabestanden, zoals muziek en video's
•Foto's en afbeeldingen
Een back-up van uw gegevens maken met een computer
1Ontgrendel het scherm van het apparaat en sluit het apparaat op de
computer aan via een USB Type-C-kabel.
2Open de Xperia™ Companion-software op de computer als deze nog niet
automatisch is gestart. Na enkele ogenblikken herkent de computer uw
apparaat. Selecteer de Bestanden overzetten-modus op uw apparaat.
3Klik op Back-up in het hoofdscherm van Xperia™ Companion.
4Volg de instructies op het scherm om een back-up te maken van gegevens
op uw apparaat.
Als Xperia™ Companion niet is geïnstalleerd, installeert u dit als u het apparaat op de
computer aansluit.
1Ontgrendel het scherm van het apparaat en sluit het apparaat op de
computer aan via een USB Type-C-kabel.
2Open de Xperia Companion-software op de computer als deze nog niet
automatisch is gestart. Na enkele ogenblikken herkent de computer uw
apparaat. Selecteer de Bestanden overzetten-modus op uw apparaat.
3Klik op
4Selecteer een back-upbestand in de back-upgegevens, klik op Volgende en
volg de instructies op het scherm om gegevens op uw apparaat terug te
zetten.
Als Xperia Companion niet is geïnstalleerd, wordt gevraagd om dit te installeren als u het
apparaat op de computer aansluit.
Herstellen
in het hoofdscherm van Xperia Companion.
Een back-up maken van gegevens met de applicatie Xperia Backup maken en herstellen
Met de applicatie Xperia Back-up maken en herstellen kunt u een online back-up
of een lokale back-up maken van gegevens. U kunt dit handmatig uitvoeren of de
automatische back-upfunctie inschakelen, zodat uw gegevens regelmatig worden
opgeslagen.
We raden dat u uw gegevens back-upt met de applicatie Xperia Back-up maken en
herstellen voordat u de standaardinstellingen herstelt. Met deze applicatie kunt u
een back-up maken van de volgende gegevens in een onlineaccount, op een SDkaart of op een extern USB-opslagapparaat dat u door middel van de USBhostadapter op uw apparaat hebt aangesloten:
•Contacten
•Gesprekken
•Gesprekkenlijst
•Agenda
•E-mailaccounts
•Wi-Fi-accounts
•Apparaatinstellingen
•Applicaties
•Indeling Xperia-startscherm
De automatische back-upfunctie instellen
1Als u een back-up wilt maken op een USB-opslagapparaat, moet u ervoor
zorgen dat het opslagapparaat met een USB-hostadapter op uw apparaat is
aangesloten. Als u een back-up wilt maken op een SD-kaart, moet u zorgen
dat de SD-kaart goed in het apparaat is geplaatst. Als u een back-up wilt
maken in een onlineaccount, moet u ervoor zorgen dat u bent aangemeld bij
uw account.
2Tik op Instellingen > Systeem.
3Tik op Back-up en herstel van Xperia™ > Automatische back-up.
4Tik op de schuifregelaar om de automatische back-upfunctie in te schakelen.
5Geef aan waar de back-upbestanden worden opgeslagen.
6Indien gewenst, selecteert u een frequentie voor de back-up, het tijdstip van
de back-up en de gegevens waarvan een back-up moet worden gemaakt.
Als u dit niet instelt, wordt de back-up uitgevoerd volgens de
standaardinstellingen.
1Als u een back-up maakt op een SD-kaart, zorg dan dat de SD-kaart goed in
het apparaat is geplaatst. Als u een back-up wilt maken in een
onlineaccount, moet u ervoor zorgen dat u bent aangemeld bij uw Googleaccount.
2Tik op Instellingen > Systeem > Back-up en herstel van Xperia™.
3Tik op Meer.
4Tik op Handmatige back-up en selecteer vervolgens een back-uplocatie en
de gegevens waarvan u een back-up wilt maken.
5Tik op BACK-UP MAKEN.
6Tik op Voltooien als de back-up klaar is.
Een back-upbestand bewerken
1Tik op Instellingen > Systeem.
2Tik onder Back-up en herstel van Xperia™ op Meer.
3Tik op Back-upbestand bewerken en selecteer een bronlocatie voor de
back-up en het type gegevens dat u wilt verwijderen.
4Tik op Gegevens verwijderen.
5Tik op OK om te bevestigen.
6Tik op Voltooien als de gegevens zijnverwijderd.
Back-ups van inhoud herstellen
1Als u inhoud van een USB-opslagapparaat wilt herstellen, moet u ervoor
zorgen dat het opslagapparaat door middel van de USB-hostadapter op uw
apparaat is aangesloten. Als u inhoud herstelt vanaf een SD-kaart, moet u
ervoor zorgen dat de SD-kaart correct in het apparaat is geplaatst. Als u
inhoud herstelt via de service Xperia Back-up maken en herstellen, zorgt u
dat u bij uw Google-account bent aangemeld.
2Tik op Instellingen > Systeem > Back-up en herstel van Xperia™.
3Tik op Gegevens herstellen en selecteer een herstelbron en de gegevens
die u wilt herstellen.
4Tik op Gegevens herstellen.
5Tik op Voltooien wanneer de inhoud is hersteld.
Houd er rekening mee dat alle wijzigingen die u in uw gegevens en instellingen aanbrengt
nadat u een back-up hebt gemaakt (zoals nieuwe apps die u installeert), tijdens een
daaropvolgende herstelprocedure worden verwijderd.
Een back-up maken van gegevens met de applicatie Google
Backup & restore
Met de applicatie Google Backup & restore kunt u een back-up van gegevens
maken op een server van Google. U kunt ook de automatische herstelfunctie
inschakelen om applicatiegegevens en -instellingen te herstellen als u een
applicatie opnieuw installeert.
Met deze applicatie kunt u een back-up maken van de volgende gegevenstypen:
•Applicaties
•Bladwijzers
•Wi-Fi-netwerken
•Andere instellingen
Een back-up maken in een Google-account
1Tik op Instellingen > Systeem > Back-up.
2Tik bij Back-up maken op Google Drive op Account om het account te
Google Play is de ociële onlinewinkel van Google voor het downloaden van
applicaties, spelletjes, muziek, films en boeken. Het bevat zowel gratis als betaalde
applicaties. Voordat u begint met downloaden van Google Play, zorgt u voor een
functionerende internetverbinding, bij voorkeur via Wi-Fi, om de kosten van
dataverkeer te beperken. Zie
informatie.
U moet beschikken over een Google-account om Google Play te kunnen gebruiken. Google
Play is mogelijk niet in alle landen of regio's beschikbaar.
Een applicatie downloaden van Google Play
1Tik op
2Zoek een item dat u wilt downloaden door te bladeren door categorieën of
via de zoekfunctie.
3Tik op het item om de details ervan weer te geven. Volg de instructies op het
scherm om de installatie te voltooien.
Sommige applicaties hebben wellicht toegang nodig tot gegevens, instellingen en diverse
functies op uw apparaat om goed te kunnen functioneren. Installeer en geef alleen
toestemming aan applicaties die u vertrouwt.
U kunt de verleende toestemmingen aan een gedownloade applicatie bekijken door op de
applicatie onder Instellingen > Apps en meldingen > App-info te tikken.
.
Uw apparaat bijwerken
op pagina 41 voor meer
Applicaties downloaden van andere bronnen
Wanneer uw apparaat is ingesteld om downloads toe te staan van andere bronnen
dan Google Play, kunt u applicaties rechtstreeks van andere websites downloaden
door de desbetreende downloadinstructies te volgen.
Als u applicaties installeert van onbekende oorsprong of uit een onbetrouwbare bron, kan
uw apparaat beschadigd raken. Download alleen applicaties die afkomstig zijn van
betrouwbare bronnen. Neem contact op met de leverancier van de applicatie als u vragen
hebt of problemen ondervindt.
Wordt een apparaat door meerdere gebruikers gedeeld, dan heeft alleen de eigenaar,
d.w.z. de primaire gebruiker, de mogelijkheid om downloads toe te staan van andere
bronnen dan Google Play. Wijzigingen door de eigenaar gelden voor alle andere
gebruikers.
Het downloaden van applicaties van andere bronnen in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen.
2Tik op Geavanceerd > Speciale apptoegang > Onbekende apps installeren
3Selecteer de bron waarop apps mogen worden geïnstalleerd en tik
vervolgens op de schuifregelaar Toestaan vanaf deze bron om deze in of uit
te schakelen.
In de meeste landen is de Google Chrome-webbrowser vooraf geïnstalleerd op
geleverde Android-apparaten. Zie
informatie over het gebruik van deze webbrowser.
Internetten
1Tik op .
2Als u Google Chrome voor het eerst gebruikt, selecteer dan of u zich wilt
aanmelden bij een Google-account of anoniem wilt bladeren met Google
Chrome.
3Voer een zoekterm of webadres in het zoek- en adresveld in en tik
vervolgens op
op het toetsenbord.
Internet- en MMS-instellingen
Als u wilt internetten of multimediaberichten wilt versturen als geen Wi-Fi-netwerk
beschikbaar is, hebt u een actieve mobiele gegevensverbinding nodig met de
juiste instellingen voor internet en MMS (Multimedia Messaging Service). Een paar
tips:
•Voor de meeste mobiele telefoonnetwerken en aanbieders zijn deze instellingen
vooraf op het apparaat geïnstalleerd, zodat u meteen kunt internetten en
multimediaberichten kunt verzenden.
•U kunt zelf controleren op updates voor internet- en MMS-instellingen. Als u een
internet- of MMS-instelling per ongeluk wijzigt of verwijdert, downloadt u de
internet- en MMS-instelling opnieuw.
•Raadpleeg de tips voor het oplossen van problemen voor het apparaat op
http://support.sonymobile.com
data en MMS.
•Als de STAMINA-modus is geactiveerd om energie te sparen, wordt al het mobiele
dataverkeer onderbroken als het scherm is uitgeschakeld. Als dit
verbindingsproblemen veroorzaakt, stel dan in dat enkele applicaties en services
niet worden onderbroken, of deactiveer de STAMINA-modus tijdelijk.
•Als u een apparaat met meerdere gebruikers deelt, dan kan alleen de eigenaar,
d.w.z. de primaire gebruiker, de instellingen voor internet en berichten
downloaden vanuit het menu Instellingen. De gedownloade instellingen zijn
echter wel van toepassing op alle gebruikers.
http://support.google.com/chrome
voor problemen met netwerkdekking, mobiele
voor meer
Internet- en MMS-instellingen downloaden
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Internetinstellingen.
2Tik op ACCEPTEREN. Zodra de instellingen zijn gedownload, verschijnt
de statusbalk en wordt mobiele data automatisch ingeschakeld.
Als de instellingen niet naar uw apparaat kunnen worden gedownload, controleer dan de
signaalsterkte van uw mobiele netwerk of Wi-Fi-netwerk. Ga naar een open plek zonder
obstakels of ga bij een raam staan en probeer het nogmaals.
Internet- en MMS-instellingen toevoegen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Mobiele netwerken.
2Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
3Tik op Namen toegangspunten >
4Tik op Naam, geef een gewenste naam op en tik vervolgens op OK.
5Tik op APN, voer de naam van het toegangspunt in en tik vervolgens op OK.
6Voer alle vereiste gegevens in. Als u niet weet welke gegevens vereist zijn,
neem dan contact op met uw netwerkaanbieder voor meer informatie.
De gedownloade instellingen voor internet en MMS bekijken
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Mobiele netwerken.
2Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
3Tik op Namen toegangspunten.
4Voor meer informatie tikt u op een van de beschikbare items.
Wi-Fi
Gebruik Wi-Fi om te internetten, applicaties te downloaden of e-mails te
verzenden en te ontvangen. Wanneer u verbinding hebt gemaakt met een Wi-Finetwerk, onthoudt uw apparaat dit netwerk. De volgende keer dat u weer in de
buurt bent, wordt automatisch verbinding gemaakt met dit netwerk.
Bij sommige Wi-Fi-netwerken moet u inloggen bij een webpagina voordat u
toegang krijgt. Neem voor meer informatie contact op met de betreende Wi-Fi-
netwerkbeheerder.
Beschikbare Wi-Fi-netwerken kunnen open of beveiligd zijn: Beveiligde netwerken
worden aangeduid met
Sommige Wi-Fi-netwerken worden niet weergegeven in de lijst met beschikbare netwerken
omdat zij hun netwerknaam (SSID) niet uitzenden. Als u de naam van het netwerk kent,
kunt u het handmatig toevoegen aan uw lijst met beschikbare Wi-Fi-netwerken.
Wi-Fi in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Tik op de schuifregelaar om Wi-Fi in of uit te schakelen.
naast de naam van het Wi-Fi-netwerk.
Het kan een paar seconden duren voordat Wi-Fi is ingeschakeld.
Verbinden met een Wi-Fi-netwerk
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Tik op de schuifregelaar om Wi-Fi in te schakelen. Alle beschikbare Wi-Fi-
netwerken worden weergegeven.
3Tik op een Wi-Fi-netwerk om hiermee verbinding te maken. Voor beveiligde
netwerken voert u het desbetreende wachtwoord in.
wordt
weergegeven op de statusbalk wanneer u bent verbonden.
De lijst met beschikbare Wi-Fi-netwerken wordt automatisch vernieuwd. Als u geen
verbinding kunt maken met een Wi-Fi-netwerk, raadpleeg dan de betreende tips voor
probleemoplossing voor uw apparaat op
http://support.sonymobile.com
.
Een Wi-Fi-netwerk handmatig toevoegen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Blader omlaag en tik op Netwerk toevoegen.
3Voer de Netwerknaam-gegevens in.
4Tik op het veld Beveiliging om een beveiligingstype te selecteren.
5Voer indien nodig een wachtwoord in.
6Als u geavanceerde opties, zoals proxy- en IP-instellingen, wilt bewerken,
tikt u op Geavanceerde opties en bewerkt u de opties naar wens.
7Tik op Opslaan.
Neem contact op met uw Wi-Fi-netwerkbeheerder voor de netwerk-SSID en het
wachtwoord.
U kunt de Wi-Fi-ontvangst op verschillende manieren verbeteren:
•Houd het apparaat dichter bij het Wi-Fi-toegangspunt.
•Plaats het Wi-Fi-toegangspunt uit de buurt van mogelijke obstakels of
interferentie.
•Dek het Wi-Fi-antennegebied van het apparaat niet af (het gemarkeerde gebied in
de afbeelding).
Wi-Fi-instellingen
Wanneer u bent verbonden met een Wi-Fi-netwerk of wanneer er Wi-Fi-netwerken
beschikbaar zijn in uw omgeving, kunt u de status van deze netwerken bekijken. U
kunt op uw apparaat ook instellen dat u een melding ontvangt wanneer er een
open Wi-Fi-netwerk wordt gedetecteerd.
Meldingen van het Wi-Fi-netwerk in- of uitschakelen
1Zorg dat Wi-Fi is ingeschakeld op het apparaat.
2Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
3Tik op Wifi-voorkeuren.
4Tik op de schuifregelaar Meldingen van open netwerk om deze optie in of
uit te schakelen.
Gedetailleerde informatie over een verbonden Wi-Fi-netwerk weergeven
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Tik op het Wi-Fi-netwerk waarmee u momenteel bent verbonden. Er wordt
gedetailleerde informatie over het netwerk weergegeven.
Een Wi-Fi-slaapbeleid instellen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Tik op Wifi-voorkeuren > Geavanceerd > Wi-Fi behouden in slaapstand.
3Selecteer een optie.
Automatische netwerkschakelaar inschakelen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Tik op Wifi-voorkeuren.
3Tik op de schuifregelaar Automatische netwerkswitch en vervolgens op
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Tik op Wifi-voorkeuren > Geavanceerd.
3Het MAC-adres wordt weergegeven in de lijst.
Het Mac-adres voor Wi-Fi wordt ook weergegeven onder Instellingen > Systeem > Over de
telefoon > Status > MAC-adres voor wifi.
Wi-Fi Protected Setup™
Wi-Fi Protected Setup is een draadloze netwerkstandaard waarmee u veilige
draadloze netwerkverbindingen tot stand kunt brengen. U kunt met Wi-Fi
Protected Setup eenvoudig WPA™-encryptie (Wi-Fi Protected Access®) instellen om
het netwerk te beveiligen. U kunt ook nieuwe apparaten toevoegen aan een
bestaand netwerk zonder lange wachtwoorden in te voeren.
Gebruik een van deze methoden om Wi-Fi Protected Setup in te schakelen:
•Drukknopmethode: druk op een knop van een apparaat met ondersteuning voor
Wi-Fi Protected Setup, bijvoorbeeld een router.
•PIN-methode: uw telefoon maakt een willekeurige PIN aan, die u invoert op het
apparaat met ondersteuning voor Wi-Fi Protected Setup.
Met een Wi-Fi Protected Setup-knop verbinding maken met een Wi-Fi-netwerk
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Schakel Wi-Fi in als dat nog niet het geval is.
3Tik op Wifi-voorkeuren > Geavanceerd > WPS-knop en druk vervolgens op
de Wi-Fi Protected Setup-knop van het apparaat dat Wi-Fi Protected Setup
ondersteunt.
Met een Wi-Fi Protected Setup-PIN verbinding maken met een Wi-Fi-netwerk
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi.
2Schakel Wi-Fi in als dat nog niet het geval is.
3Tik op Wifi-voorkeuren > Geavanceerd > WPS-pin.
4Voer op het apparaat dat Wi-Fi Protected Setup ondersteunt de PIN in die op
het apparaat verschijnt.
Uw mobiele dataverbinding delen
U kunt uw mobiele dataverbinding op verschillende manieren delen met andere
apparaten.
•USB-tethering: deel de mobiele dataverbinding met één computer met behulp van
een USB-kabel.
•Draagbare -hotspot: deel uw mobiele gegevensverbinding met maximaal 10
apparaten tegelijkertijd, inclusief apparaten die WPS-technologie ondersteunen.
•Draagbare one-touch-hotspot: raak apparaten aan om de mobiele verbinding te
delen via Wi-Fi.
De dataverbinding delen via een USB-kabel
1Sluit uw apparaat aan op een computer met de USB-kabel die bij het
apparaat is geleverd.
2Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Tethering/mobiele hotspot.
3Tik op de schuifregelaar USB-tethering en tik vervolgens op OK als dit wordt
gevraagd.
4Tik op de schuifregelaar naast USB-tethering of koppel de USB-kabel los om
te stoppen met het delen van uw dataverbinding.
verschijnt op de statusbalk zodra verbinding is gemaakt.
U kunt niet
USB-kabel.
tegelijkertijd de dataverbinding en de SD-kaart van uw apparaat delen via een
Uw mobiele verbinding delen door middel van One-touch mobiele hotspot
1Zorg dat de NFC-functie op beide apparaten is ingeschakeld en dat beide
schermen actief zijn.
2Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Tethering/mobiele hotspot.
3Tik op de schuifregelaar Draagbare hotspot om de functie in te schakelen.
4Tik op Draagbare One-touch-hotspot. Houd de apparaten bij elkaar zodat
de NFC-detectiegebieden van de twee apparaten elkaar raken. Tik
vervolgens op KOPPELEN.
Deze functie werkt alleen bij apparaten die ook ondersteuning bieden voor NFC Wi-Fitethering.
Uw apparaat gebruiken als een draagbare Wi-Fi-hotspot
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Tethering/mobiele hotspot.
2Tik op Instellingen draagbare hotspot > Hotspot configureren.
3Voer de Netwerknaam-gegevens in.
4Tik op het veld Beveiliging om een beveiligingstype te selecteren. Voer
indien nodig een wachtwoord in.
5Tik op Opslaan.
6Tik op
en tik op de schuifregelaar Draagbare hotspot om de functie in te
schakelen.
7Tik desgevraagd ter bevestiging op OK.
verschijnt op de statusbalk als de
draagbare Wi-Fi-hotspot actief is.
8Als u uw gegevensverbinding niet langer wilt delen via Wi-Fi, tikt u op de
schuifregelaar Draagbare hotspot om de functie uit te schakelen.
Toestaan dat een apparaat met ondersteuning voor Wi-Fi Protected Setup
wordt gebruikt voor uw mobiele dataverbinding
1Zorg dat uw apparaat is ingesteld als draagbare Wi-Fi-hotspot.
2Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Tethering/mobiele hotspot >
Instellingen draagbare hotspot.
3Controleer bij Hotspot configureren of uw draagbare hotspot door een
wachtwoord is beveiligd.
4Tik op WPS-knop en volg de instructies op het scherm. U kunt ook op
>
WPS-pin tikken en vervolgens de PIN invoeren die op het apparaat met
ondersteuning voor Wi-Fi Protected Setup wordt weergegeven.
Uw draagbare hotspot een nieuwe naam geven of beveiligen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Tethering/mobiele hotspot.
2Tik op Instellingen draagbare hotspot > Hotspot configureren.
3Voer de Netwerknaam-gegevens in.
4Tik op het veld Beveiliging om een beveiligingstype te selecteren.
5Voer indien nodig een wachtwoord in.
6Tik op Opslaan.
Het dataverbruik in de gaten houden
U kunt de hoeveelheid gegevens bijhouden die gedurende een bepaalde periode
van en naar uw apparaat wordt overgebracht via uw mobiele dataverbinding of
Wi-Fi-verbinding. U kunt bijvoorbeeld de hoeveelheid gegevens weergeven die
door individuele applicaties wordt gebruikt. Voor gegevens die via uw mobiele
dataverbinding worden overgebracht, kunt u ook waarschuwingen en beperkingen
instellen om extra kosten te voorkomen.
Als u een apparaat gebruikt met meerdere gebruikers, kan alleen de eigenaar, d.w.z. de
primaire gebruiker, de instellingen voor datagebruik wijzigen. Door de instellingen voor
datagebruik aan te passen, hebt u meer controle over het datagebruik. Dit garandeert
echter niet dat geen extra kosten in rekening worden gebracht.
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Datagebruik > Databesparing.
2Tik op de schuifregelaar om de functie in of uit te schakelen.
Dataverkeer in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Datagebruik.
2Tik op de schuifregelaar Mobiele gegevens om dataverkeer in- of uit te
schakelen.
Als dataverkeer is uitgeschakeld, kan het apparaat nog altijd Wi-Fi- en Bluetoothverbindingen gebruiken.
Een waarschuwing voor dataverbruik instellen
1Zorg dat mobiel dataverkeer is ingeschakeld.
2Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Datagebruik > Betalingscyclus.
3Als u het waarschuwingsniveau wilt instellen, tikt u op de schuifregelaar
naast Datawaarschuwing instellen.
4Tik op Datawaarschuwing, voer de gewenste datalimiet in en tik op
INSTELLEN. U ontvangt een waarschuwingsbericht wanneer de hoeveelheid
gegevens het ingestelde niveau bereikt.
Een limiet voor mobiele data instellen
1Zorg dat mobiel dataverkeer is ingeschakeld.
2Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Datagebruik.
3Tik op Betalingscyclus, tik op de schuifregelaar naast Gegevenslimiet
instellen en tik vervolgens op OK.
4Als u de limiet voor dataverbruik wilt instellen, tikt u op Datalimiet, voert u
de gewenste datalimiet in en tikt u op INSTELLEN.
Wanneer uw mobiele datagebruik de ingestelde limiet bereikt, wordt het mobiele
dataverkeer op uw apparaat automatisch uitgeschakeld.
Het gegevensgebruik van afzonderlijke applicaties beheren
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > App-info.
2Tik op de applicatie die u wilt beheren en vervolgens op Datagebruik.
De prestaties van afzonderlijke applicaties kunnen worden beïnvloed als u de betreende
instellingen voor gegevensgebruik wijzigt.
Uw dataverbruik controleren
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Datagebruik.
2Als u informatie wilt weergeven over de hoeveelheid data die via de mobiele
dataverbinding is overgedragen, tikt u op het tabblad Mobiel dataverbruik.
Als u informatie wilt weergeven over de hoeveelheid data die via de Wi-Fiverbinding is overgedragen, tikt u op Wifi-datagebruik.
Een SIM-kaart selecteren voor dataverkeer
Deze functie is alleen van toepassing voor apparaten met dubbele SIM-kaart.
Als u een apparaat met een dubbele SIM-kaart gebruikt, kunt u op elk gewenst
moment aangeven welke SIM-kaart data afhandelt. U kunt dit uitvoeren tijdens de
eerste keer dat u het apparaat instelt of dit later kiezen of veranderen via het menu
Instellingen.
De SIM-kaart wijzigen die wordt gebruikt voor dataverkeer
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Dubbele SIM > Mobiele
gegevens.
2Selecteer de SIM-kaart die u voor dataverkeer wilt gebruiken.
Voor hogere datasnelheden selecteert u de SIM-kaart die het snelste mobiele netwerk
ondersteunt, bijvoorbeeld 3G.
Mobiele netwerken selecteren
Uw apparaat ondersteunt het gebruik van drie verschillende netwerken
tegelijkertijd. U kunt kiezen uit een van de volgende combinaties van
netwerkmodi:
•Een WCDMA-netwerk
•Een GSM-netwerk
•Een WCDMA-netwerk en een GSM-netwerk
•Een LTE-netwerk, een WCDMA-netwerk en een GSM-netwerk
Afhankelijk van welke mobiele netwerken beschikbaar zijn op de plek waar u bent,
schakelt uw apparaat automatisch tussen de mobiele netwerken. U kunt uw
apparaat ook handmatig instellen om toegang te krijgen tot een bepaald type
mobiel netwerk, bijvoorbeeld WCDMA of GSM. Als u een apparaat met een
dubbele SIM-kaart gebruikt, geldt dit voor elke SIM-kaart.
Afhankelijk van het netwerktype waarmee u verbonden bent, worden
verschillende statuspictogrammen op de statusbalk weergegeven. Ga
Statuspictogrammen
zien.
op pagina 33 om de verschillende statuspictogrammen te
Een netwerkmodus selecteren
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Mobiele netwerken.
2Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
3Tik op Voorkeursnetwerktype en selecteer daarna een netwerkmodus.
Handmatig een ander netwerk selecteren
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Mobiele netwerken.
2Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
3Tik op Netwerkproviders > Netwerken zoeken.
4Selecteer een netwerk.
Als u handmatig een netwerk selecteert, zal het apparaat niet naar andere netwerken
zoeken, zelfs niet als u zich buiten het bereik van het geselecteerde netwerk begeeft.
Automatische netwerkselectie activeren
1Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Mobiele netwerken.
2Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
3Tik op Netwerkproviders > Automatisch.
Synchroniseer uw apparaat met contacten, e-mails, evenementen en andere
informatie uit onlineaccounts, bijvoorbeeld e-mailaccounts zoals Gmail™ en
Exchange ActiveSync, Facebook™ en Flickr™. U kunt gegevens automatisch voor
deze accounts synchroniseren door de functie Automatische synchronisatie te
activeren, of u synchroniseert elke account handmatig.
Een onlineaccount instellen voor synchronisatie
1Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts > Account toevoegen en
selecteer het account dat u wilt toevoegen.
2Volg de aanwijzingen op het scherm om een account te maken of u zich erbij
aan te melden.
Handmatig synchroniseren met een onlineaccount
1Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts.
2Tik op de naam van het account waarmee u wilt synchroniseren en tik
vervolgens op Accountsynchronisatie. Er wordt een lijst met items
weergegeven die met het account kunnen worden gesynchroniseerd.
3Tik op het item dat u wilt synchroniseren.
Een onlineaccount verwijderen
1Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts.
2Selecteer het account en tik vervolgens op Verwijderen.
3Tik opnieuw op Verwijderen om te bevestigen.
Synchroniseren met Microsoft Exchange ActiveSync
Als uw bedrijf een Microsoft Exchange ActiveSync-account gebruikt, kunt u uw
zakelijke e-mailberichten, kalenderafspraken en contacten direct op uw apparaat
openen. Na de installatie kunt u uw informatie vinden in de applicaties E-mail,
Agenda en Contacten.
Vingerafdrukfuncties zijn niet beschikbaar in de Verenigde Staten.
Als u een Microsoft Exchange ActiveSync-account (EAS) op uw Xperia-apparaat hebt
ingesteld, is het type schermvergrendeling mogelijk beperkt tot alleen PIN of wachtwoord
op basis van de EAS-beveiligingsinstellingen. Dit treedt op wanneer uw netwerkbeheerder
uit veiligheidsoogpunt voor het bedrijf een schermvergrendelingstype heeft ingesteld voor
alle EAS-accounts. Neem contact op met de netwerkbeheerder van uw bedrijf of
organisatie om te controleren welk netwerkbeveiligingsbeleid voor mobiele apparaten van
toepassing is.
1Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts > Account toevoegen >
Exchange ActiveSync.
2Voer uw zakelijke e-mailadres en wachtwoord in.
3Tik op VOLGENDE. Als een fout optreedt, voert u handmatig de domein- en
servergegevens van uw account in en tikt u op VOLGENDE.
4Volg de instructies op het scherm om de instellingen te voltooien.
5Tik op Meer synchronisatieopties weergeven om een
synchronisatiemethode, een synchronisatie-interval en de gegevens die u
met het apparaat wilt synchroniseren te selecteren.
6Tik op VOLGENDE en selecteer hoe u op de hoogte wilt worden gesteld van
nieuwe e-mails.
7Tik op VOLGENDE, voer een naam in voor het zakelijke account en tik
vervolgens op Configuratie voltooien.
8Indien dit gevraagd wordt, activeert u apparaatbeheer zodat de
bedrijfsserver bepaalde beveiligingsregels op het apparaat kan instellen,
zoals het uitschakelen van spraakopname en het gebruiken van versleutelde
opslag.
Een EAS-account verwijderen
1Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts.
2Selecteer het EAS-account dat u wilt verwijderen.
3Tik op Verwijderen.
4Tik opnieuw op Verwijderen om te bevestigen.
Geef instellingen voor uw apparaat weer en wijzig ze vanuit het instellingenmenu.
Het instellingenmenu is toegankelijk vanuit zowel het meldingsvenster als het
scherm Toepassingen.
Het instellingenmenu van het apparaat openen vanuit het applicatiescherm
•Tik op Instellingen.
Informatie over uw apparaat bekijken
•Tik op Instellingen > Systeem > Over de telefoon.
Het deelvenster Snelle instellingen openen
•Sleep de statusbalk met twee vingers omlaag.
Selecteren welke instellingen u wilt weergeven in het deelvenster Snelle
instellingen
1Sleep de statusbalk met twee vingers helemaal omlaag en tik op
2Voeg een instelling toe aan het deelvenster Snelle instellingen door het
pictogram naar het bovenste deel van het scherm te verslepen. Verwijder
een instelling door het pictogram naar het onderste deel van het scherm te
verslepen.
.
Het paneel Snelle instellingen herschikken
1Sleep de statusbalk helemaal omlaag en tik op
2Houd een pictogram aangeraakt en verplaats het naar de gewenste positie.
De lamp inschakelen
1Sleep de statusbalk met twee vingers omlaag.
2Tik op
.
.
Volume, trilling en geluid
Volume en trilling kunnen worden veranderd met de volumetoetsen of door een
instelling te veranderen. Geluiden en tonen kunnen allen via een instelling worden
gewijzigd.
Appinstellingen kunnen de gekozen instellingen voor volume, trilling en geluid negeren.
Volume en trilling
Gebruik de volumetoets om het volume van beltoon, media en alarmen snel te
veranderen. Daarnaast kunt u het apparaat instellen op trillen
storen-optie activeren om geluiden en trillingen te dempen. Meer informatie
over Niet storen vindt u bij
storen
op pagina 60.
Het volume van de beltoon
meldingen. Het mediavolume beïnvloedt muziek, video's, games en andere
media. Als u bijvoorbeeld het volume verandert als u een video kijkt, wordt het
mediavolume veranderd. Het alarmvolume wordt aangeduid met
1Druk op de volumetoets omhoog of omlaag. Dit wijzigt het volume van de
beltoon en meldingen.
2Tik op om de media- en alarmvolumes te wijzigen. Pas de volumes aan
met de schuifregelaars.
Tik op een volumepictogram om het volume snel in of uit te schakelen.
De trilstand of Niet storen-modus activeren
1Houd de volumetoets ingedrukt totdat
verschijnt om de trilstand te
activeren.
2Laat de volumetoets los en druk deze weer in om de Niet storen-modus te
activeren.
Geluid en trilstand activeren voor inkomende gesprekken
1Tik op Instellingen > Geluid.
2Tik op de schuifregelaar Ook trillen voor oproepen om de functie in te
schakelen.
Geluiden en tonen
De beltoon instellen
1Tik op Instellingen > Geluid > Beltoon telefoon.
2Selecteer een optie in de lijst of tik op
apparaat te selecteren.
3Tik op GEREED om uw keuze te bevestigen.
om een muziekbestand op het
Als u een bepaalde beltoon wilt instellen voor een contact, zie dan
en bewerken
op pagina 76.
Contacten toevoegen
Het meldingsgeluid instellen
1Tik op Instellingen > Geluid > Meldingsgeluid.
2Selecteer een geluid uit de lijst of kies Geen om alle meldingsgeluiden uit te
schakelen en de meldingen in te stellen op alleen trillen.
3Tik op
om een muziekbestand te selecteren dat op het apparaat is
opgeslagen.
4Tik op GEREED om uw keuze te bevestigen.
U kunt de appinstellingen veranderen zodat een geluid van een specifieke app zelfs wordt
afgespeeld als het meldingsgeluid is ingesteld op Geen. Zie
Meldingen
op pagina 30.
Andere geluiden en tonen in- of uitschakelen
1Tik op Instellingen > Geluid > Geavanceerd.
2Tik op de schuifregelaars om andere geluiden en tonen in of uit te
schakelen.
Schakel de geluiden van het apparaat uit met Niet storen
Activeer Niet storen om geluiden te dempen en trillingen en visuele meldingen tot
een minimum te beperken voor situaties waarin u niet wilt worden gestoord, zoals
's nachts.
1Sleep de statusbalk met twee vingers omlaag om het deelvenster Snelle
instellingen te openen.
2Tik op .
3Tik op om het beperkingsniveau in te stellen.
4Selecteer het beperkingsniveau door op Totale stilte, Alleen alarmen of
Alleen prioriteit te tikken.
5Stel in hoe lang Niet storen actief moet blijven en tik op GEREED.
Niet storen kan ook worden geactiveerd door op de volumetoets te drukken als de trilstand
van het apparaat is geactiveerd .
Niet storen deactiveren
1Druk op de volume-omhoogtoets.
2Als Alleen prioriteit is ingesteld, tikt u op Nu uitschakelen.
U kunt Niet storen ook uitschakelen door in het deelvenster Snelle instellingen op
te tikken.
Beperkingsniveaus
Totale stilte
Alle trillingen en alle beltonen, media- en alarmgeluiden worden
uitgeschakeld.
Alleen alarmen
Het geluid van de beltoon wordt uitgeschakeld. Alarm- en mediageluiden
blijven ingeschakeld.
Alleen prioriteit
U ontvangt alleen meldingen en gesprekken die u hebt geselecteerd. Alarmen mediageluiden blijven ingeschakeld.
Alleen prioriteit instellen
1Tik op Instellingen > Geluid > Niet storen > Alleen toegestaan in Prioriteit.
2Tik op de schuifregelaars om een of meer opties te activeren.
U kunt instellen dat bepaalde apps de prioriteit negeren. Zie
Meldingen
Visuele storingen blokkeren
1Tik op Instellingen > Geluid > Niet storen > Visuele onderbreking
blokkeren.
2Tik op de schuifregelaars om een of meer opties te activeren.
op pagina 30.
of
Automatische regels
U kunt automatische regels instellen om op specifieke tijden of bij specifieke
gebeurtenissen de modus Niet storen te activeren.
Een automatische regel instellen
1Tik op Instellingen > Geluid > Niet storen.
2Tik op een automatische regel, zoals Weekend.
3Tik op de opties om naar eigen inzicht de naam, tijd en gedrag van de regel
in te stellen.
4Tik op de schuifregelaar om de regel te activeren.
U kunt het gedrag van het scherm, de helderheid, weergavegrootte en kwaliteit
veranderen. U kunt bijvoorbeeld de leesbaarheid verhogen met een groter
lettertype of grotere schermgrootte en u kunt de pictogrammen op de statusbalk
veranderen.
Zie
Achtergrond en thema's
de achtergrond en het thema. Zie
als u wilt veranderen hoe lang het scherm ingeschakeld blijft voordat het wordt
uitgeschakeld.
Een scherminstelling wijzigen
1Tik op Instellingen > Weergave.
2Tik op de instelling die u wilt wijzigen.
3Gebruik de schuifregelaar, keuzevakken en extra menu's om zaken te
wijzigen.
Helderheid
Pas het helderheidsniveau aan met de schuifregelaar. U kunt ook Aanpasbare
helderheid inschakelen om de helderheid automatisch te optimaliseren voor het
omgevegingslicht.
Witbalans
Pas de witbalans van het scherm aan met de schuifregelaars. Tik op
standaardinstelling te herstellen.
op de pagina 29 voor informatie over het wijzigen van
Het scherm in- of uitschakelen
op de pagina 21
om de
Beeldverbetering
Verbeter de kwaliteit van foto's en video's als ze op het apparaat worden
weergegeven. Gebruik bijvoorbeeld de modus Super-vivid om kleuren levendiger
te maken op het scherm.
Schermrotatie
Stel in dat het scherm automatisch wordt gedraaid als het apparaat wordt
gedraaid, of stel in dat het apparaat in de staande stand blijft.
Schermbeveiliging
Stel een schermbeveiliging in die automatisch kleuren, foto's of een
diavoorstelling weergeeft als uw apparaat is gedockt of wordt opgeladen en het
scherm niet wordt gebruikt. Op een apparaat met meerdere gebruikers kan elke
gebruiker zijn of haar eigen instellingen voor schermbeveiliging hebben.
Scherm vastzetten
Gebruik de optie Scherm vastzetten zodat het apparaat alleen het scherm voor een
specifieke applicatie weergeeft. Als u bijvoorbeeld een game speelt en u per
ongeluk de navigatietoets Startscherm aanraakt, voorkomt de optie Scherm
vastzetten dat het actieve scherm van de game wordt geminimaliseerd. U kunt
deze functie ook gebruiken als u het apparaat aan iemand anders uitleent, om het
moeilijker te maken om meer dan één applicatie te openen. U kunt uw apparaat
bijvoorbeeld aan iemand uitlenen om een foto te maken en het scherm vastzetten
op de toepassing Camera zodat de ander niet gemakkelijk andere apps kan
gebruiken zoals E-mail.
Scherm vastzetten is geen beveiligingsfunctie en voorkomt niet helemaal dat andere
gebruikers het scherm activeren en uw apparaat gebruiken. Om uw gegevens te
beschermen, moet u uw apparaat instellen om een pincode, wachtwoord of patroon voor
de schermvergrendeling in te stellen voordat iemand het scherm kan activeren.
1Tik op Instellingen > Vergrendelingsscherm & beveiliging > Scherm
vastzetten.
2Tik op de schuifregelaar om de functie in of uit te schakelen.
Voor scherm vastzetten is geen patroon, PIN of wachtwoord vereist.
Een scherm vastzetten
1Zorg dat scherm vastzetten op het apparaat is geactiveerd.
2Open een app en ga naar het scherm dat u wilt vastzetten.
3Tik op
.
4Veeg omhoog en tik op om het pictogram van scherm vastzetten weer te
geven.
5Tik op Ik snap het in het venster dat wordt geopend.
Een scherm losmaken
•Houd
en vast op het vastgemaakte scherm totdat het scherm wordt
losgemaakt.
Als u een beveiligingsoptie hebt geselecteerd tijdens het vastzetten van het scherm, moet
u het patroon, de PIN of het wachtwoord invoeren om het apparaat te ontgrendelen
voordat u het scherm kunt losmaken.
Applicatie-instellingen
Sommige apps vragen u om toestemming als u ze begint te gebruiken. U kunt de
toestemming voor elke app afzonderlijk wel of niet toestaan of weigeren, hetzij
vanaf het menu Settings (Instellingen of vanaf het bevestigingsdialoogvenster
Permission (Toestemming). De vereisten voor toestemming hangen af van het
ontwerp van de app.
Bevoegdheden toestaan of weigeren
U kunt kiezen om bevoegdheden toe te staan of te weigeren wanneer het
dialoogvenster verschijnt. Als u voorheen een andere versie van Android heeft
gebruikt, dan worden voor de meeste apps de benodigde bevoegdheden al
toegekend.
Een toestemming toestaan
•Tik op Toestaan om een toestemming toe te staan. Indien gewenst, kunt u
het selectievakje Niet meer vragen inschakelen.
Een bevoegdheid weigeren
•Om een bevoegdheid te weigeren, tikt u op Weigeren wanneer het
dialoogvenster verschijnt.
Sommige applicaties kunnen nog steeds worden gebruikt, ook al heeft u de bevoegdheid
geweigerd.
Cruciale bevoegdheden
Sommige bevoegdheden zijn verplicht om de app te laten werken zoals de
werking bedoeld is. In dergelijke situaties ziet u een dialoogvenster met
informatie.
Applicaties configureren
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen.
2Selecteer een configuratie-optie, zoals App-info, en kies een applicatie die u
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > App-machtigingen.
2Selecteer een optie en tik vervolgens op de betreende schuifregelaar om
de toestemmingen aan te passen.
Automatisch bijwerken van applicatie toestaan of afwijzen
Als de automatische bijwerkfunctie is ingeschakeld, worden uw applicaties
bijgewerkt zonder dat u wordt gevraagd, zodat u wellicht niet merkt dat een groot
volume aan gegevens wordt gedownload. Om hoge kosten voor
bestandsoverdracht te voorkomen, kunt u automatisch bijwerken uitschakelen of
automatisch bijwerken alleen inschakelen via een Wi-Fi-verbinding. Schakel
automatisch bijwerken uit in zowel de Play Store™-app als in de What's New-app
(indien beschikbaar) om het automatisch bijwerken van apps te vermijden.
Automatisch bijwerken van alle applicaties in de Play Store in- of uitschakelen
1Tik op
2Tik op en vervolgens op Instellingen > Apps automatisch bijwerken.
3Selecteer de gewenste optie.
Automatisch bijwerken van alle applicaties in What's New in- of uitschakelen
1Tik op
2Tik op en vervolgens op Instellingen > Apps automatisch bijwerken.
3Selecteer de gewenste optie.
.
.
Applicaties koppelen
Uw apparaat kan de standaard app bepalen om een bepaalde web-link af te
handelen. Dat houdt in dat als de koppeling is ingesteld, u niet steeds opnieuw
een app hoeft te kiezen wanneer u een link opent. U kunt de standaard-app op elk
moment wijzigen.
App-koppelingen beheren via het menu Instellingen
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen.
2Tik op Geavanceerd > Standaard-apps > Links openen.
3Selecteer een app en pas de instellingen naar wens aan.
Applicaties resetten
U kunt een applicaties resetten of applicatiegegevens wissen als de applicaties
niet meer reageert of problemen veroorzaakt op het apparaat.
Applicatievoorkeuren resetten
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen.
2Tik op App-info >
resetten.
Als u de applicatievoorkeuren reset, worden er geen applicatiegegevens van het apparaat
verwijderd.
Applicatiegegevens wissen
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > App-info.
2Selecteer een applicatie of service en tik op Opslagruimte > GEGEVENS
WISSEN > OK.
> App-voorkeuren resetten en vervolgens op Apps
Wanneer u applicatiegegevens wist, worden de gegevens voor de geselecteerde applicatie
permanent van uw apparaat verwijderd. De optie om applicatiegegevens te wissen is niet
beschikbaar voor alle applicaties of services.
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > App-info.
2Selecteer een applicatie of service en tik op Opslagruimte > CACHE WISSEN.
De optie om het cachegeheugen van een applicatie te wissen is niet voor elke applicatie of
service beschikbaar.
De standaardinstelling van een applicatie wissen
1Tik op Instellingen > Apps en meldingen > App-info.
2Selecteer een applicatie of service en tik op Standaard openen >
STANDAARD-WAARDEN WISSEN.
De optie om de standaardinstelling van een applicatie te wissen is niet voor elke applicatie
of service beschikbaar.
Taalinstellingen
U kunt een standaardtaal selecteren voor uw apparaat en dit op een later moment
weer wijzigen. U kunt tevens de schrijftaal voor tekstinvoer wijzigen.
De taal wijzigen
1Tik op Instellingen > Systeem > Talen en invoer > Talen.
2Verander de taal door de gewenste taal naar de bovenste plek in de lijst te
slepen. Als de gewenste taal niet in de lijst staat, tikt u op
voegen.
om deze toe te
Als u de verkeerde taal kiest en u de menuteksten niet meer kunt lezen, tikt u op
Selecteer vervolgens de tekst naast en selecteer de eerste vermelding in het menu dat
verschijnt. U kunt vervolgens de gewenste taal selecteren.
Datum en tijd
U kunt de datum en tijd op uw apparaat wijzigen.
De datum handmatig instellen
1Tik op Instellingen > Systeem > Datum en tijd.
2Schakel de functie Autom. tijd en datum uit door op de schuifregelaar te
tikken.
3Tik op Datum instellen.
4Veeg naar links of rechts of gebruik de pijltjes om de gewenste datum in te
stellen.
5Tik op OK.
De tijd handmatig instellen
1Tik op Instellingen > Systeem > Datum en tijd.
2Schakel de functie Autom. tijd en datum uit door op de schuifregelaar te
tikken.
3Tik op Tijd instellen.
4Selecteer de betreende waarden voor uur en minuut.
5Tik op OK.
> .
De tijdzone instellen
1Tik op Instellingen > Systeem > Datum en tijd.
2Schakel de functie Automatische tijdzone uit door op de schuifregelaar te
U kunt het geluid van uw apparaat verbeteren door handmatig individuele
geluidsinstellingen in te schakelen, zoals de equalizer en surroundgeluid. U kunt
de volumebalans inschakelen om volumeverschillen tussen nummers en video's te
beperken.
De geluidsuitvoer automatisch verbeteren
1Tik op Instellingen > Geluid > Geluidsinstellingen.
2Schakel de functie ClearAudio+ in door op de schuifregelaar te tikken.
De geluidsinstellingen handmatig aanpassen met de equalizer
1Tik op Instellingen > Geluid > Geluidsinstellingen.
2Als ClearAudio+-functie is ingeschakeld, tikt u op de schuifregelaar om deze
uit te schakelen.
3Tik op Geluidseecten > Equalizer.
4Versleep de knoppen van de frequentieband als u het geluid handmatig wilt
aanpassen. Kies een vooraf ingestelde mogelijkheid door op
een mogelijkheid te kiezen en tik vervolgens ter bevestiging op OK.
Handmatig aanpassen van instellingen voor geluidsuitvoer heeft geen invloed op
applicaties voor gesproken communicatie. De geluidskwaliteit van een gesprek verandert
bijvoorbeeld niet.
Volumeverschillen beperken met de volumebalans
1Tik op Instellingen > Geluid > Geluidsinstellingen.
2Schakel de functie Volumebalans in door op de schuifregelaar te tikken.
te tikken om
Meerdere gebruikersaccounts
Uw apparaat ondersteunt meerdere gebruikersaccounts zodat meerdere
gebruikers zich afzonderlijkbij het apparaat kunnen aanmelden en het kunnen
gebruiken. Werken met meerdere gebruikersaccounts is handig wanneer u
hetzelfde apparaat met anderen deelt of uw apparaat voor een tijdje aan iemand
anders uitleent. De gebruiker die het apparaat voor het eerst installeert, wordt de
eigenaar van het apparaat. Alleen de eigenaar kan de accounts van andere
gebruikers beheren. Naast het account van de eigenaar zijn er twee verschillende
soorten accounts:
•Regelmatige gebruiker: Dit type account is geschikt voor iemand die uw apparaat
regelmatig gebruikt.
•Gastgebruiker: Schakel de gastaccountoptie in voor iemand die uw apparaat
slechts tijdelijk wil gebruiken.
Sommige functies zijn alleen beschikbaar voor de eigenaar. Zo kan bijvoorbeeld alleen de
eigenaar downloads toestaan van andere bronnen dan Google Play™.
Over het account voor regelmatige gebruikers
Door accounts voor regelmatige gebruikers toe te voegen, kunt u verschillende
gebruikers toestaan om eigen startschermen, achtergronden en algemene
instellingen te gebruiken. Ze krijgen tevens apart toegang tot toepassingen en
geheugenopslag voor bestanden zoals muziek en foto's. U kunt maximaal zeven
accounts voor regelmatige gebruikers aan het apparaat toevoegen.
Een account van een regelmatige gebruiker toevoegen
1Zorg ervoor dat u als eigenaar bent ingelogd. Een eigenaar is de gebruiker
die het apparaat voor de eerste keer heeft ingesteld.
2Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts > Gebruikers > Gebruiker
toevoegen.
3Tik op OK. Het nieuwe account wordt gemaakt.
4Tik op Nu instellen. Het scherm wordt vergrendeld en er verschijnt een
pictogram in de hoek rechtsboven dat de nieuwe gebruiker
vertegenwoordigt.
5Ontgrendel het scherm door een veegbeweging omhoog te maken.
6Volg de instructies op het scherm om het account voor de gebruiker te
maken.
U kunt ook een account voor een regelmatige gebruiker toevoegen vanaf de statusbalk op
een willekeurig scherm. Sleep de statusbalk volledig omlaag, tik op het
gebruikerspictogram en tik vervolgens op Gebruiker toevoegen.
Een account van een regelmatige gebruiker van uw apparaat verwijderen
1Zorg ervoor dat u bent ingelogd als de eigenaar.
2Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts > Gebruikers.
3Tik op
naast de naam van de gebruiker die uw wilt verwijderen en tik
vervolgens op Gebruiker verwijderen > VERWIJDEREN.
Over het gastaccount
Als iemand uw apparaat alleen tijdelijk wil gebruiken, kunt u voor die gebruiker
een gastaccount inschakelen. In de gastmodus start het apparaat op als een nieuw
geïnstalleerd systeem met alleen de vooraf geïnstalleerde apps. Nadat de gast
klaar is met uw apparaat, kunt u de sessie verwijderen zodat de volgende gast
helemaal opnieuw kan beginnen. Het gastaccount is vooraf geïnstalleerd en kan
niet worden verwijderd.
Het gastaccount activeren
1Zorg dat u als eigenaar bent ingelogd. Een eigenaar is de gebruiker die het
apparaat voor de eerste keer heeft ingesteld.
2Sleep de statusbalk met twee vingers omlaag en tik op
.
3Tik op Gast toevoegen.
De gegevens van de gastsessie wissen
1Zorg dat u bent ingelogd bij het gastaccount.
2Tik op Instellingen > Gebruikers en accounts > Gebruikers.
3Tik op Gast verwijderen.
4Tik op Verwijderen.
Als u bent ingelogd bij het gastaccount, kunt u de gastsessie wissen via de statusbalk van
elk willekeurig scherm. Sleep de statusbalk met twee vingers omlaag, tik op het
gebruikerspictogram en tik vervolgens op Gast verwijderen.
Schakelen tussen meerdere gebruikersaccounts
Schakelen tussen meerdere gebruikersaccounts
1Als u de lijst van gebruikers wilt weergeven, sleept u de statusbalk met twee
vingers omlaag en tikt u op
2Tik op het pictogram van het gebruikersaccount dat u wilt gebruiken. Het
vergrendelingsscherm van dat gebruikersaccount wordt weergegeven.
Als u naar het gastaccount schakelt, tikt u op Opnieuw starten als u de vorige sessie wilt
wissen of op Ja, doorgaan om door te gaan met de vorige sessie.
Op uw apparaat bevinden zich drie vooraf geïnstalleerde methoden voor
tekstinvoer.
De standaardmethoden voor tekstinvoer zijnmogelijkafhankelijk van de regionale of
taalinstellingen die u gebruikt. Een of meer methoden voor tekstinvoer zijnmogelijk niet in
uw regio beschikbaar.
SwiftKey®-toetsenbord
U kunt tekst invoeren via het virtuele toetsenbord door elke letter afzonderlijk in te
tikken of u kunt de functie SwiftKey flow gebruiken en met uw vinger van de ene
naar de andere letter schuiven om woorden te vormen.
1Cijfers en symbolen weergeven
2Schakelen tussen kleine letters, hoofdletters en alleen hoofdletters
3Smileys openen
4Een komma invoeren
5Een spatie invoeren
6Leestekens invoeren
7Verwijderen
8Een regelterugloop invoeren
Ga naar
https://swiftkey.com/
voor meer informatie over SwiftKey.
Het virtuele toetsenbord weergeven om tekst in te voeren
•Tik op een tekstinvoerveld.
Het virtuele toetsenbord in de liggende stand gebruiken
•Wanneer het virtuele toetsenbord wordt weergegeven, draait u het apparaat
in de liggende stand.
Het kan nodig
liggende stand in te schakelen.
zijn om de instellingen bij sommige applicaties aan te passen om de
Schakelen tussen verschillende opties van het virtuele toetsenbord
1Tik op Instellingen > Systeem > Talen en invoer > Virtueel toetsenbord.
2Tik op Toetsenborden beheren en vervolgens op de schuifregelaar om het
1Als u een teken wilt invoeren dat zichtbaar is op het toetsenbord, tikt u op
dit teken.
2Als u een tekenvariant wilt invoeren, raakt u een regulier teken op het
toetsenbord aan en houdt u dit vast om een lijst met beschikbare opties
weer te geven. Selecteer vervolgens een optie in de lijst. Als u bijvoorbeeld
'é' wilt invoeren, raakt u 'e' aan en houd u het ingedrukt tot andere opties
worden weergegeven. Sleep terwijl u uw vinger op het toetsenbord houdt,
naar 'é' en selecteer deze optie.
Een punt invoeren
•Tik tweemaal op de spatiebalk wanneer u klaar bent met het invoeren van
een woord.
Tekst invoeren met de functie Gebaren
1Wanneer het virtuele toetsenbord wordt weergegeven, veeg dan met uw
vinger van letter naar letter om het woord te traceren dat u wilt schrijven.
2Als u een woord hebt ingevoerd, tilt u uw vinger op. Uw apparaat stelt een
woord voor op basis van de letters waar u langs hebt geveegd.
3Als u het woord dat u wilt niet verschijnt, tikt u op
de gewenste optie niet verschijnt,verwijder dan het hele woord en veeg het
opnieuw of voer het woord in door op alle letters apart te tikken.
voor meer opties. Als
Tekst bewerken
U kunt tekst selecteren, knippen, kopiëren en plakken terwijl u schrijft. U kunt de
bewerkfuncties openen door dubbel te tikken op de tekst die u heeft ingevuld. De
bewerkfuncties worden dan beschikbaar via een applicatiebalk.
Applicatiebalk
De volgende handelingen zijn beschikbaar op de geselecteerde tekst:
•Knippen
•Kopiëren
•Plakken
•Delen
•Alles selecteren
De optie Plakken verschijnt alleen als u tekst op het klembord heeft opgeslagen.
Tekst selecteren
1Dubbeltik op een woord om het te markeren.
2U kunt de tabbladen aan weerszijden van het gemarkeerde woord verslepen
om meer tekst te selecteren.
Tekst bewerken
1Dubbeltik op een woord om de applicatiebalk weer te geven.
2Selecteer de tekst die u wilt bewerken en gebruik vervolgens de
applicatiebalk om de gewenste wijzigingen aan te brengen.
Automatisch invullen
Autom. aanvullen helpt u bij het invullen van formulieren. Als u een Automatisch
aanvullen-service inschakelt, worden gegevens als namen, telefoonnummers,
adressen, creditcardgegevens en dergelijke opgeslagen voor hergebruik.
Automatisch invullen wordt bij Google automatisch ingeschakeld. U kunt het ook
uitschakelen of voor andere apps gebruiken.
1Tik op Instellingen > Systeem > Talen en invoer.
2Tik op Geavanceerd > Automatisch aanvullen-service.
3Selecteer een optie of tik op om een andere Automatisch aanvullen-
U kunt bellen door zelf het telefoonnummer in te voeren of met de functie Smart
Dial om snel nummers in de contactlijst en gesprekkenlijsten te vinden. Voor een
video-oproep kunt u de videochat-applicatie Duo op het apparaat.
Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kunt u een standaard SIM-kaart voor telefoneren
instellen of instellen dat telkens wanneer u telefoneert u een SIM-kaart moet
kiezen. Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Dubbele SIM > Oproepen om
een optie te kiezen.
Overzicht van bellen
1Terug naar gesprekkenlijst
2Verwijderen
3Toetsenblok
4Oproepknop
Het toetsenblok openen
1Tik op
2Als het toetsenblok niet wordt weergegeven, tikt u op .
Een telefoonnummer bellen
1Tik op
2Als de gesprekkenlijstverschijnt, tikt u op om het toetsenblok te openen.
3Voer het telefoonnummer in en tik op
4Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart als dit wordt
gevraagd.
Bellen met smart dial
1Tik op
2Als de gesprekkenlijstverschijnt, tikt u op
3Gebruik het toetsenblok om letters of nummers in te voeren die horen bij het
contact dat u wilt bellen. Bij elke letter of elk nummer dat u invoert, wordt
een lijst met mogelijkheden weergegeven.
4Tik op het contact dat u wilt bellen.
5Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart als dit wordt
1Tik op . De gesprekkenlijst wordt weergegeven.
2Tik op om het toetsenblok te openen.
3Houd 0 aangeraakt totdat een '+' wordt weergegeven.
4Voer de landcode, het netnummer zonder de eerste nul en het
telefoonnummer in. Tik vervolgens op .
5Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart als dit wordt
gevraagd.
Een telefoonnummer voor direct bellen aan het startscherm toevoegen
1Raak een leeg gebied in het Startscherm aan en houd dit even vast.
2Tik in het instelmenu op Widgets > Snelkoppelingen.
3Blader door de lijst met applicaties en selecteer Direct bellen.
4Selecteer het contact en het nummer dat u voor direct bellen wilt gebruiken.
Uw telefoonnummer weergeven of verbergen tijdens uitgaande gesprekken
1Tik op
.
2Tik op > Instellingen.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op Oproepaccounts en selecteert u
een SIM-kaart. Als u een enkele SIM-kaart gebruikt, tikt u op Oproepen.
4Tik op Aanvullende instellingen > Beller-ID en kies een optie.
Deze optie wordt wellicht niet door elke provider aangeboden.
Oproepen ontvangen
Als u een binnenkomende oproep ontvangt terwijl het apparaat in de slaapstand
staat of als het scherm is vergrendeld, wordt de telefoonapplicatie op het volledige
scherm geopend. Voor apparaten met dubbele SIM-kaart geeft een SIM-pictogram
aan aan welke SIM-kaart het gesprek is gericht.
Als u een binnenkomende oproep ontvangt terwijl het scherm actief is, wordt de
binnenkomende oproep weergegeven als een zwevende melding, dat wil zeggen
in een verkleind venster dat over de inhoud van het scherm zweeft. Voor
apparaten met dubbele SIM-kaart geeft SIM1 of SIM2 aan aan welke SIM-kaart het
gesprek is gericht. Als de melding binnenkomt, kunt u kiezen om de oproep te
beantwoorden en het applicatiescherm voor de telefoon te openen, of u kunt de
oproep afwijzen en op het huidige scherm blijven.
Een gesprek beantwoorden wanneer het scherm inactief is
•Sleep
Een oproep beantwoorden wanneer het scherm actief is
•Als een oproep binnenkomt, tikt u in de melding boven in het scherm op
ANTWOORD.
In plaats van de oproep te beantwoorden, kunt u naar het hoofdscherm van de
telefoonapplicatie gaan door op de melding te tikken. Op deze manier krijgt u meer opties
voor het afhandelen van het gesprek. U kunt bijvoorbeeld het gesprek weigeren met een
bericht.
naar rechts als een gesprek binnenkomt.
Een oproep beantwoorden als het scherm inactief is
•Sleep zodra een oproep binnenkomt
naar links.
Een oproep beantwoorden als het scherm inactief is
•Als een gesprek binnenkomt, tikt u in de melding boven in het scherm op
AFWIJZEN.
In plaats van de oproep te weigeren, kunt u naar het hoofdscherm van de
telefoonapplicatie gaan door op de melding te tikken. Via deze methode krijgt u meer
opties om de oproep te beheren. U kunt bijvoorbeeld het gesprek weigeren met een
bericht.
De beltoon voor een inkomende oproep dempen
•Druk op de volumetoets als u een oproep ontvangt.
Een oproep weigeren met een SMS-bericht
Wanneer u een gesprek weigert met een SMS-bericht, wordt het bericht
automatisch naar de beller gestuurd en opgeslagen in de berichtenconversatie
met het betreende contact.
U kunt kiezen uit een aantal vooraf gedefinieerde berichten die op uw apparaat
beschikbaar zijn, of u kunt een nieuw bericht maken. U kunt ook uw eigen
persoonlijke berichten maken door de voorgedefinieerde berichten te bewerken.
Een oproep weigeren met een sms'je als het scherm inactief is
1Tik op Antwoordopties als een oproep binnenkomt.
2Selecteer een vooraf gedefinieerd bericht of tik op Nieuw bericht schrijven.
Een oproep weigeren met een sms'je als het scherm actief is
1Als een oproep binnenkomt, tikt u op het geopende gedeelte voor
meldingen, daar waar het telefoonnummer of de naam van het contact
wordt weergegeven.
2Tik op Antwoordopties.
3Selecteer een vooraf gedefinieerd bericht of tik op Nieuw bericht schrijven.
Een tweede gesprek weigeren met een sms'je
1Tik op Antwoordopties wanneer u een herhaalde pieptoon hoort tijdens
een gesprek.
2Selecteer een vooraf gedefinieerd bericht of tik op Nieuw bericht schrijven.
Het SMS-bericht bewerken dat wordt gebruikt om een gesprek te weigeren
1Tik op
2Tik op > Instellingen.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op Oproepaccounts en selecteert u
een SIM-kaart. Als u een enkele SIM-kaart gebruikt, tikt u op Oproepen.
4Tik op Gesprek weigeren met bericht.
5Tik op het bericht dat u wilt bewerken en breng de benodigde wijzigingen
aan.
6Tik op OK.
.
Gesprekken doorschakelen
U kunt gesprekken doorsturen naar een andere ontvanger, bijvoorbeeld een ander
telefoonnummer of een ander apparaat.
Als u een apparaat met een dubbele SIM-kaart gebruikt, kunt u ook gesprekken die
op SIM-kaart 1 binnenkomen, doorsturen naar SIM-kaart 2 wanneer SIM-kaart 1 niet
bereikbaar is, en omgekeerd. Deze functie heet Dual SIM reachability. U moet deze
functie handmatig inschakelen.
Oproepen doorschakelen
1Tik op
2Tik op > Instellingen.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op Oproepaccounts en selecteert u
een SIM-kaart. Als u een enkele SIM-kaart gebruikt, tikt u op Oproepen.
4Tik op Gesprekken doorverbinden > Spraak en selecteer vervolgens een
optie.
5Voer het nummer in waarnaar u de oproepen wilt doorschakelen en tik
1Tik op .
2Tik op > Instellingen.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op Oproepaccounts en selecteert u
een SIM-kaart. Als u een enkele SIM-kaart gebruikt, tikt u op Oproepen.
4Tik op Gesprekken doorverbinden > Spraak.
5Selecteer een optie en tik op Uit.
Bereikbaarheidsfunctie voor dubbele SIM inschakelen
Deze functie geldt alleen voor apparaten met dubbele SIM-kaart.
Tik op Instellingen > Netwerk en internet > Dubbele SIM > Bereikbaarheid
1
dubbele SIM.
2Tik op de schuifregelaar om de functie in te schakelen.
3Tik op DOORGAAN en volg de instructies op het scherm om de procedure te
voltooien.
Als de functie Bereikbaarheid dubbele SIM niet werkt nadat u deze hebt ingeschakeld,
moet u controleren of voor elke SIM-kaart de telefoonnummers correct zijn ingevoerd. In
sommige gevallen worden de nummers tijdens de installatie automatisch gevonden.
Anders wordt u gevraagd om ze handmatig in te voeren.
Een nummer blokkeren
U kunt bepaalde nummers blokkeren zodat deze u niet kunnen bellen of berichten
kunnen sturen. Kies een of meer nummers uit de opgeslagen nummers of voer
een nummer in.
Een telefoonnummer blokkeren
1Tik op
.
2Houd het nummer aangeraakt dat u wilt blokkeren.
3Tik op Nummer blokkeren en vervolgens op BLOKKEREN. Gesprekken en
sms'jes van dat nummer worden geblokkeerd.
Een nummer blokkeren door het nummer in te voeren
1Tik op
.
2Tik op > Instellingen > Gespreksblokkering > Een nummer toevoegen.
3Voer het nummer in dat u wilt blokkeren en tik op BLOKKEREN. Gesprekken
en sms'jes van dat nummer worden geblokkeerd.
De blokkering van een nummer opheen
1Tik op
.
2Tik op > Instellingen > Gespreksblokkering.
3Tik op
naast het telefoonnummer waarvan u de blokkering wilt opheen
en tik vervolgens op BLOKKERING OPHEFFEN. Gesprekken en sms'jes van
dat nummer worden niet meer geblokkeerd.
U kunt contacten op het apparaat toevoegen, bewerken of verwijderen en vanaf
gesynchroniseerde accounts. Voeg afbeeldingen van contacten toe of stel aparte
beltonen in om contacten te personaliseren. U kunt ook contactgegevens over
uzelf bewerken.
Een contact toevoegen
1Tik op .
2Tik op
3Als u voor het eerst een contact toevoegt en er meerdere accounts met het
apparaat worden gesynchroniseerd, selecteert u een account. Dit wordt het
standaardaccount om contacten op te slaan. U kunt op een later tijdstip
aangeven waar het contact moet worden opgeslagen door op
in te tikken.
4Voer de gewenste gegevens voor het contact in of selecteer deze.
5Als u klaar bent, tikt u op Opslaan.
.
> Opslaan
Tik op
contacten te veranderen. U kunt ook Telefooncontact selecteren om contacten alleen op het
apparaat op te slaan. Als u een bestaand contact naar een nieuw account wilt verplaatsen,
moet u eerst het contact opnieuw maken en dit opslaan naar het nieuwe account.
Als u een plusteken en de landcode toevoegt voor het telefoonnummer van een contact,
hoeft u het nummer niet opnieuw te bewerken wanneer u vanuit een ander land belt.
Een contact bewerken
1Tik op
2Tik op het contact dat u wilt bewerken en tik vervolgens op .
3Bewerk de gewenste informatie.
4Als u klaar bent, tikt u op Opslaan.
Bij sommige synchronisatieservices kunt u geen contactgegevens bewerken.
Een contactafbeelding toevoegen of verwijderen
1Tik op .
2Tik op het contact dat u wilt bewerken en tik vervolgens op
3Tik op en selecteer een optie.
4Zodra de afbeelding is bijgewerkt, tikt u op Opslaan.
U kunt ook een afbeelding aan een contact toevoegen vanuit de applicatie Album . Als u
een afbeelding wilt toevoegen die is opgeslagen in een onlineaccount, moet u de
afbeelding eerst downloaden.
en selecteer het nieuwe account om de standaardinstelling voor het opslaan van
.
.
De ringtone van een contact personaliseren
1Tik op .
2Tik op het contact dat u wilt bewerken en tik vervolgens op
instellen.
3Selecteer een beltoon of tik op
het apparaat is opgeslagen.
4Tik op GEREED.
Alle oproepen van een contact naar voicemail sturen
1Tik op .
2Raak het contact dat u wilt verwijderen aan en houd het even vast.
3Tik op en vervolgens op VERWIJDEREN.
4Verwijder verscheidene of alle contacten door de selectievakjes aan te
vinken van de contacten die u wilt verwijderen.
5Tik op en vervolgens op VERWIJDEREN.
Contactgegevens over uzelf bewerken
1Tik op .
2Tik op
3Tik op en voer de nieuwe gegevens in of breng de gewenste wijzigingen
aan.
4Als u klaar bent, tikt u op Opslaan.
Een nieuw contact maken op basis van een sms-bericht
1Tik op
2Tik op het pictogram naast het telefoonnummer en tik op CONTACT
TOEVOEGEN.
3Selecteer een bestaand contact of tik op Nieuw contact maken.
4Bewerk de contactgegevens en tik op Opslaan.
> Mijn info.
.
Contacten groeperen
U kunt contactlabels maken om groepen gerelateerde contacten te groeperen. U
kunt uw groepen namen geven als 'Familie' of 'Vrienden' om ze van uw andere
contacten te onderscheiden.
Een nieuw label voor een groep maken
1Tik op
2Tik op en vervolgens op Label maken.
3Selecteer waar uw contacten moeten worden opgeslagen.
4Typ een naam voor een label en tik op OK.
Een groepslabel verwijderen
1Tik op
2Tik op en vervolgens op het label dat u wilt verwijderen.
3Tik op en vervolgens op Label verwijderen.
.
.
Contacten overbrengen
Er zijn verschillende manieren om contacten naar uw nieuwe apparaat over te
brengen. U kunt contacten synchroniseren met een onlineaccount of rechtstreeks
importeren vanaf een ander apparaat.
Als u de contacten op uw oude apparaat synchroniseert met een onlineaccount,
kunt u met dat account uw contacten overbrengen naar uw nieuwe apparaat.
U kunt contacten ook kopiëren naar een geheugenkaart, Bluetooth-technologie
gebruiken of contacten opslaan op een SIM-kaart. Voor meer specifieke informatie
over het overbrengen van de contacten vanaf uw oude apparaat, raadpleegt u de
desbetreende gebruikershandleiding.
Meer informatie over het kiezen van een overdrachtmethode vindt u op
support.sonymobile.com/
.
http://
Contacten overbrengen met een onlineaccount
Als u de contacten op uw oude apparaat of uw computer synchroniseert met een
onlineaccount, bijvoorbeeld Google Sync™ of Microsoft® Exchange ActiveSync®,
kunt u uw contacten overbrengen naar uw nieuwe apparaat met behulp van dat
account.
Automatische synchronisatie in- of uitschakelen
1Tik op .
2Tik op en vervolgens op Instellingen.
3Tik op Accounts en vervolgens op de schuifregelaar Gegevens automatisch
synchroniseren om de functie in of uit te schakelen.
4Tik op OK.
U moet bij het desbetreende synchronisatieaccount zijn aangemeld voordat u uw
contacten hiermee kunt synchroniseren.
Andere methoden voor overbrengen van contacten
Er zijn verschillende andere manieren om contacten over te brengen van uw oude
naar uw nieuwe apparaat. U kunt bijvoorbeeld contacten kopiëren naar een
geheugenkaart of Bluetooth-technologie gebruiken. Voor meer specifieke
informatie over het overbrengen van de contacten vanaf uw oude apparaat,
raadpleegt u de desbetreende gebruikershandleiding.
Contacten importeren vanaf een geheugenkaart
1Tik op
2Tik op en vervolgens op Instellingen > Importeren > SD-kaart of intern
geheugen (.vcf-bestand).
3Selecteer waar uw contacten moeten worden opgeslagen.
4Tik op
5Selecteer de bestanden die u wilt importeren door erop te tikken.
.
en selecteer vervolgens SD-kaart.
Contacten importeren met Bluetooth-technologie
1Zorg dat de Bluetooth-functie is ingeschakeld en uw apparaat op zichtbaar is
ingesteld.
2Wanneer u op de hoogte wordt gebracht van een inkomend bestand op uw
apparaat, sleept u de statusbalk omlaag en tikt u op de melding om de
bestandsoverdracht te accepteren.
3Tik op Accepteren om de bestandsoverdracht te starten.
4Sleep de statusbalk omlaag. Tik op de melding zodra de overdracht is
voltooid.
5Tik op het ontvangen bestand en selecteer waar uw contacten moeten
worden opgeslagen.
Contacten importeren vanaf een SIM-kaart
1Tik op
2Tik op en vervolgens op Instellingen > Importeren.
3Als u een enkele SIM-kaart gebruikt, tikt u op Importeren van simkaart. Als
u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart.
4Selecteer waar uw contacten moeten worden opgeslagen.
5Selecteer contacten om te importeren en tik vervolgens op Importeren.
.
Een back-up maken van contacten
U kunt het interne gehuegen, een geheugenkaart of een SIM-kaart gebruiken om
een back-up te maken van contacten.
Alle contacten exporteren naar een geheugenkaart
1Tik op
2Tik op
(.vcf-bestand).
3Tik op > SD-kaart.
4Selecteer een bestemmingsmap en tik op Opslaan.
.
> Instellingen > Exporteren > naar SD-kaart of intern geheugen
De applicatie Berichten geeft uw berichten weer als gesprekken. Dit betekent dat
alle berichten naar en van een specifieke persoon zijn gegroepeerd.
Het aantal tekens dat u in één bericht kunt verzenden, is afhankelijk van de aanbieder en de
taal die u gebruikt. De maximale grootte van een MMS-bericht, inclusief de toegevoegde
mediabestanden, is ook afhankelijk van de aanbieder. Neem contact op met uw
netwerkoperator voor meer informatie.
1Tik op .
2Tik op .
3Voer de naam of het telefoonnummer van de ontvanger in en kies
vervolgens uit de suggesties die worden weergegeven. Als de ontvanger
niet in de contactlijst voorkomt, voert u het nummer van de ontvanger
handmatig in.
4Als u een groepsbericht wilt verzenden, tikt u op om meer ontvangers
toe te voegen.
5Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op
om de gewenste SIM-kaart te
selecteren.
6Voer de tekst van het bericht in. Als u een bijlage wilt toevoegen, tikt op u
en selecteert u de desbetreendebijlageoptie.
7Als u het bericht wilt verzenden, tikt u op
Als u een bericht afsluit voordat u het verzendt, wordt het als concept opgeslagen. Het
gesprek wordt gelabeld met het woord Concept.
.
Een ontvangen bericht lezen
1Tik op
.
2Tik op het gewenste gesprek.
3Als het bericht nog niet is gedownload, tikt u erop.
Alle ontvangen berichten worden standaard in het apparaatgeheugen opgeslagen.
Een bericht beantwoorden
1Tik op
.
2Tik op het gesprek met het bericht.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op om de gewenste SIM-kaart te
selecteren.
4Voer uw antwoord in en tik op
.
Een bericht doorsturen
1Tik op
.
2Tik op het gesprek met het gewenste bericht.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op
om de gewenste SIM-kaart te
selecteren.
4Raak het gewenste bericht aan, houd het vast en tik vervolgens op
.
5Kies een recent contact uit de lijst of tik op NIEUW BERICHT en voer de naam
of het telefoonnummer van de ontvanger in en kies vervolgens uit de
suggesties die worden weergegeven. Als de ontvanger niet in de contactlijst
voorkomt, voert u het nummer van de ontvanger handmatig in.
6Indien nodig bewerkt u het bericht en tikt u vervolgens op
.
Een bestand in een ontvangen bericht opslaan
1Tik op
.
2Als het bericht nog niet is gedownload, tikt u erop.
3Raak het bericht dat u wilt opslaan aan en houd het even vast, en selecteer
de gewenste optie.
Berichtinstellingen
U kunt de instellingen van berichtmeldingen veranderen en
ontvangstbevestigingen inschakelen.
1Tik op .
2Tik op en vervolgens op Instellingen.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, tikt u op Algemeen.
4Tik op Meldingen > Geluid en selecteer een optie om een meldingsgeluid in
te stellen of tik op en selecteer een muziekbestand dat op uw apparaat is
opgeslagen.
5Tik op GEREED om uw keuze te bevestigen.
6Tik op de schuifregelaars om nog meer meldingsinstellingen aan te passen.
Ontvangstbevestigingen voor uitgaande berichten in- of uitschakelen
1Tik op
.
2Tik op en vervolgens op Instellingen.
3Als u twee SIM-kaarten gebruikt, kiest u een SIM-kaart. Als u een enkele SIM-
kaart gebruikt, tikt u op Geavanceerd.
4Tik op de schuifregelaar SMS-ontvangstbevestigingen ontvangen om de
functie in of uit te schakelen.
Als ontvangstbevestigingen zijn ingeschakeld, verschijnt de tekst "Afgeleverd" bij berichten
die zijn afgeleverd.
Videochat
U kunt de videochat-applicatie Google Duo™ op uw apparaat gebruiken om te
chatten met vrienden die de applicatie ook gebruiken op Android™-apparaten en
iOS-apparaten.
Ga naar
https://support.google.com/duo/
van deze applicatie.
voor meer informatie over het gebruik
De videogesprekfunctie werkt alleen op apparaten met een camera aan de voorzijde.
De applicatie Duo gebruiken
•Tik op om de applicatie voor videochats te gebruiken.
E-mail instellen
Gebruik de e-mailapplicatie op uw apparaat voor het versturen en ontvangen van
e-mailberichten via uw e-mailaccounts. U kunt een of meerdere e-mailaccounts
tegelijkertijd hebben, inclusief zakelijke Microsoft Exchange ActiveSync-accounts.
Een e-mailaccount instellen
1Tik op
2Volg de instructies op het scherm om de installatie te voltooien.
Voor sommige e-mailservices moet u wellicht contact opnemen met uw aanbieder van de
e-mailservice voor gedetailleerde instellingen voor het e-mailaccount.
Een extra e-mailaccount toevoegen
1Tik op
2Tik op en vervolgens op Instellingen > Account toevoegen.
3Volg de instructies op het scherm. Als de instellingen voor het e-mailaccount
niet automatisch kunnen worden gedownload, voltooit u de instelling
handmatig.
1Tik op de album art in het scherm van de muziekspeler en vervolgens op
Muziekinfo bewerken als een nummer wordt afgespeeld in de applicatie
Muziek.
2Bewerk de gegevens naar wens.
3Tik op en selecteer een optie om album art in te stellen of te downloaden.
4Als u klaar bent, tikt u op Opslaan.
U kunt in het menu Muziek bij Instellingen instellen dat album art automatisch wordt
gedownload.
Het audiovolume aanpassen
•Druk op de volumetoets omhoog of omlaag.
De applicatie Muziek minimaliseren
•Wanneer een nummer wordt afgespeeld, tikt u op om naar het
Startscherm te gaan. De applicatie Muziek blijft actief op de achtergrond.
De applicatie Muziek openen wanneer muziek op de achtergrond wordt
afgespeeld
•Sleep de statusbalk omlaag en tik op de Muziekmelding terwijl een nummer
op de achtergrond wordt afgespeeld.
•Of tik op
.
Naar de radio luisteren
De FM-radio in uw apparaat werkt net als elke andere FM-radio. U kunt
bijvoorbeeld bladeren door FM-radiozenders, deze beluisteren en de zenders
opslaan als favorieten. U moet een bekabelde headset of hoofdtelefoon op het
apparaat aansluiten voordat u de radio kunt gebruiken. Dat komt omdat de
headset of hoofdtelefoon als antenne werkt. Als een van deze apparaten is
aangesloten, kunt u het geluid eventueel uit de luidspreker laten komen.
7Frequentieband: sleep naar links of rechts om tussen kanalen te wisselen
8Ga omhoog over de frequentieband om een zender te zoeken
9Een opgeslagen favoriete zender
10 Over de frequentieband omlaag zoeken naar een zender
Naar de FM-radio luisteren
1Sluit een headset of een hoofdtelefoon aan op uw apparaat.
2Tik op . De beschikbare zenders worden weergegeven terwijl u door de
frequentieband bladert.
Wanneer u de FM-radio start, worden de beschikbare zenders automatisch weergegeven.
Als een zender RDS-informatie doorgeeft, verschijnt deze enkele seconden nadat u
begonnen bent met luisteren naar de zender.
Schakelen tussen radiozenders
•Sleep de frequentieband naar links of naar rechts.
•U kunt ook op de pijlen aan weerszijden van de frequentieband tikken om
naar het volgende duidelijke radiosignaal te springen.
Opnieuw zoeken naar radiozenders
1Wanneer de radio is geopend, tikt u op
.
2Tik op Kanalen zoeken. De hele frequentieband wordt gescand en alle
beschikbare zenders worden gemarkeerd.
Het radiogeluid naar de luidspreker omschakelen
1Als de radio is geopend, tikt u op
.
2Tik op Via luidspreker afsp..
en op Afsp. op hoofdtelefoon om het geluid terug te schakelen naar de bedrade
Superieur automatisch optimaliseert instellingen automatisch voor talloze
scenario's. De modus Handmatig is vooral handig als u uw eigen creativiteit meer
de vrije loop wilt laten.
Welke instellingen beschikbaar zijn, is afhankelijk van de geselecteerde opnamemodus.
Een opnamemodus selecteren
•Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om uit foto-, video- of
Camera-appmodi te kiezen.
Overzicht van opnamemodi
Handmatig
Maak foto's en pas de camera-instellingen handmatig aan
Superieur automatisch
Maak foto's met automatisch geoptimaliseerde instellingen
Video
Neem video's op
Camera-apps
Gebruik foto- en video-apps
Schakelen tussen de hoofdcamera en de camera aan de voorzijde
•Tik op
terwijl u de camera gebruik om tussen de hoofdcamera en de
camera aan de voorzijde te schakelen.
De zoomfunctie gebruiken
•Terwijl u de camera gebruikt, knijpt u op het scherm of spreidt u uw vingers
of gebruikt u de volumetoets om te zoomen.
Het beïnvloedt de beeldkwaliteit als u vaker dan driemaal inzoomt. In plaats daarvan kunt
u een foto zonder zoom maken en deze vervolgens bijsnijden.
Een foto maken
•Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken
terwijl u de camera gebruikt.
Een video opnemen
1Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om
te selecteren.
2Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een video-opname te
starten of te stoppen.
De maximale opnametijd is zes uur.
De camera starten en meteen een foto maken
1Tik op terwijl u de camera gebruikt en tik vervolgens op Meer > Snel
starten > Starten en vastleggen.
2Sluit het instellingenmenu en sluit de camera. De instelling wordt
opgeslagen voor alle opnamemodi.
3Houd de cameratoets ingedrukt om de camera te starten en een foto te
maken.
Deze functie kan ook worden gebruikt voor video's. Tik op
en tik vervolgens op Meer > Snel starten > Starten en video opnemen.
1Tik op terwijl u de camera gebruikt en tik vervolgens op Meer >
Vastleggen met aanraken > Aan of Alleen camera aan voorzijde.
2Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen in alle
opnamemodi.
3Tik ergens op het scherm om een foto te maken.
Deze functie kan ook worden gebruikt voor video's.
Een foto maken tijdens het opnemen van een video
•Tik op tijdens een video-opname. De foto wordt gemaakt zodra u de
sluiterknop loslaat.
Zelfontspanner
Gebruik de Zelfontspanner als u meer tijd nodig hebt om u voor te bereiden op
een foto. Het kan ook behulpzaam zijn om het apparaat stabiel te houden en
scherpe foto's te maken.
De zelfontspanner met de hoofdcamera gebruiken
1Selecteer een foto-opnamemodus terwijl u de hoofdcamera gebruikt en tik
.
op
2Tik op Zelfontspanner en selecteer de gewenste vertraging.
3Sluit het instellingenmenu. De Zelfontspanner-instelling wordt opgeslagen.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken. Een
reeks pieptonen markeert het aftellen totdat de foto wordt gemaakt.
Tik op
terwijl u de camera aan de voorzijde gebruikt om de Zelfontspanner in te stellen.
Sluiterknop
De sluiterknop wordt in verschillende opnamemodi en voor verschillende
geactiveerde functies anders gebruikt.
Overzicht van sluiterknop
Een foto maken
Een video opnemen/opname hervatten
Een video onderbreken
Een video-opname stoppen
Zelfontspanner is geactiveerd
Vastleggen met aanraken is geactiveerd
Vastleggen met aanraken en Zelfontspanner zijn geactiveerd
De camera-instellingen aanpassen
1Tik op terwijl u de camera gebruikt.
2Selecteer een instelling of druk op Meer.
3Als Meer is geselecteerd, veegt u door de lijst voor de beschikbare
Welke instellingen beschikbaar zijn, is afhankelijk van de geselecteerde opnamemodus.
Foto's en video's weergeven, delen en bewerken
1Tik terwijl u de camera gebruikt op de miniatuur om een foto of video te
openen.
2Veeg naar links of rechts om uw foto's en video's weer te geven.
3Tik op het scherm en vervolgens op
om een foto of video te bewerken.
4Tik op om een foto of video te delen.
Uw foto's en video's worden opgeslagen in de applicatie Album. Zie
weergeven
op pagina 101 voor meer opties.
Foto's en video's
Belichtings-, kleur en lichtomstandigheden
Voor een goede belichting van foto's is voldoende licht nodig. De camera
detecteert automatisch de lichtomstandigheden en past de instellingen hierop
aan.
Verschillende belichtingen zijn nodig om bijvoorbeeld gezichten te fotograferen of
bewegende voorwerpen bij weinig licht.
Lichtomstandigheden optimaliseren
•Ontdek hoe u met richting en kleur met licht kunt spelen waardoor u meer
vormgeving en diepte krijgt. Dit soort licht ontstaat op natuurlijkewijze vlak voor
zonsopgang en bij zonsondergang. Natuurlijk licht uit een raam is ook goed.
•Houd de camera stil in omstandigheden met weinig licht om toch mooie foto's te
maken. Plaats de camera eventueel op een stabiel oppervlak en gebruik de
zelfontspanner.
•Zelfs als de belichtingsomstandigheden slechts zijn, kunt u foto's maken met en
zonder flitser. Soms is de kwaliteit beter zonder flitser.
De flitser gebruiken
1Tik op het flitserpictogram op het scherm terwijl u de camera gebruikt,
bijvoorbeeld
2Indien nodig verandert u de flitserinstelling.
3Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto of video te
maken.
.
Welke instellingen beschikbaar
Als de achtergrond helderder is dan het voorwerp, kunt u Opvulflits gebruiken om
ongewenste donkere schaduwen te verwijderen.
zijn, is afhankelijk van de geselecteerde opnamemodus.
De camera kan de waarden van kleur, helderheid en belichting automatisch
aanpassen door de belichting te meten en de kleurtemperatuur van het
gegevenslicht te schatten. Digitale camera's kunnen de kleurtemperatuur alleen
schatten, dus eventueel moet u de instellingen aanpassen om alles goed te
krijgen.
Als u merkt dat foto's binnenshuis een gele tint hebben of, als u de flitser gebruikt,
een blauwe tint hebben, pas dan de kleur aan met de modus Superieur
automatisch.
Voor een betere belichting in omgevingen met weinig licht past u de helderheid
aan in de modi Superieur automatisch en Video of verandert u de
belichtingswaarde in de modus Handmatig.
Kleur en helderheid aanpassen
1Tik op
2Tik op Kleur en helderheid.
3Versleep de schuifregelaars om kleur en helderheid aan te passen.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto of video te
maken.
5Tik op
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modi Superieur automatisch en Video.
De belichtingswaarde aanpassen
1Tik op terwijl u de camera gebruikt.
2Tik op EV en versleep de schuifregelaar om de belichtingswaarde aan te
passen.
3Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken.
terwijl u de camera gebruikt.
om de kleurinstelling te resetten en te sluiten.
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modus Handmatig.
Sluitertijd
Sluitertijdverwijst naar hoe lang de sluiter wordt geopend en hoe lang de
camerasensor wordt blootgesteld aan licht.
Een korte sluitertijd helpt een beweging stil te zetten. Een lange sluitertijd kan het
eect van bewegingsonscherpte creëren, waarbij bewegende voorwerpen
onscherp zijn langs de richting van hun beweging.
In de modi Superieur automatisch en Video wordt de sluitertijd automatisch
aangepast.
De sluitertijd aanpassen
1Tik op
2Tik op SS en versleep de schuifregelaar om de sluitertijd aan te passen.
3Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om de foto te maken.
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modus Handmatig van de hoofdcamera.
terwijl u de camera gebruikt.
ISO
ISO bepaalt de gevoeligheid voor licht van de camera. Een laag ISO-nummer
betekent een lagere gevoeligheid, een hoog ISO-nummer een hogere
gevoeligheid. Bij een hoge gevoeligheid kunnen foto's onscherp worden.
Kies een hoge ISO-waarde als u foto's maakt van bewegende voorwerpen of als u
foto's maakt bij weinig licht zonder flitser.
Als er te veel licht is, gebruikt u de laagste ISO-instelling voor een betere
beeldkwaliteit.
ISO wordt in de modi Superieur automatisch en Video automatisch aangepast.
De ISO-waarde aanpassen
1Tik op terwijl u de camera gebruikt.
2Tik op ISO en selecteer een ISO-waarde.
3Sluit het instellingenmenu.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken.
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modus Handmatig van de hoofdcamera.
Sterk tegenlicht (HDR)
Sterk tegenlicht (HDR) kan handmatig of automatisch worden aangepast,
afhankelijk van de opnamemodus. Als HDR automatisch wordt aangepast, wordt
dit aangeduid met
Handmatig
Past HDR automatisch aan voor zowel de hoofdcamera als de camera aan
de voorzijde.
Superieur automatisch
HDR wordt automatisch aangepast voor zowel de hoofdcamera als de
camera aan de voorzijde.
Video
Past HDR automatisch aan voor de hoofdcamera. HDR wordt automatisch
aangepast voor de camera aan de voorzijde.
.
Compenseren voor sterk tegenlicht
1Tik op terwijl u de camera gebruikt.
2Tik op de schuifregelaar HDR om de functie in te schakelen.
3Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken.
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modus Handmatig.
Witbalans
De witbalans wordt automatisch aangepast in de modi Superieur automatisch en
Video. U kunt zelf de witbalans aanpassen in de modus Handmatig.
De witbalans aanpassen
1Tik op
2Tik op WB en selecteer een van de voorgedefinieerde lichtomstandigheden,
zoals
3Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken.
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modus Handmatig.
Pas de kleurbalans aan voor warme lichtomstandigheden zoals onder
gloeilampen
Belichting optimaliseren
Belichtingsmeting meet de hoeveelheid licht op een voorwerp om de belichting te
optimaliseren.
Belichtingsmeting wordt in de modi Superieur automatisch en Video automatisch
aangepast. U kunt de belichting voor de hoofdcamera handmatig aanpassen in de
modus Handmatig, bijvoorbeeld om de belichting voor een bepaald deel van de
foto aan te passen.
De belichting aanpassen met metingen
1Tik op
2Tik op Meer > Lichtmeting.
3Selecteer een belichtingsoptie en sluit het instellingenmenu. De instelling
wordt opgeslagen.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken.
terwijl u de camera gebruikt.
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modus Handmatig van de hoofdcamera.
Meetinstellingen
Gezicht
Meet de hoeveelheid licht op een gezicht en past de belichting aan zodat het
gezicht niet te donker of te licht is
Midden
Bepaalt het midden van de foto en stelt de belichting in op basis van de
helderheid van het voorwerp
Punt
Past de belichting aan voor een klein onderdeel van het voorwerp
Aanraken
Hiermee kunt u het scherm aanraken om aan te geven voor welk voorwerp of
gebied de belichting moet worden geoptimaliseerd
Correct scherpstellen
De camera stelt automatisch scherp en detecteert automatisch gezichten in alle
opnamemodi. De camera kan ook een bewegend voorwerp detecteren en volgen.
Een geel kader geeft aan op welk gezicht of bewegend voorwerp wordt
scherpgesteld.
Een manier om het scherpstelgebied te veranderen is door de camera te bewegen
en de cameratoets half ingedrukt te houden. Als het beeld eenmaal is
scherpgesteld, wordt het ronde kader blauw. Met deze methode kunt u
bijvoorbeeld de focus veranderen naar iemand aan de rand in een groepsfoto.
U kunt ook op het scherm tikken om scherp te stellen op een bepaald gebied of
om een bepaalde scherpstelafstand in te stellen. Deze opties zijn uitsluitend
beschikbaar voor de hoofdcamera en zijnafhankelijk van de geselecteerde
opnamemodus.
De scherpstelafstand instellen
1Tik op
2Tik op Scherpstellen.
3Tik de schuifregelaar om de scherpstelafstand in te stellen.
4Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
5Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken.
Deze instelling is alleen beschikbaar in de modus Handmatig van de hoofdcamera.
terwijl u de camera gebruikt.
Personen, selfies en lachende gezichten
Gezichten waarop wordt scherpgesteld worden aangeduid met een gekleurd
kader. Tik op een kader om een gezicht te selecteren om scherp te stellen.
Gebruik Lachsluiter om automatisch een foto te maken als iemand lacht. Als u een
video opneemt, wordt telkens wanneer een lach wordt gedetecteerd een foto
gemaakt.
Foto's en video's van personen maken
•Let op de houding van de camera. Gebruik de staande stand voor close-upfoto's
om het beeld te vullen. Gebruik de liggende stand voor groepsfoto's of om een
voorwerp op de achtergrond op te nemen.
•Plaats de camera op een stabiel oppervlak en gebruik de zelfontspanner
onscherpe foto's te voorkomen.
Scherpstellen op een ander gezicht
•Voordat u een foto maakt of video opneemt, tikt u op een van de kaders om
1Tik op terwijl u de camera gebruikt.
2Tik op Meer > Automatische opname > Lachsluiter.
3Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen voor de
geselecteerde opnamemodus.
4Als een lach wordt gedetecteerd, wordt automatisch een foto gemaakt.
Deze functie kan ook worden gebruikt voor video's. Tik op > Meer > Automatische
opname (video) > Lachsluiter terwijl u de camera gebruikt.
Een selfie maken
1Selecteer een foto-opnamemodus voor de selfieterwijl u de camera
gebruikt.
2Tik op
om de camera aan de voorzijde te activeren.
3Tik op als u de zelfontspanner wilt gebruiken.
4Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een selfie te maken.
Schakel Zachte-huideect in om huidstinten zachter te maken als u selfies maakt.
De selfietimer activeren met een handpalm
1Tik op
terwijl u de camera gebruikt om de camera aan de voorzijde te
activeren.
2Tik op .
3Tik op Meer > Automatische opname > Handontspanner en sluit het
instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
4Draai uw handpalm met uw vingers recht omhoog in de richting van de
camera.
5Zodra de camera uw hand detecteert, start de timer en wordt een selfie
gemaakt.
Bewegende voorwerpen
Timing is uitermate belangrijk voor het fotograferen en opnemen van bewegende
voorwerpen.
Objecttracering kan automatisch een bewegend voorwerp volgen.
Als u video's opneemt, kunt u met SteadyShot™ automatisch camerabewegingen
compenseren en het beeld stabiel houden.
Bewegende voorwerpen opnemen
•Probeer het voorwerp niet te volgen. U kunt beter een positie vinden van waaruit
het voorwerp u voorbijgaat.
•Pas eventueel de belichting aan op een kortere sluitertijd of een hogere ISO om de
beweging te bevriezen.
Een voorwerp volgen
1Tik op
2Tik op Meer en vervolgens op Objecttracering om in te schakelen.
3Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
4Selecteer een voorwerp om te volgen door dit in de zoeker aan te raken.
5Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto te maken.
Deze functie kan ook worden gebruikt voor video's.
Een stabiele video opnemen
1Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om te selecteren.
2Tik op
3Tik op Meer en vervolgens op SteadyShot™ om in te schakelen.
4Sluit het instellingenmenu. De instelling wordt opgeslagen.
5Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een video op te nemen.
Gebruik camera-apps om uw creativiteit de vrije loop te laten en uw foto's en
video's aan te passen en te delen met vrienden. U kunt virtuele scènes,
panoramafoto's en meer maken.
Lees meer over onze camera-apps op de pagina
AR-eect
AR-eect is de augmented reality-app waarmee u fantasiewerelden kunt
toepassen op foto's en video's. U kunt smileys, papieren poppen, dinosaurussen
en nog veel meer toevoegen.
Een foto maken of video opnemen met een AR-eect
1Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om
2Tik op
3Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto of video te
maken.
en selecteer een scène.
Foto- en video-apps
te selecteren.
.
Panorama
Gebruik de app Panorama om breedhoekfoto's en panoramafoto's te maken.
Een panoramafoto maken
1Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om
2Tik op .
3Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop.
4Beweeg de camera langzaam en gestaag in de richting die op het scherm
wordt aangegeven.
te selecteren.
Creatief eect
Met de app Creatief eect kunt u eecten en kleurenfilters instellen voordat u een
foto maakt of video opneemt.
Een foto maken of video opnemen met een creatief eect
1Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om
2Tik op .
3Veeg om door filters te bladeren of tik op een filter voor een voorbeeld van
het eect.
4Tik op
camerascherm.
5Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om een foto of video te
maken.
6Tik op
om het filter toe te passen en terug te keren naar het
om tussen filters te schakelen.
te selecteren.
Sound Photo
Met de app Sound Photo neemt u een achtergrondgeluid op en maakt u
tegelijkertijd een foto.
1Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om te selecteren.
2Tik op .
3Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om de opname te starten en
een foto te maken. De opname wordt automatisch gestopt.
Timeshift burst
De camera maakt een reeks van 61 foto's binnen twee seconden – één seconde
voordat en één seconde nadat u op de cameratoets op het scherm hebt gedrukt.
Timeshift burst gebruiken
1Veeg over het scherm terwijl u de camera gebruikt om te selecteren.
2Tik op
3Druk op de cameratoets of tik op de sluiterknop om de foto's te maken. De
genomen foto's worden als miniaturen weergegeven.
4Blader door de miniaturen en selecteer de foto die u wilt opslaan. Tik
vervolgens op
.
.
Resolutie en geheugen
Het aantal foto's en video's dat kan worden opgeslagen, is afhankelijk van de
resolutie of het aantal megapixels en de lengte van video.
Foto's en video's van hoge resolutie nemen meer geheugen in beslag. Een lage
resolutie kan prima geschikt zijn voor dagelijks gebruik.
Controleer de status van het geheugen regelmatig. Als het geheugen vol is, kunt u
foto's en video's naar een ander opslagapparaat overzetten om geheugen vrij te
maken. Zie
Geef met de optie Gegevensopslag in het camera-instellingenmenu aan of foto's
en video's moeten worden opgeslagen in het interne geheugen van het apparaat
of op een SD-kaart.
Bestanden beheren met een computer
op de pagina 43.
De resolutie wijzigen
1Tik op
2Tik op Resolutie of Videoresolutie.
3Selecteer de resolutie en sluit het instellingenmenu. De instelling wordt
opgeslagen voor de geselecteerde opnamemodus.
U kunt voor elke opnamemodus een aparte resolutie instellen.
terwijl u de camera gebruikt.
Fotoresoluties
Hoofdcamera:
23MP
5520×4144 (4:3)
Resolutie van 23 megapixels met een beeldverhouding van 4:3. Geschikt voor
foto's die u wilt weergeven op beeldschermen zonder breedbeeldformaat of wilt
afdrukken met een hoge resolutie.
20MP
5984×3376 (16:9)
Resolutie van 20 megapixels met een beeldverhouding van 16:9. Geschikt voor
foto's die u op breedbeeldschermen wilt weergeven.
4000×3008 (4:3). Resolutie van 12 megapixels met een beeldverhouding van 4:3.
Geschikt voor foto's die u wilt weergeven op beeldschermen zonder
breedbeeldformaat of wilt afdrukken met een hoge resolutie.
12MP
4624×2608 (16:9). Resolutie van 12 megapixels met een beeldverhouding van
16:9. Geschikt voor foto's die u op breedbeeldschermen wilt weergeven.
Camera aan voorzijde:
8MP
3264×2448 (4:3)
Resolutie van 8 megapixels met een beeldverhouding van 4:3. Geschikt voor
foto's die u wilt weergeven op beeldschermen zonder breedbeeldformaat of wilt
afdrukken met een hoge resolutie.
5MP
3072×1728 (16:9)
5 megapixel-fotoformaat met hoogte-breedteverhouding van 16:9. Geschikt voor
foto's die u op een niet-breedbeeldscherm wilt weergeven of wilt afdrukken met
een hoge resolutie.
Videoresoluties
HD staat voor High Definition en FPS staat voor Frames Per Second. Een hogere
fps-instelling levert vloeiendere videobeelden, tegen een hogere bestandsgrootte.
De beeldverhouding is de verhouding tussen breedte en hoogte, waarbij de
breedte het eerste getal is.
Hoofdcamera:
Volledige HD (30 fps)
1920×1080 (16:9). Full HD met 30 fps en beeldverhouding 16:9.
HD
1280×720 (16:9). HD met beeldverhouding 16:9.
VGA
640×480 (4:3). VGA (Video Graphics Array) met beeldverhouding 4:3.
MMS
Video's opnemen die geschikt zijn voor verzending in mms-berichten. De
opnametijd van deze video-indeling is beperkt, zodat videobestanden aan een
MMS-bericht kunnen worden toegevoegd.
Camera aan voorzijde:
Full HD
1920×1080 (16:9). Full HD met beeldverhouding 16:9.
HD
1280×720 (16:9). HD met beeldverhouding 16:9.
VGA
640×480 (4:3). VGA (Video Graphics Array) met beeldverhouding 4:3.
Video's opnemen die geschikt zijn voor verzending in mms-berichten. De
opnametijd van deze video-indeling is beperkt, zodat videobestanden aan een
MMS-bericht kunnen worden toegevoegd.
Een diagnose stellen over de camera
Als de camera niet correct functioneren, kunt u een diagnosetest uitvoeren om te
ontdekken of een probleem is opgetreden bij de hoofdcamera, frontcamera, flitser
of cameratoets.
Een diagnostische test van de camera uitvoeren
1Zorg dat u verbonden bent met internet. Tik op terwijl u de camera
gebruikt.
2Tik op Meer.
3Tik op Help en selecteer Camera, Camera aan voorzijde, Flitser of
Cameraknop.
4Volg de instructies op het scherm.
Extra camera-instellingen
Geotags
U kunt bij foto's en video's de locatie opslaan waarop ze zijn genomen. Dit heet
geotaggen. De optie om foto's en video's te geotaggen vereist een draadloos
netwerk en dat de GPS-functie is ingeschakeld.
Geotags inschakelen
1Tik op
2Tik op Meer en vervolgens op Locatie opslaan om in te schakelen. De
instelling wordt opgeslagen.
Statuspictogrammen van geotags
terwijl u de camera gebruikt.
De geografische positie is opgeslagen.
De geografische positie is niet gevonden.
Rasterlijnen
Met Rasterlijnen kunt u de Regel van derden toepassen en belangrijke
voorwaarden langs rasterlijnen of snijpunten daarvan plaatsen. Door voorwerpen
niet altijd in het midden van het beeld te plaatsen, maakt u uw foto's en video's
nog interessanter.
Rasterlijnen activeren of deactiveren
1Tik op terwijl u de camera gebruikt.
2Tik op Meer en vervolgens op de schuifregelaar Rasterlijnen om in of uit te
schakelen. De instelling wordt opgeslagen.
Voorbeeldinstellingen voor foto's
U kunt een voorbeeld van foto's weergeven vlak nadat ze zijn gemaakt.
Voorbeelden activeren of deactiveren
1Tik op
2Tik op Meer > Automatisch fotovoorbeeld en selecteer een optie. De
instelling wordt opgeslagen.
terwijl u de camera gebruikt.
Voorbeeldinstellingen
AanNadat u een foto hebt gemaakt, verschijnt drie seconden lang
rechtsonder in beeld een voorbeeld op het scherm. Vervolgens
wordt de foto opgeslagen.
Alleen camera
aan voorzijde
UitEr verschijnt geen voorbeeld. De foto wordt meteen opgeslagen.
Nadat u een foto met de camera aan de voorzijde hebt gemaakt,
verschijnt drie seconden lang rechtsonder in beeld een
voorbeeld op het scherm. Vervolgens wordt de foto opgeslagen.
Verschillende manieren om de volumetoets te gebruiken
U kunt veranderen hoe u de volumetoets gebruikt.
Wijzigen hoe de volumetoets wordt gebruikt
1Tik op
2Tik op Meer > Volumeknop gebruiken als en selecteer een optie. De
instelling wordt opgeslagen.
terwijl u de camera gebruikt.
Volumetoetsinstellingen
ZoomfunctieGebruik de volumetoets om in of uit te zoomen.
VolumeDe volumetoets is gedeactiveerd voor de camera.
SluiterGebruik de volumetoets als sluiterknop voor foto's en video's.
Geluid
Als Geluid is geactiveerd, maakt de camera een geluid als u een foto maakt of als u
een video-opname start of stopt. Daarnaast hoort u een reeks aftelpieptonen als u
de zelfontspanner gebruikt.
Geluiden activeren of deactiveren
1Tik op
2Tik op Meer en vervolgens op de schuifregelaar Geluid om in of uit te