Aangezien Navico dit product voortdurend verbetert, behouden wij
ons het recht voor om te allen tijde wijzigingen in het product aan
te brengen die mogelijk niet met deze versie van de handleiding
overeenkomen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde
distributeur als u eventueel hulp nodig hebt.
De eigenaar is er persoonlijk verantwoordelijk voor dat de
apparatuur dusdanig wordt geïnstalleerd en gebruikt, dat er geen
ongevallen, persoonlijk letsel of schade aan eigendommen kan
worden veroorzaakt. De gebruiker van dit product is persoonlijk
verantwoordelijk voor het naleven van de regels voor veilig
zeemanschap.
NAVICO HOLDING EN HAAR DOCHTERMAATSCHAPPIJEN,
VESTIGINGEN EN FILIALEN WIJZEN ALLE AANSPRAKELIJKHEID AF
VOOR ENIG GEBRUIK VAN DIT PRODUCT DAT KAN LEIDEN TOT
ONGEVALLEN, SCHADE OF TOT WETSOVERTREDING.
Deze handleiding beschrijft het product ten tijde van het ter perse
gaan. Navico Holding AS en haar dochtermaatschappijen,
vestigingen en filialen behouden zich het recht voor de specificaties
te wijzigen zonder voorafgaande kennisgeving.
Rechtsgeldige taal
Deze verklaring, alle instructiehandleidingen,
gebruikershandleidingen en andere informatie met betrekking tot
het product (Documentatie) kunnen zijn vertaald in, of zijn vertaald
uit een andere taal (Vertaling). In het geval van enig conflict tussen
een Vertaling van de Documentatie, is de Engelstalige versie van de
Documentatie de officiële versie van de Documentatie.
De garantiekaart wordt als separaat document verstrekt. Raadpleeg
bij eventuele vragen de website van uw unit of systeem:
www.lowrance.com
Voorwoord | ELITE Ti² Installatiehandleiding
3
Complianceverklaringen
Europa
Navico verklaart onder onze uitsluitende verantwoordelijkheid dat
het product voldoet aan de eisen van:
• CE volgens RED 2014/53/EU
De relevante conformiteitsverklaring is beschikbaar in de
betreffende productsectie op de volgende website:
• www.lowrance.com
Landen van beoogd gebruik in de EU
AT - Oostenrijk
BE - België
BG - Bulgarije
CY - Cyprus
CZ - Tsjechië
DK - Denemarken
EE - Estland
FI - Finland
FR - Frankrijk
DE - Duitsland
GR - Griekenland
HU - Hongarije
IS - IJsland
IE - Ierland
IT - Italië
LV - Letland
LI - Liechtenstein
LT - Litouwen
LU - Luxemburg
MT - Malta
NL - Nederland
NO - Noorwegen
PL - Polen
PT - Portugal
RO - Roemenië
SK - Slowakije
SI - Slovenië
ES - Spanje
SE - Zweden
CH - Zwitserland
TR - Turkije
UK - Verenigd Koninkrijk
Verenigde Staten van Amerika
Navico verklaart onder onze uitsluitende verantwoordelijkheid dat
het product voldoet aan de eisen van:
• Deel 15 van de FCC-regels. Gebruik is onderworpen aan de
volgende voorwaarden: (1) dit toestel mag geen schadelijke
interferentie veroorzaken, en (2) dit toestel moet alle ontvangen
interferentie accepteren, ook als dat ten koste gaat van de
werking van het toestel
4
Voorwoord | ELITE Ti² Installatiehandleiding
Waarschuwing: De gebruiker wordt gewaarschuwd
dat wijzigingen of aanpassingen die niet uitdrukkelijk
zijn goedgekeurd door de partij die verantwoordelijk is
voor naleving ertoe kunnen leiden dat de bevoegdheid
van de gebruiker om de apparatuur te gebruiken komt
te vervallen.
Notitie: Deze apparatuur genereert, gebruikt en veroorzaakt
Ú
mogelijke straling van radiofrequente energie en kan, indien
niet geïnstalleerd in overeenstemming met de instructies,
schadelijke interferentie veroorzaken aan radiocommunicatie. Er
is echter geen garantie dat er in een bepaalde installatie geen
interferentie zal optreden. Mocht deze apparatuur schadelijke
interferentie veroorzaken met radio- of televisieontvangst, wat
bepaald kan worden door de apparatuur in en uit te schakelen,
dan wordt de gebruiker aangeraden te proberen de
interferentie te corrigeren door één of meer van de volgende
maatregelen:
• Verplaats de ontvangstantenne of richt deze opnieuw
• Vergroot de afstand tussen de apparatuur en de ontvanger
• Sluit de apparatuur aan op een stopcontact van een andere
groep dan waarop de ontvanger is aangesloten
• Raadpleeg de dealer of een ervaren technicus voor hulp
Industrie Canada
Dit apparaat voldoet aan de vergunningsvrije RSS-norm(en) van
Industry Canada. Werking is onderhevig aan de volgende twee
voorwaarden: (1) dit apparaat mag geen interferentie veroorzaken,
en (2) dit apparaat moet alle ontvangen interferentie accepteren,
ook als dat ten koste gaat van de werking van het apparaat.
Le présent appareil est conforme aux CNR d’Industrie Canada
applicables aux appareils radio exempts de licence. L'exploitation
est autorisée aux deux voorwaarden suivantes: (1) l'appareil ne doit
pas produire de brouillage, enz. (2) l’utilisateur de l’appareil doit
accepter tout brouillage radioélectrique subi, même si le brouillage
est susceptible d’en compromettre le fonctionnemen.
Verklaring Industry Canada: volgens de regels van Industry Canada
mag deze radiozender alleen worden gebruikt met een
antennetype en met een maximale (of lagere) versterking voor de
Voorwoord | ELITE Ti² Installatiehandleiding
5
zender waarvoor Industry Canada goedkeuring heeft gegeven. Om
de mogelijke radio-interferentie voor andere gebruikers te
verminderen, moeten het antennetype en de versterking zodanig
worden gekozen dat het equivalent isotropisch uitgestraald
vermogen (EIRP) niet meer is dan noodzakelijk is voor succesvolle
communicatie.
Conformément à la réglementation d’Industrie Canada, le présent
émetteur radio peut fonctionner avec une antenne d’un type et
d’un gain maximal (ou inférieur) approuvé pour l’émetteur par
Industrie Canada. Dans le but de réduire les risques de brouillage
radioélectrique à l’intention des autres utilisateurs, il faut choisir le
type d’antenne et son gain de sorte que la puissance isotrope
rayonnée quivalente (p.i.r.e.) ne dépassepas l’intensité nécessaire à
l’établissement d’une communication satisfaisante.
Australië en Nieuw Zeeland
Navico verklaart onder onze uitsluitende verantwoordelijkheid dat
het product voldoet aan de eisen van:
• niveau 2-apparatuur van de Radiocommunicatienorm 2017
Sommige functies van dit product hebben een internetverbinding
nodig om gegevens te kunnen uploaden en downloaden. Bij
gebruik van een internetverbinding via een mobiele telefoon of een
verbinding die per MB wordt betaald dient u er rekening mee te
houden dat het dataverbruik hoog kan zijn. Uw internetprovider kan
kosten in rekening brengen voor de hoeveelheid gegevens die u
overbrengt. Neem bij twijfel contract op met uw internetprovider
voor de geldende tarieven en beperkingen.
Handelsmerken
Navico® is een gedeponeerd handelsmerk van Navico Holding AS.
Lowrance® is een gedeponeerd handelsmerk van Navico Holding
AS.
Bluetooth® is een gedeponeerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc.
Evinrude® is een gedeponeerd handelsmerk van BRP US, Inc.
6
Voorwoord | ELITE Ti² Installatiehandleiding
Mercury® is een gedeponeerd handelsmerk van Mercury.
NMEA® en NMEA 2000® zijn gedeponeerde handelsmerken van de
National Marine Electronics Association.
Power-Pole® is een gedeponeerd handelsmerk van JL Marine
Systems, Inc.
SD™ en microSD™ zijn handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken van SD-3C, LLC in de Verenigde Staten en/of andere
landen.
SmartCraft VesselView® is een gedeponeerd handelsmerk van
Mercury.
Suzuki® is een gedeponeerd handelsmerk van Suzuki.
Over deze handleiding
Deze handleiding is een naslaghandleiding voor het installeren van
units.
Sommige functies zijn mogelijk niet geactiveerd of beschikbaar voor
schermafbeeldingen in de handleiding. Daarom komen screenshots
van menu's en dialoogvensters mogelijk niet overeen met uw unit.
Belangrijke tekst die speciale aandacht van de lezer behoeft, wordt
als volgt aangegeven:
Notitie: Wordt gebruikt om de aandacht van de lezer op een
Ú
opmerking of belangrijke informatie te richten.
Waarschuwing: Wordt gebruikt als het noodzakelijk
is personen te waarschuwen voorzichtig te werk te
gaan om letsel en/of schade aan personen/apparatuur
te voorkomen.
20Connectoren
20Richtlijnen voor de bekabeling
21Voeding en NMEA 0183
24Sonar
24NMEA 2000
27Software installeren
27Voor de eerste keer opstarten
27Volgorde software-instellingen
27De unit in- en uitschakelen
28Kalibratie touchscreen
28Dialoogvenster Instellingen
29Systeeminstellingen
30Alarmen
31Sonarinstellingen
35Stuurautomaat instellen
35Fuel Settings
38Draadloze instellingen
39Netwerkinstellingen
44Externe ondersteuning
44Integratie SmartCraft VesselView
44Suzuki motorintegratie
45Yamaha Motor integratie
45Evinrude motorintegratie
Inhoud | ELITE Ti² Installatiehandleiding
9
46Power-Pole-ankers
47Accessoires
48Ondersteunde gegevens
48Lijst van met NMEA 2000 compatibele PGN's
53Door NMEA 0183 ondersteunde sentences
55Technische specificaties
55Elite Ti²
57Maattekeningen
57ELITE 7Ti²
57ELITE 9Ti²
58ELITE 12Ti²
10
Inhoud | ELITE Ti² Installatiehandleiding
Inleiding
ENGL
ISH
Ins
ta
llati
on
Man
ua
l
ENGL
ISH
Ins
ta
llat
ionMan
ual
ENGL
ISH
In
sta
llat
ionMan
ua
l
ENGLISH
In
sta
llat
ion
Manu
al
C
A
D
B1
B2
F
E
Bijbehorende onderdelen:
1
ELITE Ti²
AELITE Ti² unit
B1 ELITE 7Ti² snelwisselsteun
B2 ELITE 9Ti² en 12Ti² U-vormige beugel
CZonnescherm
DVoedingskabelset
E7-pins naar 9-pins transduceradapterkabel (meegeleverd
met units die niet met een transducer worden verzonden)
FDocumentatie
Inleiding | ELITE Ti² Installatiehandleiding
11
Toetsen
A
B
C
D
ELITE Ti²
AKnop Pagina's
• Druk hier eenmaal op om de startpagina te activeren, druk
herhaaldelijk kort om de favoriete pagina's te doorlopen
BKnoppen voor in-/uitzoomen en MOB-knop
• Druk hierop om in en uit te zoomen
• Door beide knoppen tegelijk ingedrukt te houden, wordt
een Man Overboard (MOB) waypoint opgeslagen op de
huidige vaartuigpositie
12
CWaypoint-knop
• Druk om het dialoogvenster Nieuw waypoint te openen
• Druk twee keer om een waypoint op te slaan
• Houd ingedrukt om het dialoogvenster Zoeken te openen
DAan/uit-knop
• Druk om de unit in te schakelen
• Houd ingedrukt om de unit uit te schakelen
• Druk één keer om het dialoogvenster Systeembediening
te openen en druk herhaaldelijk kort om de helderheid
van de schermverlichting te doorlopen
Inleiding | ELITE Ti² Installatiehandleiding
Kaartlezer
U kunt een geheugenkaart gebruiken voor:
• Kaartgegevens
• Software updates
• Overdracht van gebruikersgegevens
• Systeemback-ups
Notitie: Zorg dat u geen bestanden downloadt, overdraagt of
Ú
kopieert naar een kaart met cartografische producten. Dat kan
de cartografische informatie op de kaart beschadigen.
Het beschermende klepje moet altijd goed worden afgesloten na
het plaatsen of verwijderen van de kaart zodat er geen water kan
binnendringen.
Inleiding | ELITE Ti² Installatiehandleiding
13
Connectoren
ABC
ELITE Ti²
AVoeding en NMEA 0183
De NMEA 0183 functionaliteit vereist een gecombineerde
voedings- en NMEA 0183 kabel (afzonderlijk verkrijgbaar)
BNMEA 2000
CSonar
14
Inleiding | ELITE Ti² Installatiehandleiding
2
Installatie
Installatierichtlijnen
Kies de montageplaats zorgvuldig en controleer voordat u gaat
boren of zagen of er achter het paneel geen elektrische draden of
andere onderdelen zijn verborgen. Zorg dat de gaten op een veilige
plek worden aangebracht, waar ze de constructie van de boot niet
verzwakken. Raadpleeg bij twijfel een ervaren botenbouwer of een
installateur van zeilelektronica.
Doe dit niet:
• Onderdelen bevestigen waar deze kunnen worden gebruikt als
houvast
• Onderdelen bevestigen waar deze onder water kunnen komen
te staan
• Onderdelen bevestigen waar deze kunnen storen bij het
bedienen, te water gaan of in veiligheid brengen van de boot
Doe dit wel:
• Test de unit op de beoogde locatie om de werking van de
draadloze verbinding en GPS te controleren. Metaal en koolstof
staan bekend om hun negatieve invloed op de prestaties. Slechte
prestaties kunnen worden verholpen door een goed geplaatste
externe GPS-bron en/of draadloze module toe te voegen
• Controleer of de kijkhoeken optimaal zijn
• Controleer of is voldaan aan de algehele vereisten voor breedte
en hoogte
• Controleer of de kaartlezer goed toegankelijk is
• Laat voldoende ruimte vrij om alle relevante kabels aan te sluiten
• Controleer of het mogelijk is om kabels te leggen naar de
beoogde montagelocatie
Notitie: Bij inbouw moet de omlijsting droog zijn en een goede
Ú
ventilatie hebben. Bij kleine behuizingen moet u mogelijk een
koelsysteem plaatsen.
Installatie | ELITE Ti² Installatiehandleiding
15
Waarschuwing: Bij onvoldoende ventilatie en
daaropvolgende oververhitting van de unit kan de
werking onbetrouwbaar zijn en kan de levensduur
afnemen. Wanneer de unit wordt blootgesteld aan
omstandigheden die buiten de specificaties vallen,
wordt de garantie mogelijk ongeldig. Raadpleeg de
technische specificaties in de "Technische specificaties" op
pagina 55.
Bevestiging snelwisselsteun
1. Plaats de steun op de gewenste plek. Zorg dat de gekozen
locatie hoog genoeg is om de unit in de beugel te kunnen
plaatsen en ruimte biedt om de unit te kunnen kantelen.
2. Markeer de plek van de schroefgaten door de steun als sjabloon
te gebruiken en boorgeleidegaten. Gebruik
bevestigingsmiddelen die geschikt zijn voor het materiaal
waarop u de unit wilt bevestigen.
3. Schroef de beugel vast.
4. Klik de unit in de beugel.
5. Kantel de unit eerst in de gewenste hoek en plaats daarna de
vergrendelende bout en knop. Draai deze stevig aan om
beweging te voorkomen.
16
Installatie | ELITE Ti² Installatiehandleiding
De unit uit de beugel verwijderen
Trek aan de hendel en houd deze vast. Trek vervolgens de unit uit
de beugel.
Installatie | ELITE Ti² Installatiehandleiding
17
Bevestiging U-beugel
1. Plaats de steun op de gewenste plek. Zorg dat de gekozen
locatie hoog genoeg is om de unit in de beugel te kunnen
plaatsen en ruimte biedt om de unit te kunnen kantelen.
Bovendien moet er aan beide kanten genoeg ruimte zijn om de
knoppen los en vast te kunnen draaien.
2. Markeer de plek van de schroefgaten door de steun als sjabloon
te gebruiken en boorgeleidegaten. Gebruik
bevestigingsmiddelen die geschikt zijn voor het materiaal
waarop u de unit wilt bevestigen.
3. Schroef de beugel vast.
4. Bevestig de unit met de knoppen aan de steun. Draai deze
uitsluitend met de hand aan.
18
Paneelmontage
Raadpleeg de afzonderlijke montagesjabloon voor paneelmontageinstructies.
Installatie | ELITE Ti² Installatiehandleiding
De hoekklemmen verwijderen
Installatie | ELITE Ti² Installatiehandleiding
19
3
Bedrading
Connectoren
Voor beschikbare connectoren en de connectorlay-out zie
"Connectoren" op pagina 14.
Richtlijnen voor de bekabeling
Doe dit niet:
• Maak geen scherpe knikken in de kabels
• Zorg bij de plaatsing van de kabels dat er geen water in de
connectoren kan lopen
• Plaats de kabels niet direct naast de radar, de zender of naast
grote of hoogspanningskabels en kabels met een hoog
frequentiesignaal.
• Plaats de kabels niet op locaties waar ze mechanische systemen
belemmeren
• Kabels leggen over scherpe randen of klevende oppervlakken
Doe dit wel:
• Maak druipwater- en servicelussen
• Gebruik kabelbinders bij alle kabels om ze op hun plaat te
houden
• Soldeer/krimp en isoleer alle bedradingsaansluitingen die de
kabels verlengen of verkorten. Uitstekende kabels moeten
worden voorzien van een passende krimpconnector of dicht
worden gesoldeerd of gesmolten. Verbind kabels op een zo
hoog mogelijke plek om de kans op onderdompeling te
minimaliseren.
• Laat ruimte vrij rondom connectoren om het plaatsen en
verwijderen van kabels makkelijker te maken
20
Waarschuwing: Schakel de stroom uit voor u met de
installatie begint. Als de stroom ingeschakeld blijft
tijdens de installatie bestaat het risico van brand,
elektrische schokken of andere ernstige verwondingen.
Zorg dat het voltage van de stroomvoorziening
compatibel is met dat van de unit.
Bedrading | ELITE Ti² Installatiehandleiding
4
7
86
3
5
2
1
9
10
Waarschuwing: De positieve voedingsdraad (rood)
moet altijd met (+) DC worden verbonden met een
zekering of een stroomonderbreker (die zo dicht
mogelijk bij de stroomsterkte van de zekering komt).
Voeding en NMEA 0183
Details connector
Uitgang op unit (vrouwelijk)
PenDoel
1Niet gebruikt
2Listener B (Rx_B)
3Niet gebruikt
4Talker B (Tx_B)
5Afvoer
6Talker A (Tx_A)
7+ 12 V DC
8DC negatief
9Niet gebruikt
10Listener (Rx_A)
Notitie: Om gebruik te maken van de NMEA 0183
Ú
functionaliteit moet u een gecombineerde voedings- en NMEA
0183 kabel gebruiken (afzonderlijk verkrijgbaar).
Bedrading | ELITE Ti² Installatiehandleiding
21
Voeding
De unit is geschikt voor voeding door een 12 V DC systeem.
De unit is beveiligd tegen omgekeerde polariteit, onderspanning en
overspanning (voor een beperkte tijd).
Op de positieve toevoer moet een zekering of stroomonderbreker
worden geplaatst. Voor de aanbevolen stroomsterkte van de
zekering, zie "Technische specificaties" op pagina 55.
Touchscreenbediening in een niet-nautische omgeving
De unit is ontworpen voor gebruik op een schip in het water. Als u
problemen ondervindt bij het bedienen van het touchscreen als het
schip niet in het water ligt, probeer dan de volgende oplossingen:
• Als de accu is ingeschakeld, probeert u het apparaat te voeden
met een 12V AC-naar-DC voeding
• Sluit een extra kabel, zoals een transducer, op de unit aan en voer
deze kabel naar de vloer
• Raak een van de kabels aan die zijn aangesloten op de unit (12 V-
voeding of transducer) om de elektrische referentie voor het
touchscreen te verbeteren
NMEA 0183
De unit heeft een seriële NMEA 0183 interface voor zowel invoer als
uitvoer. De poort of poorten maken gebruik van de NMEA 0183
standaard (gebalanceerde seriële communicatie) en in de software
kunt u verschillende baudrates instellen, tot maximaal 38.400.
22
Talkers en listeners
Slechts één talker (output) kan worden aangesloten op een seriële
ingang (RX) op de unit, in overeenstemming met het NMEA0183
protocol. Een uitgangspoort (TX) op de unit kan echter worden
aangesloten op maximaal drie listener (ontvanger) apparaten,
afhankelijk van de hardwaremogelijkheden van de ontvanger.
Bedrading | ELITE Ti² Installatiehandleiding
Voedingsaansluiting (meegeleverde kabel)
AB
C
E
F
G
H
I
AB C D
ToetsDoelKleur
A+ 12 V DCRood
BDC negatiefZwart
CZekering
Voedings- en NEMA 0183 verbinding (kabel
afzonderlijk verkrijgbaar)
Pen BeschrijvingKleur
A+ 12 V DCRood
BDC negatiefZwart
CZekering--
Bedrading | ELITE Ti² Installatiehandleiding
23
Pen BeschrijvingKleur
2
1
3
4
5
DNiet gebruiktGeel
ETalker A (Tx_A)Geel
FTalker B (Tx_B)Blauw
GListener (Rx_A)Oranje
HListener B (Rx_B)Groen
IAarde (beveiliging)--
Sonar
Ondersteunt:
• Sonar/CHIRP sonar
• DownScan
• SideScan
• Active Imaging/Active Imaging 3-in-1/TotalScan/StructureScan
Notitie: Een 7-pins transducerkabel kan op een 9-pins poort
Ú
worden aangesloten met een 7-pins naar 9-pins adapterkabel.
Als de transducer een sensor heeft voor de snelheid van het
schoepenwiel, geeft de unit geen gegevens over de
watersnelheid weer.
NMEA 2000
Via de NMEA 2000 datapoort kunt u gegevens uit verschillende
bronnen ontvangen en delen.
Details connector
24
Bedrading | ELITE Ti² Installatiehandleiding
Uitgang (mannelijk)
PenDoel
A
C
C
D
B
E
A
B
A
B
1Afscherming
2NET-S (+12 V DC)
3NET-C (DC negatief)
4NET-H
5NET-L
Een NMEA 2000 netwerk plannen en installeren
Een NMEA 2000 netwerk bestaat uit een backbone-voedingskabel
van waaruit netwerkkabels verbinding maken met NMEA 2000
apparaten. De backbone-kabel moet zijn gelegen op 6 m (20 ft)
afstand van de locaties van alle aan te sluiten apparaten, meestal in
een lijn van boeg naar achtersteven.
De volgende richtlijnen zijn van toepassing:
• De totale lengte van de backbone-kabel mag niet groter zijn dan
100 meter (328 ft)
• Een enkele netwerkkabel heeft een maximale lengte van 6 meter
(20 ft). De totale lengte van alle netwerkkabels samen mag niet
meer zijn dan 78 meter (256 ft)
• De backbone-kabel moet aan elk uiteinde een afsluiter hebben.
De afsluiter kan een eindplug of een unit met ingebouwde
terminator zijn
Het netwerk heeft een eigen 12 V DC voeding nodig, beschermd
door een 3 ampère zekering.
Bij kleinere systemen: voeding aansluiten ergens in de backbone.
Bij grotere systemen: voeding aansluiten op een centraal punt in de
backbone voor een gelijkmatige spanning in het netwerk. Zorg bij
installatie dat de belasting-/stroomafname aan weerszijde van het
voedingspunt gelijk is.
Notitie: 1 LEN (Load Equivalency Number) is gelijk aan 50 mA
Ú
stroomafname.
Notitie: Sluit de NMEA 2000 voedingskabel niet aan op
Ú
dezelfde terminals als de startaccu van de motor, de
stuurautomaatcomputer, de boogschroefinstallatie of andere
hoogspanningsapparaten.
26
Bedrading | ELITE Ti² Installatiehandleiding
4
Software installeren
Voor de eerste keer opstarten
Wanneer de apparaat de eerste keer wordt opgestart, of na het
herstellen van de fabrieksinstellingen, worden verschillende
dialoogvensters op de unit weergegeven. Volg de aanwijzingen in
de dialoogvensters om de basisinstellingen in te voeren.
In het dialoogvenster Systeem regelingen kunt u verdere
instellingen invoeren en instellingen later wijzigen.
Volgorde software-instellingen
1Algemene instellingen - zie "Systeeminstellingen" op pagina
29.
• Kies de gewenste algemene instellingen
2Geavanceerde instellingen - zie "Geavanceerd" op pagina
29.
• Functies in- of uitschakelen
• Bekijk de verschillende geavanceerde instellingen en
breng de gewenste wijzigingen aan
3Bronselectie - zie "Netwerkinstellingen" op pagina 39.
• Zorg dat de juiste externe gegevensbronnen zijn
geselecteerd
4Draadloze instellingen - zie "Draadloze instellingen" op pagina
38.
• Koppel de Elite Ti² aan een andere Elite Ti² om gegevens-
en sonarbronnen te delen.
5Functies instellen
• Configureer bepaalde functies, zoals verderop in dit
hoofdstuk beschreven
De unit in- en uitschakelen
Het systeem wordt ingeschakeld door op de aan/uit-knop te
drukken.
Deze optie wordt gebruikt om de fysieke kenmerken van de boot te
specificeren.
Time (Tijd)
Bepaalt de offset van de plaatselijke tijdzone en het formaat van de
tijd en datum.
Geavanceerd
Wordt gebruikt voor het configureren van geavanceerde
instellingen. Hier kunt u bovendien instellen op welke manier uw
systeem verschillende gebruikersinterfacegegevens weergeeft.
Functies in- of uitschakelen
Met de optie Functie kunt u functies in- of uitschakelen die niet
automatisch door het systeem worden in- of uitgeschakeld.
Zorgt dat de interne sonar geselecteerd kan worden in het menu
van het sonarpaneel.
Wanneer de interne sonar is uitgeschakeld, wordt deze niet vermeld
als sonarbron voor de units op het netwerk.
Selecteer deze optie op een unit zonder aangesloten transducer.
DownScan Overlay
Als op uw systeem een DownScan-transducer is aangesloten, kunt u
DownScan-beelden weergeven als overlay op het normale Sonar
beeld.
Als DownScan Overlay is geactiveerd, wordt het Sonar paneelmenu
uitgebreid met DownScan basisopties.
Structuur diepte offset
Instelling voor structuurtransducers.
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de
bodem. Daardoor zijn de gemeten waterdiepten exclusief de
afstand tussen de transducer en het laagste punt van de boot in het
water of de afstand van de transducer tot het wateroppervlak.
Selecteer deze optie om een lijst van Sonar-bronnen weer te geven
die beschikbaar zijn voor configuratie. De instellingen die u
configureert in de rest van het dialoogvenster gelden alleen voor de
geselecteerde bron.
Bron naam
Selecteer deze optie om een beschrijvende naam voor de
geselecteerde transducer in te voeren.
Vismodus
Deze functie bestaat uit een vooraf ingesteld pakket
sonarinstellingen die ontworpen zijn voor specifieke viscondities.
Notitie: Het selecteren van de juiste vismodus is essentieel voor
Ú
optimale sonarprestaties.
VismodusDieptePalet
Algemeen gebruik ≤ 305 m (1.000
voet)
Ondiep water≤ 18 m (60 voet)Witte achtergrond
Zoetwater≤ 122 m (400 voet) Witte achtergrond
Diep water≤ 1524 m (5.000
voet)t
Langzaam trollen≤ 122 m (400 voet) Witte achtergrond
Snel trollen≤ 122 m (400 voet) Witte achtergrond
Helder water≤ 122 m (400 voet) Witte achtergrond
IJsvissen≤ 122 m (400 voet) Witte achtergrond
Diepte-offset
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de
bodem. Daardoor zijn de gemeten waterdiepten exclusief de
afstand tussen de transducer en het laagste punt van de boot in het
water of de afstand van de transducer tot het wateroppervlak.
• Om de diepte vanaf het laagste punt van het vaartuig tot de
bodem weer te geven stelt u de offset in als de verticale afstand
tussen de transducer en het laagste punt van het vaartuig A
(negatieve waarde).
• Om de diepte vanaf het wateroppervlak tot de bodem weer te
geven stelt u de offset in als de verticale afstand tussen de
transducer en het wateroppervlak B (positieve waarde)
• Zet de offset op 0 voor de diepte onder de transducer.
Kalibratie watertemperatuur
Temperatuurkalibratie dient om de watertemperatuurwaarde
aangegeven door de sonartransducer aan te passen. Het kan nodig
zijn lokale invloeden op de gemeten temperatuur te corrigeren.
Kalibratiebereik: -9,9° tot +9,9°. 0° is standaard.
Notitie: Kalibratie van de watertemperatuur verschijnt alleen als
Ú
de transducer temperatuur kan meten.
Transducertype
Notitie: Het transducertype wordt automatisch ingesteld voor
Ú
transducers die Transducer ID (XID) ondersteunen en kan niet
door de gebruiker worden geselecteerd.
Onder Type transducer type selecteert u het model van de
transducer die met de sonarmodule is verbonden. De geselecteerde
transducer bepaalt welke frequenties u kunt kiezen bij gebruik van
de sonar. Sommige transducers met ingebouwde
temperatuursensoren geven de temperatuur niet nauwkeurig weer,
en bij selectie van de verkeerde transducer wordt de temperatuur
helemaal niet weergegeven. Temperatuursensoren hebben een
impedantie van 5k of 10k. Wanneer beide opties worden gegeven
voor hetzelfde model transducer, raadpleeg dan de documentatie
van de transducer om de impedantie vast te stellen.
Stuurautomaat instellen
Stuurautomaatfuncties worden ingeschakeld wanneer een
compatibele trollingmotor is aangesloten. Een aparte setup is niet
nodig. Zie de bedieningshandleiding voor meer informatie.
Fuel Settings
Het hulpprogramma Brandstof bewaakt het brandstofverbruik. Het
brandstofverbruik wordt per trip en per seizoen bijgehouden en
gebruikt voor het berekenen van de brandstofzuinigheid. Deze
informatie wordt getoond in de gegevensbalk op de
instrumentenpagina.
Om het hulpprogramma te kunnen gebruiken, moet een Navico
brandstofstroomsensor of een NMEA 2000-motoradapterkabel/
gateway met Navico-brandstofgegevensopslagapparaat in de boot
worden geplaatst. Voor de Navico-brandstofstroomsensor is het
gebruik van een afzonderlijk brandstofopslagapparaat niet nodig.
Vraag de fabrikant van de motor of uw dealer of uw motor de juiste
gegevensuitvoer heeft en welke adapter beschikbaar is voor de
verbinding met de NMEA 2000.
Als de fysieke aansluiting is gemaakt, controleert u of de
bronselectie is voltooid. Bij meerdere motorinstallaties met
brandstofstroomsensoren of brandstofgegevensopslagapparaten
moet u de locatie van de motoren opnemen in de Apparatenlijst.
Raadpleeg "Netwerkinstellingen" op pagina 39 voor algemene
informatie over bronselectie.
In dit dialoogvenster kunt u het aantal motoren, het aantal tanks en
de totale brandstofcapaciteit voor alle tanks opgeven.
Brandstofniveau meten
U kunt de resterende brandstof meten aan de hand van de
brandstof die is gebruikt door motor(en) of aan de hand van de
brandstofniveausensoren in de tank. Het nominale
brandstofverbruik is vereist voor het instellen van de schaal op de
meter voor de brandstofzuinigheid. Deze waarde moet worden
bepaald aan de hand van ervaring over langere tijd. De bouwer of
ontwerper van de boot kan ook een schatting geven van de waarde
die u moet gebruiken.
Notitie: Het resterende brandstofniveau dat is gemeten met
Ú
niveausensoren tijdens het varen kan onnauwkeurig zijn als
gevolg van bewegingen van de boot.
Notitie: Bij het bepalen van de instelling voor het nominale
Ú
brandstofverbruik moet rekening worden gehouden met
gangbare ladingen in het vaartuig. Dit zijn bijvoorbeeld gevulde
brandstoftanks, watertanks, vracht, voedsel, enz.
36
Brandstofstroomconfiguratie
Nadat het aantal motoren is ingesteld, dient u aan te geven welke
brandstofstroomsensor met welke motor is verbonden. Onder
Apparatenlijst op de pagina Netwerk kunt u het venster
Apparaatconfiguratie bekijken voor iedere sensor, en de Locatie
instellen van de motor waarmee het apparaat is verbonden.
Configuratie ongedaan maken - herstelt de standaardwaarde
van het apparaat. Alle gebruikersinstellingen worden gewist.
Brandstofstroom opnieuw instellen - herstelt alleen de instelling
van de Brandstof K-waarde, als Kalibreren wordt ingesteld. Alleen
Navico-apparaten kunnen opnieuw worden ingesteld.
Kalibratie kan noodzakelijk zijn om de gemeten brandstofstroom
nauwkeurig overeen te laten komen met de werkelijke
brandstofstroom. Ga in het dialoogvenster Tanken naar kalibratie.
Alleen brandstofstroomsensoren van Navico kunnen gekalibreerd
worden.
1. Begin met een volle tank en laat de motor draaien zoals
gewoonlijk.
2. Nadat er minstens een aantal liter (een paar gallons) is verbruikt,
moet de tank helemaal bijgevuld worden. Selecteer vervolgens
de optie Zet op vol.
3. Selecteer de optie Kalibreren.
4. Selecteer de Werkelijk gebruikte hoeveelheid, die is gebaseerd
op de hoeveelheid brandstof waarmee is bijgetankt.
5. Selecteer OK om de instellingen op te slaan. De Brandstof K-
waarde laat nu een nieuwe waarde zien.
Notitie: Als u meerdere motoren wilt kalibreren herhaalt u
Ú
bovenstaande stappen. Kalibreer de motoren één voor één. U
kunt ook alle motoren tegelijkertijd laten draaien en de
Werkelijk gebruikte hoeveelheid delen door het aantal motoren.
Hierbij wordt aangenomen dat de motoren allemaal ongeveer
evenveel brandstof verbruiken.
Notitie: De optie Kalibreren is alleen beschikbaar als Zet op vol
Ú
is geselecteerd en een brandstofstroomsensor is aangesloten
en ingesteld als bron.
Door een Navico-brandstofpeilapparaat aan te sluiten op een
geschikte tankniveausensor is het mogelijk om de resterende
hoeveelheid brandstof in de tank te meten. Het aantal tanks moet
worden aangegeven in het dialoogvenster Instellingen vaartuig, dat
kan worden geopend op de pagina Opties voor
brandstofinstellingen. Hier kunt u de vloeistofniveau-apparaten
toewijzen aan verschillende tanks.
Selecteer Apparatenlijst op de pagina Netwerk en bekijk het venster
Apparaatconfiguratie voor iedere sensor. Stel de locatie, het
vloeistoftype en de afmeting in voor iedere tank.
Raadpleeg de bedieningshandleiding voor instructies over het
instellen van een instrumentenbalk of -meter met gegevens over
het vloeistofniveau-apparaat op de pagina Instrumenten.
Notitie: Er worden maximaal 5 tanks met vloeistofniveau-
Ú
apparaten ondersteund.
Notitie: Tankgegevens die worden geleverd door een
Ú
compatibele motorgateway kunnen ook worden getoond,
maar het is niet mogelijk om op deze unit een tankconfiguratie
te maken voor dit type gegevensbron.
Draadloze instellingen
Biedt configuratie- en instellingsopties voor de draadloze
functionaliteit.
38
Raadpleeg de bedieningshandleiding voor meer informatie over
draadloze installatie en connectiviteit.
WiFi-verbinding
De unit kan tegelijkertijd als WiFi-toegangspunt en als WiFi-client
fungeren. De unit kan alleen als één toegangspunt en als één client
tegelijkertijd fungeren.
De unit fungeert als een toegangspunt wanneer:
• er een telefoon of tablet is aangesloten op de afstandsbediening
Met de optie Automatisch configureren zoekt u naar alle bronnen
die op het apparaat zijn aangesloten. Indien er meer dan één bron
beschikbaar is voor elk gegevenstype, wordt de selectie gemaakt op
basis van een interne prioriteitenlijst.
Notitie: Deze optie biedt de beste configuratie van beschikbare
Ú
gegevensbronnen voor de meeste installaties.
Gegevensbronnen
Gegevensbronnen voorzien het systeem van realtime gegevens. Als
een apparaat is verbonden met meer dan één bron die dezelfde
gegevens levert, kan de gebruiker de gewenste bron selecteren.
Voordat u de bron selecteert, moet u ervoor zorgen dat alle externe
apparaten en netwerken zijn aangesloten en ingeschakeld.
Handmatige selectie is over het algemeen alleen nodig als er meer
dan één bron voor dezelfde gegevens is en de automatisch
geselecteerde bron niet de gewenste bron is.
Demping
Indien gegevens onjuist of te gevoelig zijn, kan demping worden
toegepast om de informatie stabieler te maken. Wanneer demping
niet is ingeschakeld, worden de gegevens in ruwe vorm
gepresenteerd, zonder demping.
40
Apparatenlijst
Door een apparaat in deze lijst te selecteren, worden aanvullende
gegevens en opties voor het apparaat weergegeven.
Alle apparaten staan toewijzing van een exemplaarnummer in de
configuratie-optie toe. Stel unieke exemplaarnummers in voor
identieke apparaten in het netwerk, zodat de unit deze van elkaar
kan onderscheiden. De gegevensoptie toont alle gegevens die door
het apparaat worden uitgevoerd. Sommige apparaten tonen extra
opties die specifiek zijn voor het apparaat.
Notitie: Een exemplaarnummer instellen voor een product van
Ú
derden is meestal niet mogelijk.
Diagnose
Nuttige informatie voor het vaststellen van een probleem met het
netwerk.
NMEA 2000
Geeft informatie over de activiteit van de NMEA 2000-bus.
Notitie: De volgende informatie duidt niet altijd op een
Ú
probleem dat eenvoudig kan worden opgelost met een kleine
wijziging in de netwerkstructuur of in de aangesloten
apparaten en hun activiteit in het netwerk. Rx- en Tx-fouten
geven waarschijnlijk problemen met het fysieke netwerk aan.
Dit zijn problemen die kunnen worden opgelost door een
connector te vervangen/repareren, een backbone- of
netwerkkabel in te korten of het aantal netwerkknooppunten
(apparaten) te verminderen.
Selecteer deze optie om een ander apparaat dat waypoints kan
aanmaken en exporteren via NMEA 2000 toegang te geven, en
directe overdracht naar deze unit toe te staan.
Waypoint verzenden
Selecteer deze optie om de unit toestemming te geven om via
NMEA 2000 waypoints te versturen naar een ander apparaat.
Notitie: Het systeem kan maar één nieuw waypoint tegelijk
Ú
verzenden of ontvangen. Raadpleeg de bedieningshandleiding
voor bulkimport of -export van waypoints.
Synchronisatie achtergrondverlichting
Selecteer deze optie als u synchronisatie van de helderheid wilt
toestaan van de verschillende displays die zijn aangesloten op
hetzelfde netwerk.
Installatie NMEA 0183
De instellingen van de NMEA 0183 poort(en) moeten
overeenkomen met de snelheid van verbonden apparaten. U kunt
deze poort zodanig configureren dat alleen de zinnen worden
uitgevoerd die vereist zijn voor luisterende apparaten.
42
Waypoint ontvangen
Selecteer deze optie om toe te staan dat een ander apparaat dat
waypoints kan aanmaken en exporteren via NMEA 0183, direct
gegevens kan overdragen naar deze unit.
Seriële poorten
Specificeert de baudrate en het protocol voor de NMEA 0183
interface. De baudrate moet worden ingesteld om overeen te
komen met die van apparaten die zijn aangesloten op de NMEA
0183 ingang en uitgang.
Met deze selectie bepaalt u of de gegevens worden uitgevoerd via
Tx-lijnen. Als dit is ingeschakeld, kan de lijst met uitvoerzinnen
worden bewerkt.
Seriële uitvoerzinnen
Met deze lijst kunt u beheren welke zinnen vanaf de NMEA 0183
poort worden verzonden naar andere apparaten. Vanwege de
beperkte bandbreedte van NMEA 0183 is het wenselijk om alleen
de vereiste gegevens in te schakelen. Hoe minder zinnen
geselecteerd zijn, hoe hoger de uitvoersnelheid van de
ingeschakelde zinnen.
Veelgebruikte zinnen zijn standaard ingeschakeld.
Draadloos
De NMEA 0183 gegevensstroom wordt uitgevoerd en beschikbaar
gesteld voor tablets en pc's via het interne draadloze netwerk. In het
dialoogvenster staan het IP-adres en de poort die meestal vereist
zijn voor het configureren van de toepassing op het apparaat van
de externe partij.
Notitie: Andere MFD's kunnen deze informatie niet decoderen
Ú
naar NMEA 0183 om de gegevens als bron te gebruiken. Voor
het delen van gegevens is nog steeds een fysieke NMEA 2000 of
NMEA 0183 verbinding nodig.
Wanneer een compatibel Mercury Marine VesselView product of
VesselView Link aanwezig is op het NMEA 2000 netwerk, kunnen de
motoren worden bewaakt en bediend vanaf de unit.
Als de functie ook is ingeschakeld in het dialoogvenster
Geavanceerde instellingen:
• Er wordt een Mercury pictogram toegevoegd aan de home
pagina - selecteer deze optie om het instrumentenpaneel van de
motor weer te geven.
• Er wordt een dialoogvenster met Mercury instellingen
toegevoegd - gebruik dit dialoogvenster om de instellingen van
de motor te wijzigen.
• Er worden ook Mercury en Vaartuigregeling knoppen
toegevoegd aan de bedieningsbalk.
- Door het selecteren van de Mercury knop worden de motoren vaartuiggegevens weergegeven.
- Door het selecteren van de Vaartuig knop wordt de
motorbedieningsunit geopend.
Wanneer de functies zijn ingeschakeld, wordt de gebruiker mogelijk
gevraagd om informatie over basisinstellingen op te geven.
Raadpleeg voor meer informatie de VesselView handleiding of de
motorleverancier.
44
Suzuki motorintegratie
Indien een Suzuki C-10 meter beschikbaar is op het NMEA 2000
netwerk, kunnen de motoren vanuit de unit worden bewaakt.
Als de functie ook is ingeschakeld in het dialoogvenster
Geavanceerde instellingen:
• Er wordt een Suzuki pictogram toegevoegd aan de home pagina
- selecteer deze optie om het instrumentenpaneel van de motor
weer te geven.
Raadpleeg voor meer informatie de motorhandleiding of de
motorleverancier.
Power-Pole-ankers, die kunnen worden aangestuurd door het op
uw boot geïnstalleerde C-Monster Control System, kunnen worden
bediend via de unit. Om de Power-Poles te kunnen bedienen dient
u deze te koppelen met de unit via de op beide producten
beschikbare draadloze Bluetooth-technologie.
129809 AIS, klasse B, “CS”, rapport met vaste gegevens, deel A
129810 AIS, klasse B, “CS”, rapport met vaste gegevens, deel B
130074 Route en WP-service - WP-lijst - WP-naam en -positie
130306 Windgegevens
130310 Omgevingsparameters
130311 Omgevingsparameters
130312 Temperatuur
130313 Vochtigheid
130314 Werkelijke druk
130576 Status van kleine vaartuigen
130577 Richtinggegevens
130840 Configuratie gegevensgebruikersgroep
130842 SimNet DSC-bericht
130845 Hantering parameters
130850 Commando gebeurtenis
130851 Antwoord gebeurtenis
130817 Productinformatie
130820 Status herprogrammeren
130831 Configuratie Suzuki-motor en opslagapparaat
130832 Verbruikte brandstof - hoge resolutie
130834 Configuratie motor en tank
130835 Configuratie motor en tank instellen
130838 Waarschuwing vloeistofniveau
130839 Configuratie druk
130840 Configuratie gegevensgebruikersgroep
130842 Berichttransport AIS en VHF
130843 Sonarstatus – frequentie en DSP-voltage
130845 Weers- en visvoorspelling en geschiedenis
barometerdruk
130850 Evinrude-motorwaarschuwingen
130851 Parameter (RC42-kompas en IS12-windkalibratie en -
configuratie)
50
Ondersteunde gegevens | ELITE Ti²
Installatiehandleiding
NMEA 2000 PGN (verzenden)
61184Parameterverzoek/opdracht
65287Temperatuur configureren
65289Kalibratie trimtab
65290Snelheid schoepenwiel configureren
65291Backlightregeling
65292Waarschuwingen niveau heldere vloeistoffen
65293Configuratie LGC-2000
65323Verzoek gegevensgebruikersgroep
126208 ISO-opdrachtgroepfunctie
126992 Systeemtijd
126996 Productinformatie
127237 Koers/trackcontrole
127250 Voorliggende koers van vaartuig
127258 Magnetische variatie
128259 Snelheid, door het water
128267 Waterdiepte
128275 Afstandlog
129025 Positie, snelle update
129026 COG en SOG, snelle update
129029 GNSS-positiegegevens
129283 Koersafwijking
129284 Navigatiegegevens
129285 Route-/waypoint-gegevens
129539 GNSS-DOP's
129540 GNSS-satellieten in beeld
130074 Route en WP-service - WP-lijst - WP-naam en -positie
130306 Windgegevens
130310 Omgevingsparameters
130311 Omgevingsparameters