In dit handboek vindt u op verschillende plaatsen aanwijzingen en waarschuwingen voor mogelijke gevaren.
De gebruikte pictogrammen hebben de volgende betekenis:
WAARSCHUWING!
Betekent dat dood of ernstig letsel kunnen intreden als de beschreven voorzorgsmaatregelen niet worden getroffen.
VOORZICHTIG!
Betekent dat materiële schade of licht letsel kunnen intreden als de beschreven voorzorgsmaatregelen niet worden getroffen.
LET OP
Betekent dat materiële schade kan intreden als de beschreven voorzorgsmaatregelen niet
worden getroffen.
ESD
Met deze waarschuwing wordt gewezen op mogelijke gevolgen bij het aanraken van elektrostatisch gevoelige componenten.
Opmerking
Tips voor het gebruik en nuttige informatie worden met “i” gekenmerkt. U krijgt geen informatie die
voor een gevaarlijke of schadelijke functie waarschuwt.
Nadere belangrijke informatie.
Deze pijl markeert werkstappen die u dient uit te voeren.
Wijzigingen in verband met technische ontwikkeling voorbehouden. Gegevens onder voorbehoud. Wij handhaven onze rechten.
De volledige intellectuele eigendom, waaronder ook handelsmerken en auteursrechten, is eigendom van de betreffende bezitter. Ieder
gebruik van dit intellectuele eigendom waarvoor geen toestemming is gegeven is niet toegestaan.
Het pictogram met de doorgestreepte vuilnisbak betekent dat elektrische en elektronische apparatuur inclusief accessoires gescheiden van het algemene, huishoudelijk afval moet worden
verwijderd. Aanwijzingen bevinden zich op het product, in de gebruiksaanwijzing of op de verpakking.
De materialen zijn op basis van hun kenmerking recyclebaar. Met het hergebruik, de recycling
of andere vormen van gebruik van afgedankte apparatuur levert u een belangrijke bijdrage aan
de bescherming van ons milieu.
Verwijderen van batterijen
Batterijen en accumulatoren zijn bijzonder afval en moeten op correcte wijze worden verwijderd.
Hoewel batterijen een lage spanning hebben kunnen ze bij kortsluiting toch voldoende stroom
afgeven om brandbaar materiaal te laten ontvlammen. Daarom mogen deze niet samen met
geleidende materialen (zoals ijzerspanen, met olie verontreinigde draadwol etc.) worden verwijderd.
Het Installatiehandboek kunt u downloaden op www.kecontact.com.
De nieuwste firmware kunt u downloaden op www.kecontact.com (rubriek Download). In nieuwe firmware kunnen bijvoorbeeld gewijzigde normen verwerkt of de compatibiliteit met nieuwe
elektrische auto's verbeterd zijn.
Index ....................................................................................................................................... 43
4/44
Belangrijke informatie
1Belangrijke informatie
1.1Veiligheidsinstructies
WAARSCHUWING!
●Elektrisch gevaar!
Het stroomlaadstation moet door hiervoor opgeleide, gekwalificeerde en bevoegde elektrotechnische installateurs
houden worden. Deze zijn volledig verantwoordelijk voor de naleving van de bestaande
normen en installatievoorschriften.
U dient er bovendien rekening mee te houden dat er een extra overspanningsbeveiliging voor voertuigen of op grond van nationale voorschriften vereist kan zijn.
Ook dient u er rekening mee te houden dat in bepaalde landen of door autofabrikanten
een andere uitschakelkarakteristiek voor de aardlekschakelaar vereist kan zijn (type B).
●Sluit in het rechter aansluitbereik (ethernet, klemmen voor stuurleidingen) uitsluitend
spanningen en stroomcircuits aan, die veilig gescheiden zijn van gevaarlijke spanningen (bijvoorbeeld voldoende isolatie).
(1)
gemonteerd, voor het eerst in bedrijf genomen en onder-
nl
Voed de klemmen (X2) uitsluitend met spanningsbronnen met geaarde veiligheidslaagspanning (PELV)!
●Controleer vóór de inbedrijfstelling eerst of alle schroef- en klemverbindingen stevig
vastzitten!
●De aansluitpaneelafdekking mag nooit onbeheerd geopend blijven. Monteer de aansluitpaneelafdekking als u het stroomlaadstation verlaadt.
●U mag het stroomlaadstation niet eigenmachtig ombouwen of veranderen!
●Reparatiewerkzaamheden aan het stroomlaadstation zijn niet toegestaan en mogen uitsluitend worden uitgevoerd door de fabrikant (vervanging van het stroomlaadstation)!
●Verwijder geen merktekens zoals veiligheidspictogrammen, waarschuwingen, typeplaatjes, naamplaatjes of leidingmarkeringen!
●Het stroomlaadstation heeft geen eigen netschakelaar! De aardlekschakelaar en de installatieautomaat van de gebouwinstallatie dient als stroomonderbreker.
●Trek de laadkabel uitsluitend aan de stekker uit de stekkerverbinding en niet aan de kabel.
●Let erop dat de laadkabel niet mechanische beschadigd wordt (geknikt, ingeklemd of
overreden) en dat het contactbereik niet in aanraking komt met hittebronnen, vuil of water.
(1)
Personen die op grond van hun vakopleiding, kennis en ervaring, en de kennis van de toepasselijke normen, de aan hen opgedragen werkzaamheden kunnen beoordelen en mogelijke gevaren kunnen herkennen.
5/44
Belangrijke informatie
LET OP
Gevaar voor beschadiging!
●Let erop dat het stroomlaadstation niet door een onjuiste hantering beschadigd (verankering, behuizingsafdekking, contactdoos, inwendige componenten etc.).
●De aansluitpaneelafdekking niet openen als het regent of tijdens het monteren buiten!
●Gevaar voor breken van de kunststofbehuizing!
- Voor de bevestiging mogen geen schroeven met een verzonken kop worden gebruikt!
- De meegeleverde sluitringen moeten worden gebruikt.
- De bevestigingsschroeven niet met geweld vastdraaien.
- Het montagevlak moet compleet vlak zijn (max. 1 mm verschilt tussen opleg- of bevestigingspunten). Er moet worden voorkomen dat de behuizing doorbuigt.
ESD
Opmerkingen voor installateurs die het apparaat mogen openen:
Gevaar voor beschadiging! Elektronische componenten kunnen door aanraking worden
vernietigd!
●Voor het werken met modules moeten deze eerst elektrisch ontladen worden door een
metalen, geaard voorwerp aan te raken!
VOORZICHTIG!
5 veiligheidsregels:
– Alle polen aan alle kanten uitschakelen!
– Tegen herinschakelen beveiligen!
– Op spanningsloosheid controleren!
– Aarden en kortsluiten!
– Naastgelegen spanningsvoerende componenten afdekken en gevarenzones afzetten!
Het niet in acht nemen van de veiligheidsinstructies kan tot levensgevaar, letsel en beschadiging van het apparaat leiden! KEBA AG aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor
daaruit resulterende aanspraken!
6/44
Belangrijke informatie
1.2Beoogd gebruik
Het apparaat is een “stroomlaadstation” voor gebruik binnen en buiten waarop elektrisch aangedreven voertuigen kunnen worden opgeladen (bijvoorbeeld elektrische auto's).
Het stroomlaadstation is bedoeld voor montage op een wand of een standzuil. Bij de montage en aansluiting
van het stroomlaadstation moeten de geldende nationale voorschriften in acht worden genomen.
Het beoogde gebruik van het apparaat omvat in ieder geval de inachtneming van de omgevingsvoorwaarden
waarvoor dit apparaat is ontwikkeld.
Bij de ontwikkeling, productie en het testen van het apparaat is rekening gehouden met de toepasselijke veiligheidsnormen. Als de voor het beoogde gebruik beschreven algemene en veiligheidstechnische instructies
worden nageleefd gaan in het normale geval geen gevaren uit van dit product voor materiële schade, noch
voor de gezondheid van personen.
De in dit handboek beschreven instructies moeten in ieder geval nauwgezet worden gevolgd. Anders kunnen
gevarenbronnen worden gecreëerd of veiligheidssystemen buiten werking worden gezet. Onafhankelijk van
de in dit handboek gegeven veiligheidsinstructies moeten ook de voorschriften voor veiligheid en de preventie van ongevallen in acht worden genomen, die gelden voor de betreffende toepassing.
Er mogen uitsluitend elektrische voertuigen of de laders ervan worden aangesloten. Het is niet toegestaan
om andere apparatuur (bijvoorbeeld elektrisch gereedschap) aan te sluiten!
Op grond van technische of wettelijke beperkingen zijn niet alle varianten / opties in alle landen beschikbaar.
nl
1.3Over dit handboek
Dit handboek en de beschreven functies zijn van toepassing op apparaten van het type:
●KeContact P20 / firmwareversie: v2.x (en hoger)
●KeContact P30 / firmwareversie: v3.x (en hoger)
Gebruik van dit handboek
Dit handboek is uitsluitend geschreven voor gekwalificeerd personeel. Dat zijn personen die op grond van
hun vakopleiding, kennis en ervaring, en de kennis van de toepasselijke normen, de aan hen opgedragen
werkzaamheden kunnen beoordelen en mogelijke gevaren kunnen herkennen.
De afbeeldingen en toelichtingen in dit handboek hebben betrekking op een typische uitvoering van het apparaat. De uitvoering van uw apparaat kan hiervan afwijken.
De aanwijzingen en instructies voor de bediening van het apparaat vindt u in het “gebruikershandboek”.
7/44
Belangrijke informatie
1.4Productaanduiding
Voorbeeld KC-P30-ES240030-000-xx
Productaanduiding
Typeplaatje
Zie boven op apparaat
ProductgroepKCKeContact
Product type / versieP20 / P30Charge Point
Uitvoeringsvariant
BasisvariantEE…Europa
Kabel / busSS…Socket
C…Cable
21…Type 1
2…Type 2
S…Shutter
41…13A
2…16A
3…20A
4…32A
0000…geen kabel
01…4m recht
04…6m recht
Elektronica30...e-serie
1...b-serie
2...c-serie
3...c-serie+PLC (alleen P20)
Elektra00…veiligheidsschakelaar
1…veiligheidsschakelaar 1-fasig
2…3-fasig met DC-lekstroomherkenning (RDCMB)
Basismodel met laadkabel (type 1, type 2)...
[A]...Status-led
[B]...Parkeerhouder voor laadstekker
[C]...Behuizingsafdekking
[D]...Houder voor laadkabel
nl
2.1Optionele uitrusting
Display (P30 optie)
Laadstekker/laadkabel opbergen...
Als er geen laadcyclus wordt uitgevoerd kan de laadstekker veilig worden opgeborgen door deze in de houder [B] te steken.
De laadkabel kan opgerold in de houder [D] worden
gelegd.
Het optionele puntenmatrix-display (1) kan afhankelijk
van de bedrijfstoestand verschillende informatie weergeven (bijvoorbeeld softwareversie, energiemeterstand).
Bij inactiviteit wordt het scherm donkerder en na enkele
minuten uitgeschakeld.
Het puntenmatrix-display brandt door de behuizing
door en is niet zichtbaar als het scherm uitgeschakeld
is!
9/44
RFID-sensor
Sleutelschakelaar
Variantenoverzicht
De RFID-sensor [R] wordt gebruikt voor de contactloze
autorisatie van een gebruiker met MIFARE-kaarten of
tags conform ISO14443.
De sleutelschakelaar [S] wordt gebruikt voor de autorisatie van een gebruiker met een sleutel.
Verdere optionele uitrusting
●Netwerkaansluiting
●Schakelcontact (voor het besturen van extra
externe installaties)
●Vrijgave-ingang voor bijvoorbeeld toonfrequentontvangers, tijdklokken (daarmee kan
een tijdgestuurde oplading van het voertuig
worden gerealiseerd).
●PLC (Power Line Communication) conform
GreenPhy-norm
●Montagezuil
Alleen voor P30:
●DC-lekstroombewaking (RDCMB)
●XPU-communicatiemodule
- WLAN-module
- GSM-module (optioneel)
10/44
Installatierichtlijnen
3Installatierichtlijnen
3.1Algemene criteria voor de keuze van de opstelplaats
Het stroomlaadstation is gemaakt voor zowel binnen als buiten. Daarom is het nodig om ervoor te zorgen dat
de opstelvoorwaarden en de bescherming van het apparaat op de opstelplaats gerealiseerd zijn.
●Houd rekening met de ter plaatse geldende voorschriften voor elektrische installaties, brandpreventie en
ongevallenpreventie en zorg voor de benodigde vluchtroutes op de opstelplaats.
●Het stroomlaadstation mag niet in zones met explosiegevaar (ATEX-zones) worden geïnstalleerd.
●Monteer het stroomlaadstation zo, dat deze niet direct in loopwegen van personen ligt en niemand over
de aangesloten laadkabel kan struikelen resp. dat laadkabel en voorbijgangerswegen elkaar niet kruizen.
●Het stroomlaadstation niet op plaatsen monteren waar het blootgesteld is aan ammoniak of ammoniakgassen (bijvoorbeeld in of bij stallen).
●Het montagevlak moet voldoende stevig zijn voor de optredende mechanische belastingen.
●Het stroomlaadstation niet op plaatsen monteren waarop vallende voorwerpen (bijvoorbeeld opgehangen ladders of autobanden) het apparaat kunnen beschadigen.
nl
●Volgens productnorm moet het stroomlaadstation op een hoogte tussen 0,4m en 1,5m staan.
Aanbevolen wordt om het stroomlaadstation (hoogte bus resp. houder) op een hoogte van 1,2m te
monteren. Er moet rekening mee worden gehouden dat nationale voorschriften de hoogte kunnen begrenzen.
●Het apparaat mag niet blootstaan aan directe waterstralen (bijvoorbeeld door in de buurt gelegen handmatige autowasinstallaties, hogedrukreiniger, tuinslang).
●Het apparaat moet op een plaats worden gemonteerd, waar het zo veel mogelijk beschermd is tegen directe regen, om bijvoorbeeld bevriezing, beschadiging door hagel of dergelijke te voorkomen.
●Het apparaat moet op een plaats worden gemonteerd, waar het zo veel mogelijk, beschermd is tegen directe zonestralen, om te voorkomen dat de laadstroom gereduceerd wordt of het opladen wordt onderbroken door te hoge temperaturen aan componenten van het laadstation.
●Bij een opstelling waarbij het apparaat niet is beschermd tegen weersinvloeden (bijvoorbeeld op een
parkeerterrein buiten) wordt de laadstroominstelling bij een ontoelaatbare temperatuuroverschrijding tot
16A gereduceerd. Het opladen kan in dergelijke gevallen ook worden uitgeschakeld.
●Zie voor informatie over de omgevingsvoorwaarden hoofdstuk “↪ 5.5 Technische gegevens [40]”.
Neem de internationaal en nationaal geldende installatienormen (bijvoorbeeld IEC 60364-1 en IEC
60364-5-52) en voorschriften in acht.
11/44
Installatierichtlijnen
3.2Criteria voor de elektrische aansluiting
3.2.1Algemeen
Het stroomlaadstation is in de leveringstoestand ingesteld op 10 ampère. Stel de maximale stroom met de
DIP-switches zo in dat deze past bij de geïnstalleerde installatieautomaat (zie hoofdstuk “↪ 4.6 DIP-switch-
instellingen [31]”).
De voedingskabel moet vast worden bedraad in de bestaande gebouwinstallatie en voldoen aan de nationaal geldende wettelijke bepalingen.
Keuze aardlekschakelaar:
●Ieder laadstation moet via een eigen aardlekschakelaar worden aangesloten. Er mogen geen andere
stroomcircuits worden aangesloten op deze aardlekschakelaar.
●Aardlekshakelaar minimaal type A (30mA-uitschakelstroom).
Als de voertuigen die moeten worden opgeladen niet bekend zijn (bijvoorbeeld semiopenbaar station),
moeten er maatregelen worden genomen die bescherming bieden bij het optreden van gelijklekstromen
(>6mA). Dit kan bijvoorbeeld met de apparaatvariant KC-P30-xxxxxxx2 en een speciaal voor elektrische
voertuigen gemaakt type aardlekschakelaar of met een aardlekschakelaar van het type B worden gerealiseerd. Bovendien moeten de aanwijzingen van de voertuigfabrikant in acht worden genomen.
●Als een stroomlaadstation met een aardlekschakelaar van het type B wordt beschermd, moet iedere
voorgeschakelde aardlekschakelaar, ook als deze niet is toegewezen aan het stroomlaadstation, ofwel
van het type B of met een DC-aardlekdetectie uitgerust zijn.
●De nominale stroom IN moet passend bij de installatieautomaat en de voorzekering worden gekozen.
Bemeting installatieautomaat:
Houd bij de bemeting van de installatieautomaat ook rekening met de hogere omgevingstemperaturen in de
schakelkast! Hierdoor kan onder bepaalde omstandigheden een verlaging van de laadstroominstelling voor
de verhoging van de installatiebeschikbaarheid nodig zijn.
●Nominale stroom afhankelijk van de gegevens op het typeplaatje en in overeenstemming met het gewenste laadvermogen (DIP-switchinstellingen laadstroominstelling) en de voedingskabel bepalen.
Bemeting voedingskabel:
Houd bij de bemeting van de voedingskabel ook rekening met mogelijke minderingsfactoren en hogere omgevingstemperaturen in het binnenste aansluitbereik van het stroomlaadstation (zie temperatuurrating voedingsklemmen)! Hierdoor kan in bepaalde omstandigheden ook een grotere kabeldoorsnee en een aanpassing van de temperatuurbestendigheid van de voedingskabel nodig zijn.
Stroomonderbreker:
Het stroomlaadstation heeft geen eigen stroomschakelaar. De aardlekschakelaar en de installatieautomaat
van de voedingskabel dienen als stroomonderbreker.
12/44
Installatierichtlijnen
3.2.2Afwijkende Z.E.-Ready / E.V. Ready-vereisten
●In het geval dat een intern schakelelement (veiligheidsschakelaar) niet meer kan openen, moet een extra uitschakelmogelijkheid worden gerealiseerd. Dit kan worden gerealiseerd met het schakelcontact uitgang [X2] (voor details zie het hoofdstuk “↪ 4.5.4 Schakelcontact uitgang [X2] (behalve e-series) [27]”).
●Er mogen geen 13A-laadkabels worden gebruikt.
●Bij 3-fasige aansluiting van het stroomlaadstation moet de apparaatvariant KC-P30-xxxxxxx2-xxx of minimaal een aardlekschakelaar van het type A met DC-lekstroomdetectie (>6mA) of een aardlekschakelaar van het type B worden gebruikt.
Criteria voor de keuze van de installatieautomaat:
nl
Opgegeven
laadstroom
(DIP-switch)1-fasig3-fasig
10ANiet toegestaan
13ANiet toegestaan
16A20ANiet toegestaanC
20A25AB / CC
25A32AB / CC
32A32AB / CC
De nominale stroom van de gekozen installatieautomaat mag in geen geval hoger zijn dan de gegevens op het typeplaatje. Als laadstroominstelling en nominale stroom van de installatieautomaat
niet gelijk zijn, moet in het bijzonder worden gelet op de temperatuur in de schakelkast (thermische derating van de installatieautomaat).
InstallatieautomaatKarakteristiek
Netvoeding en vereisten voor de aarding (Z.E.-Ready/E.V. Ready)
●TT- en TN-netten: De aardingsweerstand van de installatie moet lager zijn dan 100 ohm of minder als
de nationale regelgeving dit vereist.
●TT-netten: Bij een aardingsweerstand hoger dan 100 ohm moet een scheidingstransformator vóór de
EVSE (Electric Vehicle Supply Equipment) installatie worden ingebouwd. De scheidingstransformator
moet dan worden geïntegreerd in een TN-aardingssysteem waarvoor de bovengenoemde criteria gelden.
●IT-netten: Voedingen met IT-aardingssystemen zijn verboden.
●In TT- en TN-netten mag de spanning aan de N-draad tegen PE niet hoger zijn dan 10 V.
●Als meerdere stroomlaadstation op dezelfde voeding aangesloten zijn, moeten extra lokale aardingsverbindingen worden gemaakt (minimaal om de 10 uitgangen).
De maximale aardingsweerstand voor iedere extra aardingsverbinding (onafhankelijk gemeten) moet lager zijn dan 100 ohm. Alle aardingsverbindingen moeten aangesloten worden om een enkel potentiaal
veilig te stellen.
●Een te hoog aandeel harmonischen kan de beëindiging van de laadcyclus veroorzaken. De openbare
netvoeding moet voldoen aan de normen IEC 61000-2-1, IEC 61000-2-2, EN 50160 art. 4.2.4 en art.
4.2.5 om deze problemen te vermijden. De toegestane maximale grens voor harmonischen kan variëren
afhankelijk van de netimpedantie.
13/44
3.3Benodigde plaats
Installatierichtlijnen
Benodigde plaats...
Bij apparaatvarianten met optionele kabelhouder moet
naar onderen toe voldoende extra vrije ruimte (y) voor
de gebruikte laadkabel worden ingepland.
Als meerdere stroomlaadstations naast elkaar worden
gemonteerd, moet tussen de stroomlaadstations een
afstand van minimaal 200mm worden aangehouden.
Afmetingen in millimeter
14/44
Loading...
+ 30 hidden pages
You need points to download manuals.
1 point = 1 manual.
You can buy points or you can get point for every manual you upload.