Honda NC750XA (2021) User guide

Page 1
INSTRUCTIEBOEKJE
NC750XA/XD
Page 2
Deze handleiding dient als een permanent onderdeel van het voertuig te worden beschouwd en moet bij doorverkoop van het voertuig aan de nieuwe eigenaar worden verstrekt.
Deze publicatie bevat de meest recente productinformatie die beschikbaar was voor het ter perse gaan. Honda Motor Co., Ltd. behoudt zich het recht voor om te allen tijde wijzigingen aan te brengen zonder voorafgaande kennisgeving en zonder het aangaan van enige verplichting.
Niets uit deze publicatie mag zonder schriftelijke toestemming worden gereproduceerd.
Het kan zijn dat het afgebeelde voertuig in dit instructieboekje verschilt van uw voertuig.
© 2020 Honda Motor Co., Ltd.
Page 3
Welkom
Van harte gefeliciteerd met de aanschaf van uw nieuwe Honda-voertuig. Door te kiezen voor een Honda maakt u deel uit van een wereldwijde familie van tevreden klanten die Honda's reputatie voor het leveren van hoogwaardige producten waarderen.
Met het oog op uw veiligheid en rijplezier:
Lees dit instructieboekje aandachtig door.
●
Volg alle aanbevelingen op en voer alle
●
procedures uit die in deze handleiding zijn vermeld.
●
Besteed extra aandacht aan veiligheidsinformatie in deze handleiding en op het voertuig.
●
De volgende codes in deze handleiding duiden de landen aan.
●
De afbeeldingen hierin zijn gebaseerd op het type NC750XA ED.
Landcodes Code
Land
NC750XA
Directe verkoop Europa Singapore, Hongkong,
ED
Macau, Oekraïne, Turkije, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland,
Argentinië II ED Directe verkoop Europa GS GCC-landen KO Korea
NC750XD
Directe verkoop Europa
Singapore, Hongkong, ED
Macau, Oekraïne, Turkije,
Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland,
Argentinië II ED Directe verkoop Europa FO Taiwan
*De specificaties kunnen van land tot land verschillen.
Page 4
Enkele opmerkingen over veiligheid
Uw veiligheid en de veiligheid van anderen zijn zeer belangrijk. Het veilig rijden op dit voertuig is een belangrijke verantwoordelijkheid. Om u te helpen goed geïnformeerde veiligheidsbeslissingen te nemen, hebben wij bedieningsprocedures en andere informatie in deze handleiding en op veiligheidslabels verstrekt. Deze informatie maakt u attent op potentiële gevaren waardoor u of anderen letsel kunnen oplopen. Het is vanzelfsprekend niet praktisch of niet mogelijk om u te waarschuwen voor alle gevaren die kunnen optreden bij het rijden op en onderhouden van een voertuig. U moet dan ook uw eigen gezonde verstand gebruiken.
U zult belangrijke veiligheidsinformatie in verschillende vormen tegenkomen, waaronder:
●
Veiligheidslabels op het voertuig
● Veiligheidsinformatie voorafgegaan door
een waarschuwingssymbool en een van de drie waarschuwingswoorden: GEVAAR, WAARSCHUWING of LET OP. Deze signaalwoorden betekenen:
3GEVAAR
U ZULT DODELIJK of ERNSTIG LETSEL OPLOPEN als u de instructies niet opvolgt.
3WAARSCHUWING
U KUNT DODELIJK of ERNSTIG LETSEL OPLOPEN als u de instructies niet opvolgt.
3LET OP
U KUNT LETSEL OPLOPEN als u de instructies niet opvolgt.
Andere belangrijke informatie vindt u onder de volgende koppen:
LET OP
Informatie om beschadiging van uw voertuig, andere eigendommen of het milieu te voorkomen.
Page 5
Inhoudsopgave
Veiligheid van het voertuig BLZ. 2
Bedieningshandleiding BLZ. 18
Onderhoud BLZ. 102
Verhelpen van storingen BLZ. 143
Informatie BLZ. 156
Specificaties BLZ. 173
Page 6
Veiligheid van het voertuig
Dit gedeelte bevat belangrijke informatie voor het veilig rijden met uw voertuig. Lees dit gedeelte aandachtig door.
Veiligheidsrichtlijnen........................................... BLZ. 3
Waarschuwingslabels .......................................... BLZ. 6
Veiligheidsmaatregelen.................................... BLZ. 11
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden ........ BLZ. 12
Accessoires & aanpassingen............................ BLZ. 16
Beladen................................................................. BLZ. 17
Page 7
Veiligheidsrichtlijnen
Veiligheidsrichtlijnen
Volg deze richtlijnen met het oog op uw veiligheid:
● Voer alle routine- en periodieke inspecties uit
die in deze handleiding zijn beschreven.
● Zet de motor uit en houd vonken en vuur uit
de buurt als u tankt.
●
Laat de motor niet draaien in afgesloten of gedeeltelijk afgesloten ruimten. Koolmonoxide in uitlaatgassen is giftig en kan uw dood veroorzaken.
Draag altijd een helm
Het is bewezen dat helmen en beschermende kleding het aantal en de ernst van hoofdletsel en ander letsel aanzienlijk kunnen verminderen. Draag dus altijd een goedgekeurde helm en beschermende kleding. 2 BLZ. 11
Voordat u gaat rijden
Zorg ervoor dat u in goede lichamelijke conditie bent, geconcentreerd bent en niet onder de invloed van alcohol of drugs verkeert. Zorg ervoor dat u en uw duopassagier allebei een goedgekeurde helm en beschermende kleding dragen. Draag duopassagiers op om zich aan de handgrepen of aan uw middel vast te houden, met u mee te leunen tijdens het schuinleggen van het voertuig in bochten en hun voeten altijd op de voetsteunen te houden, zelfs wanneer het voertuig stilstaat.
Neem de tijd om te leren en te oefenen
Zelfs als u al op andere voertuigen hebt gereden, kunt u het beste in een veilige omgeving oefenen om vertrouwd te raken met de werking en het stuurgedrag van dit voertuig en om gewend te raken aan de afmetingen en het gewicht van het voertuig.
Rijd defensief
Besteed altijd aandacht aan ander verkeer om u heen en veronderstel niet dat andere bestuurders u zien. Zorg dat u snel kunt stoppen of een uitwijkmanoeuvre kunt maken.
Vervolg
Veiligheid van het voertuig
3
Page 8
Veiligheidsrichtlijnen
Zorg dat u goed zichtbaar bent
Veiligheid van het voertuig
Zorg ervoor dat u beter zichtbaar bent, vooral 's avonds, door heldere reflecterende kleding te dragen, te rijden op plaatsen waar andere bestuurders u kunnen zien, uw richting aan te geven voordat u afslaat of van rijstrook verandert en uw claxon te gebruiken indien nodig.
Rijd binnen uw grenzen
Rijd nooit harder dan u aankunt of sneller dan de situatie toestaat. Vermoeidheid en onoplettendheid kunnen afbreuk doen aan uw beoordelingsvermogen en het veilig rijden.
Rijd niet onder de invloed van alcohol of drugs
Alcohol of drugs en motorrijden gaan niet samen. Zelfs één alcoholisch drankje kan uw vermogen om op wisselende omstandigheden te reageren verminderen en uw reactiesnelheid wordt minder na elk aanvullend drankje. Hetzelfde geldt voor het gebruik van drugs. Rijd niet onder de invloed van alcohol of drugs en laat uw vrienden dit ook niet doen.
4
Houd uw Honda in veilige staat
Het is belangrijk voor uw veiligheid en uw rijplezier dat u het voertuig goed onderhoudt. Inspecteer uw voertuig voor elke rit en voer al het aanbevolen onderhoud uit. Houd u aan de beladingslimieten (2 BLZ. 17), bouw uw voertuig niet om en installeer geen accessoires die uw voertuig onveilig maken (2 BLZ. 16).
Betrokken zijn bij ongevallen
Persoonlijke veiligheid is uw eerste prioriteit. Als u of ie­mand anders letsel heeft opgelopen, neem dan de tijd om de ernst van het letsel te beoordelen en te bepalen of het veilig is om door te rijden. Schakel indien nodig de hulp­diensten in. Volg tevens de geldende wet- en regelgeving indien een andere persoon of een ander voertuig bij het ongeval is betrokken.
Page 9
Veiligheidsrichtlijnen
Als u besluit verder te rijden, zet dan eerst de contactschakelaar in de stand (Off) en controleer de staat van uw voertuig. Inspecteer op vloeistoflekkage, controleer of cruciale moeren en bouten goed vastzitten en controleer het stuur, de bedieningshendels, remmen en wielen. Rijd langzaam en voorzichtig. Het kan zijn dat uw voertuig schade heeft opgelopen die niet onmiddellijk zichtbaar is. Laat uw voertuig zo snel mogelijk grondig inspecteren door een erkend reparatiebedrijf.
Gevaar voor koolstofmonoxide
Uitlaatgassen bevatten giftig koolstofmonoxide, een kleurloos, reukloos gas. Het inademen van koolstofmonoxide kan bewusteloosheid veroorza­ken en tot uw dood leiden.
Als u de motor in een besloten of zelfs gedeeltelijk afgesloten ruimte laat draaien, kan de lucht die u inademt een gevaarlijke hoeveelheid koolstofmo­noxide bevatten. Laat uw voertuig nooit in een garage of andere besloten ruimte draaien.
3WAARSCHUWING
Het laten draaien van de motor van uw voertuig in een afgesloten of zelfs in een gedeeltelijk afgesloten ruimte, kan leiden tot een snelle opbouw van het giftige gas koolmonoxide.
Het inademen van dit kleur- en geurloze gas kan leiden tot bewusteloosheid en zelfs tot de dood.
Laat de motor van uw voertuig alleen draaien in een goed geventileerde ruimte buiten.
Veiligheid van het voertuig
5
Page 10
Waarschuwingslabels
Waarschuwingslabels
Veiligheid van het voertuig
Behalve type KO
Op de volgende pagina's wordt de betekenis van de labels beschreven. Sommige labels waarschuwen u voor potentiële gevaren die ernstig letsel kunnen veroorzaken. Andere bieden belangrijke veiligheidsinformatie. Lees deze informatie aandachtig en verwijder de labels niet.
Als een label eraf valt of moeilijk te lezen is, neem dan contact op met uw dealer voor een vervangingslabel.
Elk label is voorzien van een specifiek symbool. De betekenis van elk symbool en label is als volgt.
6
Lees de instructies in het instructieboekje aandachtig door.
Lees de instructies in de werkplaatshandleiding aandachtig door. Laat om veiligheidsredenen het onderhoud aan uw voertuig alleen uitvoeren door uw dealer.
GEVAAR (met RODE achtergrond)
U ZULT ERNSTIG of zelfs DODELIJK LETSEL oplopen als u deze aanwijzingen niet opvolgt.
WAARSCHUWING (met ORANJE achtergrond)
U KUNT ERNSTIG of zelfs DODELIJK LETSEL oplopen als u deze aanwijzingen niet opvolgt.
LET OP (met GELE achtergrond)
U KUNT GEWOND RAKEN als u deze aanwijzingen niet opvolgt.
Page 11
Waarschuwingslabels
ACCULABEL GEVAAR
•
Houd vonken en vlammen uit de buurt van de accu. Accu's produceren gas dat een explosie kan veroorzaken.
•
Draag een beschermbril en rubberen handschoenen bij het hanteren van de accu, anders kunt u brandwonden oplopen of uw gezichtsvermogen verliezen door het elektrolyt van de accu.
•
Laat kinderen en andere personen geen accu aanraken tenzij ze op de hoogte zijn van de voorschriften voor het hanteren van accu's en de hieraan verbonden gevaren.
•
Wees buitengewoon voorzichtig bij het hanteren van de accuvloeistof aangezien deze verdund zwavelzuur bevat. Contact met uw huid of ogen kan brandwonden veroorzaken of leiden tot verlies van uw gezichtsvermogen.
•
Lees deze handleiding aandachtig door en zorg ervoor dat u de inhoud begrijpt voordat u de accu hanteert. Het niet opvolgen van de instructies kan lichamelijk letsel en beschadiging van het voertuig veroorzaken.
•
Gebruik geen accu met het elektrolyt op of onder het onderste merkstreepje. De accu kan exploderen en ernstig lichamelijk letsel veroorzaken.
Vervolg
Veiligheid van het voertuig
7
Page 12
Waarschuwingslabels
Veiligheid van het voertuig
8
LABEL RADIATEURDOP GEVAAR
NOOIT OPENEN BIJ WARME MOTOR. Hete koelvloeistof veroorzaakt brandwonden. De overdrukklep opent bij 108 kPa.
WAARSCHUWINGSLABEL ACCESSOIRES EN BELADING WAARSCHUWING
Type ED, II ED
ACCESSOIRES EN BELADING
•
De veiligheid, stabiliteit en het weggedrag van dit voertuig kunnen nadelig worden beïnvloed door de toevoeging van accessoires en bagage.
•
Lees de instructies in de gebruikers- en montagehandleiding aandachtig door voordat u een accessoire monteert.
•
Het totale gewicht van accessoires en bagage en het gewicht van de bestuurder en de passagier mag niet meer zijn dan 209 kg, oftewel de maximale gewichtscapaciteit.
•
Het gewicht van de bagage mag niet meer zijn dan 27 kg onder alle omstandigheden.
•
Het monteren van grote kuipdelen op de voorvork of het stuur wordt niet aanbevolen.
Page 13
Waarschuwingslabels
LABEL ACHTERSCHOKDEMPER
GEVULD MET GAS Niet openen. Niet verwarmen.
LABEL BANDENINFORMATIE & AANDRIJFKETTING
Bandenspanning in koude toestand:
[Alleen bestuurder]
Voor 250 kPa (2,50 kgf/cm2) Achter 290 kPa (2,90 kgf/cm2)
[Bestuurder en passagier]
Voor 250 kPa (2,50 kgf/cm2) Achter 290 kPa (2,90 kgf/cm2)
Zorg ervoor dat de aandrijfketting juist is afgesteld en gesmeerd. Speling 25 - 35 mm
VEILIGHEIDSLABEL
Draag altijd een helm en beschermende kleding met het oog op uw veiligheid.
BRANDSTOFLABEL
Uitsluitend loodvrije benzine ETHANOL tot 10 volumeprocent
Vervolg
Veiligheid van het voertuig
9
Page 14
Waarschuwingslabels
Veiligheid van het voertuig
10
LABEL BELADINGSLIMIET Maximaal 5,0 kg.
Page 15
Veiligheidsmaatregelen
● Rijd voorzichtig met uw beide handen aan het
stuur en uw voeten op de voetsteunen.
●
Passagiers moeten zich aan de handgrepen of aan uw middel vasthouden, en hun voeten moeten zich tijdens het rijden op de voetsteunen bevinden.
● Denk altijd aan de veiligheid van uw passagier
en andere bestuurders en rijders.
Beschermende uitrusting
Zorg ervoor dat u en uw duopassagier een goedgekeurde motorfietshelm, beschermbril en duidelijk zichtbare beschermende kleding dragen. Draag geen loshangende kleding om het gevaar dat er iets tussen de bewegende delen van het voertuig komt, te voorkomen. Rijd defensief en houd altijd rekening met de weers- en wegomstandigheden.
Helm
#
Moet voldoen aan de veiligheidsnorm, duidelijk zichtbaar zijn en de juiste afmetingen voor uw hoofd hebben
●
De motorhelm moet comfortabel passen en veilig met de kinriem zijn vastgemaakt.
Veiligheidsmaatregelen
●
Vizier met een onbelemmerd gezichtsveld of andere goedgekeurde oogbescherming
3WAARSCHUWING
Het niet dragen van een helm verhoogt het risico op ernstig of dodelijk letsel in geval van een botsing.
Zorg ervoor dat u en uw duopassagier altijd een goedgekeurde helm en beschermende kleding dragen.
Handschoenen
#
Leren handschoenen met volledige vingers en een hoge slijtweerstand
Motorlaarzen of -schoenen
#
Stevige motorlaarzen met antislipzolen en enkelbeschermers
Motorjas en -broek
#
Beschermende, duidelijk zichtbare motorjas met lange mouwen en duurzame broek voor het rijden (of een beschermend motorpak)
Veiligheid van het voertuig
11
Page 16
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden
Voorzorgsmaatregelen
Veiligheid van het voertuig
voor het rijden
Inrijperiode
Volg deze richtlijnen tijdens de eerste 500 km om de toekomstige betrouwbaarheid en prestaties van uw voertuig te waarborgen.
● Vermijd het vol gas starten en snel accelereren.
● Vermijd sterk afremmen en snel
terugschakelen.
● Rijd behoedzaam.
Remmen
Neem de volgende richtlijnen in acht:
● Vermijd bijzonder sterk afremmen en
terugschakelen.
u Door plotseling remmen kan de stabiliteit
van het voertuig verminderen.
u Ga waar mogelijk langzamer rijden voor
een bocht; anders bestaat het gevaar dat u uit de bocht vliegt.
12
● Wees voorzichtig op oppervlakken met een
lage tractie.
u De banden slippen sneller op dit soort
oppervlakken en de remweg is langer.
● Vermijd continu remmen.
u Door herhaaldelijk te remmen, zoals bij
heuvelafwaarts rijden, kunnen de remmen ernstig oververhit raken waardoor de remwerking vermindert. Verminder snelheid door afwisselend te remmen op de motor en de remmen te gebruiken.
Bedien de voor- en achterrem tegelijkertijd
●
voor de meest efficiënte remwerking.
Antiblokkeersysteem (ABS)
#
Dit model is uitgerust met een antiblokkeersysteem (ABS) dat is ontwikkeld om te voorkomen dat de remmen blokkeren tijdens abrupt remmen.
●
De remweg is niet korter met het ABS. In bepaalde gevallen kan het gebruik van het ABS een langere remweg tot gevolg hebben.
●
ABS werkt niet bij snelheden lager dan 10 km/h.
Page 17
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden
● Het kan zijn dat de remhendel en het rempe-
daal lichtjes terugspringen wanneer u de rem bedient. Dit is normaal.
● Gebruik altijd de aanbevolen voor-/
achterbanden en tandwielen om de werking van ABS te waarborgen.
Remmen op de motor
#
Remmen op de motor helpt om de snelheid van uw voertuig te verminderen wanneer u gas mindert. Schakel terug naar een lagere versnelling om meer snelheid te verminderen. Rem op de motor en gebruik met tussenpozen de rem om snelheid te minderen wanneer u lange, steile hellingen afrijdt.
Natte of regenachtige omstandigheden
#
Wegoppervlakken zijn glad wanneer ze nat zijn, en natte remmen zorgen voor een verminderde remwerking. Wees bijzonder voorzichtig bij het remmen onder natte omstandigheden. Als de remmen nat worden, rem dan tijdens het rijden op lage snelheid om ze te laten drogen.
Parkeren
●
Parkeer op een stevige, horizontale ondergrond.
● Als u op een helling of onverhard terrein moet
parkeren, parkeer het voertuig dan zodanig dat dit niet kan wegrollen of omvallen.
● Zorg ervoor dat hete onderdelen niet in
contact kunnen komen met ontvlambare materialen.
● Raak de motor, geluiddemper, remmen en
andere hete onderdelen niet aan voordat ze zijn afgekoeld.
●
Zet het stuur altijd op slot en verwijder de sleutel als u het voertuig onbewaakt achterlaat om de kans op diefstal te verminderen. Het gebruik van een antidiefstalvoorziening wordt ook aanbevolen.
Vervolg
Veiligheid van het voertuig
13
Page 18
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden
Parkeren op de zijstandaard
#
Veiligheid van het voertuig
1.
Zet de motor uit.
2.
Klap de zijstandaard omlaag.
3.
Laat het voertuig langzaam naar links leunen totdat het volle gewicht op de zijstandaard steunt.
4.
Draai het stuur volledig naar links.
u Het draaien van het stuur naar rechts
reduceert de stabiliteit en kan tot gevolg hebben dat het voertuig omvalt.
5.
Zet de contactschakelaar in de stand (Lock) en verwijder de sleutel. 2 BLZ. 77
14
Richtlijnen voor tanken en brandstof
Volg deze richtlijnen om de motor, het brandstofsysteem en de katalysator te beschermen:
● Gebruik uitsluitend loodvrije benzine.
● Gebruik benzine met het aanbevolen
octaangetal. Het gebruik van benzine met een lager octaangetal heeft een verminderde motorprestatie tot gevolg.
● Gebruik geen brandstof met een hoog
alcoholgehalte. 2 BLZ. 171
● Gebruik geen oude of verontreinigde benzine
of een olie-benzinemengsel.
●
Laat geen vuil of water in de brandstoftank binnendringen.
Page 19
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden
Honda Selectable Torque Control
Als de Honda Selectable Torque Control (Torque Control) wielspin van het achterwiel detecteert tijdens acceleratie, wordt het koppel naar het achterwiel verlaagd volgens het geselecteerde Torque Control-niveau.
Torque Control laat enige wielspin tijdens acceleratie toe bij lage instellingen van het Torque Control-niveau. Selecteer een niveau dat geschikt is voor uw vaardigheid en de rijomstandigheden.
Torque Control werkt niet tijdens het vertragen en voorkomt niet dat het achterwiel wegglijdt tijdens het remmen op de motor. Sluit de gashendel niet abrupt, zeker niet wanneer u op gladde oppervlakken rijdt.
Torque Control biedt mogelijk geen compensatie voor een ruw wegdek of snelle bediening van de gashendel. Houd altijd rekening met de weg- en weersomstandigheden en uw vaardigheden en conditie als u de gashendel bedient.
Als uw voertuig is vastgelopen in modder, sneeuw of zand, kunt u het mogelijk gemakkelijker losrijden door Torque Control tijdelijk uit te schakelen. Het tijdelijk uitschakelen van Torque Control kan ook helpen om de controle en het evenwicht te bewaren wanneer u op terrein rijdt.
Gebruik altijd de aanbevolen banden en kettingwielen om de juiste werking van Torque Control te waarborgen.
Veiligheid van het voertuig
15
Page 20
Accessoires & aanpassingen
Accessoires &
Veiligheid van het voertuig
aanpassingen
Wij raden u ten sterkste aan om geen accessoires te installeren die niet specifiek door Honda voor uw voertuig zijn ontworpen en geen modificaties aan het oorspronkelijke ontwerp van uw voertuig aan te brengen. Hierdoor kan uw voertuig onveilig worden. Het ombouwen van uw voertuig kan tevens uw garantie doen vervallen en het gebruik van uw voertuig op de openbare weg illegaal maken. Voordat u besluit om accessoires op uw voertuig te installeren, moet u nagaan of dit veilig en legaal is.
16
3WAARSCHUWING
Ondeugdelijke accessoires of aanpassingen kunnen leiden tot een ongeval waarbij u ernstig of dodelijk letsel kunt oplopen.
Volg alle aanwijzingen in dit instructieboekje betreffende accessoires en aanpassingen.
Trek geen aanhangwagen met uw voertuig en koppel geen zijspan aan uw voertuig. Uw voertuig is niet ontworpen voor dit toebehoren en het gebruik hiervan kan het stuurgedrag van uw voertuig nadelig beïnvloeden.
Page 21
Beladen
Beladen
● Het vervoeren van extra gewicht heeft invloed
op het rijgedrag, het remgedrag en de stabiliteit van uw voertuig. Rijd altijd met een veilige snelheid die is afgestemd op de belading.
● Vermijd overbeladen en houd u aan de
voorgeschreven beladingslimieten.
Maximale gewichtscapaciteit/maximaal bagagegewicht 2 BLZ. 173
● Maak alle bagage stevig vast, verdeel het
gewicht van de bagage gelijkmatig en plaats de bagage dicht bij het midden van het voertuig.
●
Plaats geen bagage dicht bij de lampen of de geluiddemper.
3WAARSCHUWING
Overbelasting of verkeerd beladen kan een ongeval veroorzaken waarbij u ernstig of dodelijk letsel kunt oplopen.
Volg alle limieten en richtlijnen voor belading in deze handleiding.
Veiligheid van het voertuig
17
Page 22
Locatie van onderdelen
NC750XA
Remvloeistofreservoir van
Bedieningshandleiding
achterrem
(BLZ.132)
Accu (BLZ.122 Hoofdzekering (BLZ.155
)
)
Remvloeistofreservoir van voorrem
Voorremhendel (BLZ.141 Gashendel (BLZ.140
(BLZ.132)
)
)
Motorolievuldop/peilstok
(BLZ.128)
Koelvloeistofexpansiereservoir
(BLZ.130)
18
Onderpaneel (BLZ.125
Achterrempedaal
)
Page 23
Koppelingshendel (BLZ.137
Bagagecompartiment (BLZ.99
)
Onderhoudsdeksel (BLZ.127
Zekeringkast (BLZ.154
)
)
)
Bedieningshandleiding
Datalinkstekker
Duozadel (BLZ.97
)
Brandstofvuldop (BLZ.97
Stelbout veervoorspanning
van achtervering
(BLZ.142)
Aandrijfketting (BLZ.136
Schakelpedaal (BLZ.89
Zijstandaard (BLZ.135
)
)
Vervolg
)
)
19
Page 24
Locatie van onderdelen (Vervolg)
NC750XD
Remvloeistofreservoir van
Bedieningshandleiding
achterrem
(BLZ.132)
Accu (BLZ.122 Hoofdzekering (BLZ.155
)
)
Remvloeistofreservoir van voorrem
Voorremhendel (BLZ.141
Gashendel (BLZ.140
(BLZ.132)
)
)
Motorolievuldop/peilstok
(BLZ.128)
Koelvloeistofexpansiereservoir
(BLZ.130)
20
Onderpaneel (BLZ.126
Achterrempedaal
)
Page 25
Parkeerremhendel
(BLZ.134)
Bagagecompartiment (BLZ.99 Onderhoudsdeksel (BLZ.127 Zekeringkast (BLZ.154
)
Datalinkstekker
)
)
Bedieningshandleiding
Duozadel (BLZ.97
)
Brandstofvuldop (BLZ.97
Stelbout veervoorspanning van achtervering
(BLZ.142)
Aandrijfketting (BLZ.136
Zijstandaard (BLZ.135
)
)
)
21
Page 26
Instrumenten
SEL
Bedieningshandleiding
-toets
SEL
-toets
Displaycontrole
Wanneer de contactschakelaar in de stand (On) wordt gezet, worden alle modus- en digitale segmenten weergegeven. Als een deel van deze displays niet wordt weergegeven zoals het hoort, laat dan uw dealer controleren op problemen.
NC750XA
De "D"-modus wordt niet weergegeven in de rijmodus.
Type FO, KO
"mph", "mile/gal" en "mile/L" worden niet weergegeven.
22
MODE
-toets
Page 27
Klok (12-uur of 24-uur weergave) Klok instellen:
(BLZ.47)
Toerenteller
LET OP
Laat de motor niet draaien met de toerenteller in de rode zone. Een te hoog motortoerental kan de levensduur van de motor nadelig beïnvloeden.
Rode zone toerenteller
(te hoog motortoerentalbereik)
Bedieningshandleiding
Snelheidsmeter
Vervolg
23
Page 28
Instrumenten (Vervolg)
Bedieningshandleiding
Brandstofniveaumeter
Reservebrandstof wanneer alleen het 1e segment (E) gaat knipperen: circa 3,0 L
De velden reserve-ritteller en reserve brandstofverbruik worden op hetzelfde moment weergegeven.
Als de indicator van de brandstofniveaumeter knippert of uitgaat: (BLZ.151)
LET OP
U moet tanken wanneer de waarde segment E (1e) nadert. Als de brandstof opraakt, kan de motor overslaan en de katalysator beschadigd raken.
24
Page 29
Versnellingsstandindicator
NC750XA
De schakelstand wordt weergegeven door de versnellingsstandindicator.
u Neutraal (N) wordt niet weergegeven als de transmissie in de neutraalstand staat. u "-" verschijnt wanneer niet goed in een versnelling is geschakeld.
NC750XD
De schakelstand wordt weergegeven door de versnellingsstandindicator. De indicator kan knipperen als:
u Het voorwiel van de grond komt.
u U aan het wiel draait terwijl het voertuig rechtop staat op de middenbok.
Dit is normaal. Zet de contactschakelaar in de stand (Off) en weer in de stand (On) om het systeem opnieuw in te schakelen.
Als de "-"-indicator knippert in het versnellingsstandvenster tijdens het rijden:
(BLZ.150)
Bedieningshandleiding
Vervolg
25
Page 30
Instrumenten (Vervolg)
Druk op de bewegen.
Bedieningshandleiding
MODE
-toets om de cursor naar een gewenste weergave te
Rijmodus (BLZ.79
)
Rijmodus
INFO 1-display
INFO 2-display
Cursor
Cursor
INFO 2-display (BLZ.34
26
)
INFO 1-display (BLZ.28
)
Druk op de
MODE
Cursor
-toets
Page 31
Helderheid van LCD-achtergrondverlichting instellen
De helderheid van het display kan worden ingesteld op H (hoog) of L (laag). Wanneer de
SEL
-toets (omhoog) ingedrukt wordt gehouden, verschijnt het volgende scherm
en wordt de helderheid ingesteld.
u U kunt ook het helderheidsniveau H (hoog) of L (laag) aanpassen. (BLZ.48) (BLZ.49)
H (hoog) L (laag)
Bedieningshandleiding
Vervolg
27
Page 32
Instrumenten (Vervolg)
INFO 1-display
#
U kunt het volgende selecteren:
● Kilometerteller [TOTAL]
Bedieningshandleiding
● Ritteller [TRIP A/B]
● Negatieve ritteller [-TRIP]
Datum [TODAY]
●
Reserve-ritteller [RES]
●
28
Page 33
Het INFO 1-display wijzigen
#
a
Het INFO 1-display selecteren. (BLZ.26)
b
Druk op de weergegeven.
c
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
MODE
-toets. Het INFO 1-display is ingesteld en de cursor gaat naar het INFO 2-display.
Kilometerteller
SEL
-toets (omlaag) totdat de gewenste indicatie wordt
Ritteller A Ritteller B
Wanneer het 1e segment (E) van de brandstofniveaumeter begint te knipperen
Druk op de toets Druk op de toets Druk op de Druk op de
SEL
SEL
Reserve-ritteller
SEL
(omhoog)
SEL
(omlaag)
-toets (omhoog) als het 1e segment (E) van de brandstofmeter begint te knipperen
-toets (omlaag) als het 1e segment (E) van de brandstofmeter begint te knipperen
Negatieve rittellerDatum
Wanneer het 1e segment (E) van de brandstofmeter begint te knipperen, schakelt het INFO 1-display naar de reserve-ritteller.
Bedieningshandleiding
Vervolg
29
Page 34
Instrumenten (Vervolg)
Kilometerteller [TOTAL]
#
Totale afgelegde afstand.
Bedieningshandleiding
Als "------" wordt weergegeven, ga dan naar uw dealer voor onderhoud.
Ritteller A/B [TRIP A/B]
#
Afstand gereden na het terugstellen van de ritteller. Als "----.-" wordt weergegeven, ga dan naar uw dealer voor onderhoud.
u De ritteller terugstellen: (BLZ.32)
Datum [TODAY]
#
De datum instellen:
Negatieve ritteller [-TRIP]
#
De afgelegde afstand wordt afgetrokken van een vooraf ingestelde waarde, sinds de negatieve ritteller werd ingesteld. Weergavebereik: 1,6088.3 tot -9,999.9 km of 9999.0 tot -6,214.9 mijl Het display knippert bij "-9999.9" km ("-6214.9" mile) als de waarde groter is dan -9999.9 km (-6214.9 mijl).
u Negatieve ritteller terugstellen: (BLZ.33)
30
(BLZ.46)
Page 35
Reserve-ritteller [RES]
#
Afgelegde afstand nadat het 1e segment (E) van de brandstofniveaumeter ging knipperen. Wanneer het 1e segment (E) van de brandstofmeter begint te knipperen, schakelt het INFO 1-display naar de reserve-ritteller. U moet zo snel mogelijk bijtanken. Weergavebereik: 0.0 tot 9999.9 km (mile) Als "----.-" wordt weergegeven, ga dan naar uw dealer voor onderhoud. Nadat er meer dan de reservehoeveelheid is getankt, wordt de normale weergave hervat.
Bedieningshandleiding
Vervolg
31
Page 36
Instrumenten (Vervolg)
Ritteller, gemiddelde brandstofverbruik, brandstofverbruik, gemiddelde snelheid
#
en rittijd terugstellen
Bedieningshandleiding
Om ritteller A, het gemiddelde brandstofverbruik, het brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid en de rittijd (die zijn gebaseerd op ritteller A) samen terug te stellen, houdt u de toets terwijl ritteller A of kilometerteller en het gemiddelde brandstofverbruik, het brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid en de rittijd wordt weergegeven.
Ritteller A
MODE
ingedrukt
Gemiddeld brandstofverbruik
Het display keert vervolgens terug naar de laatst geselecteerde weergave.
Bovendien worden ritteller A, het gemiddelde brandstofverbruik, het brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid en de rittijd automatisch teruggesteld wanneer u meer dan de reservehoeveelheid tankt en 0,1 km met uw voertuig rijdt. U kunt de automatische resetmodus bij tanken in- of uitschakelen. (BLZ.51)
32
Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
Rittijd
Page 37
Om de ritteller B, het gemiddelde brandstofverbruik, het brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid en de rittijd (die zijn gebaseerd op ritteller B) samen terug te stellen, houdt u de toets terwijl ritteller B wordt weergegeven.
Ritteller B
Gemiddeld brandstofverbruik
Het display keert vervolgens terug naar de laatst geselecteerde weergave.
Negatieve ritteller terugstellen
#
Voor het terugstellen van de negatieve ritteller houdt u de negatieve ritteller wordt weergegeven.
u Het display keert terug naar de ingestelde waarde.
Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
MODE
-toets ingedrukt wanneer de
MODE
Rittijd
ingedrukt
Bedieningshandleiding
Vervolg
33
Page 38
Instrumenten (Vervolg)
INFO 2-display
#
U kunt het volgende selecteren:
● Huidig brandstofverbruik
Bedieningshandleiding
● Gemiddeld brandstofverbruik
● Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
●
Rittijd
●
● Bedrijfsuren
● Accuspanningsmeter
● Reservebrandstofverbruik
34
Page 39
Het INFO 2-display wijzigen
#
a
Het INFO 2-display selecteren. (BLZ.26)
b
Druk op de
c
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
MODE
-toets. Het INFO 2-display is ingesteld en de cursor gaat naar de weergave van de rijmodus.
Huidig brandstofverbruik
Wanneer het 1e segment (E) van de brandstofni­veaumeter begint te knipperen
Druk op de toets Druk op de toets Druk op de Druk op de
Reservebrandstof­verbruik
SEL
(omhoog)
SEL
(omlaag)
SEL
-toets (omhoog) als het 1e segment (E) van de brandstofmeter begint te knipperen
SEL
-toets (omlaag) als het 1e segment (E) van de brandstofmeter begint te knipperen
SEL
-toets (omlaag) totdat de gewenste indicatie wordt weergegeven.
Gemiddeld brandstofverbruik
Brandstofverbruik
BedrijfsurenAccuspanningsmeter
Gemiddelde snelheid
Rittijd
Bedieningshandleiding
Vervolg
35
Page 40
Instrumenten (Vervolg)
Wanneer het 1e segment (E) van de brandstofniveaumeter begint te knipperen, worden het huidige brandstofverbruik, het gemiddelde brandstofverbruik, het brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid of de rittijd omgeschakeld naar het verbruik van reservebrandstof.
Bedieningshandleiding
36
Page 41
Huidig brandstofverbruik
#
Toont het huidige of momentele brandstofverbruik. Weergavebereik: 0,0 tot 300,0 L/100km (km/L, mile/L of mile/gal)
●
Wanneer uw snelheid lager is dan 5 km/h: "---.-" wordt weergegeven.
●
Meer dan 300,0 L/100km: "---.-" wordt weergegeven.
Als "---.-" wordt weergegeven in andere dan de bovenvermelde gevallen, ga dan naar uw dealer voor onderhoud.
Gemiddeld brandstofverbruik
#
Toont het gemiddelde brandstofverbruik sinds het terugstellen van de geselecteerde ritteller. Het gemiddelde brandstofverbruik wordt berekend op basis van de waarde weergegeven op de geselecteerde ritteller (A of B). Alleen als ritteller B is geselecteerd in het INFO 1-display wordt het gemiddelde brandstofverbruik van ritteller B weergegeven. In alle andere gevallen wordt het gemiddelde brandstofverbruik van ritteller A weergegeven. Weergavebereik: 0,0 tot 300,0 L/100km (km/L, mile/L of mile/gal)
●
Meer dan 300,0 L/100km: "---.-" wordt weergegeven.
●
Beginweergave: "---.-" wordt weergegeven.
●
Wanneer ritteller A of B wordt teruggesteld: "---.-" wordt weergegeven.
Als "---.-" wordt weergegeven in andere dan de bovenvermelde gevallen, ga dan naar uw dealer voor onderhoud. Het gemiddelde brandstofverbruik resetten: (BLZ.32
)
Bedieningshandleiding
Vervolg
37
Page 42
Instrumenten (Vervolg)
Brandstofverbruik
#
Bedieningshandleiding
Toont het brandstofverbruik sinds het terugstellen van de geselecteerde ritteller. Het brandstofverbruik wordt berekend op basis van de waarde die wordt weergegeven op de geselecteerde ritteller (A of B). Alleen als ritteller B is geselecteerd in het INFO 1-display wordt het brandstofverbruik van ritteller B weergegeven. In alle andere gevallen wordt het brandstofverbruik van ritteller A weergegeven. Weergavebereik: 0,0 tot 300,0 L (liter) of 0,0 tot 300,0 gal (gallon)
Wanneer ritteller A of B wordt teruggesteld: "---.-" wordt weergegeven.
●
Als "---.-" wordt weergegeven in andere dan de bovenvermelde gevallen, ga dan naar uw dealer voor onderhoud.
Het brandstofverbruik terugstellen: (BLZ.32)
38
Page 43
Gemiddelde snelheid
#
Weergavebereik: 0 tot 199 km (0 tot 124 mph) De gemiddelde snelheid wordt berekend op basis van de waarde die wordt weergegeven op de geselecteerde ritteller (A of B). Alleen als ritteller B is geselecteerd in het INFO 1-display wordt de gemiddelde snelheid van ritteller B weergegeven. In alle andere gevallen wordt de gemiddelde snelheid van ritteller A weergegeven.
Beginweergave: "---" wordt weergegeven.
●
●
Als met ritteller A of B minder dan 0,2 km is gereden sinds het starten van de motor: "---" wordt weergegeven.
●
Als de bedrijfstijd van A of B minder dan 15 seconden is sinds het starten van de motor: "---" wordt weergegeven.
Als "---" wordt weergegeven in andere dan de bovenvermelde gevallen, ga dan naar uw dealer voor onderhoud. De gemiddelde snelheid terugstellen: (BLZ.32
)
Bedieningshandleiding
Vervolg
39
Page 44
Instrumenten (Vervolg)
Rittijd
#
Toont de bedrijfstijd sinds het terugstellen van de geselecteerde ritteller. De rittijd wordt berekend op basis van de weergegeven waarde van de geselecteerde ritteller (A of B). Alleen
Bedieningshandleiding
als ritteller B is geselecteerd in het INFO 1-display wordt de rittijd van ritteller B weergegeven. In alle andere gevallen wordt de rittijd van ritteller A weergegeven. Weergavebereik: 00:00 tot 99:59 (uren:minuten)
De rittijd keert terug naar 00:00 wanneer de waarde hoger is dan 99:59.
●
De rittijd terugstellen: (BLZ.32)
Bedrijfsuren
#
Toont de bedrijfsuren sinds het starten van de motor. De bedrijfsuren keren terug naar 0:00 wanneer de waarde hoger is dan 99:59 (uren:minuten). Weergavebereik: 00:00 tot 99:59 (uren:minuten)
●
De bedrijfsuren keren terug naar 00:00 wanneer de waarde hoger is dan 99:59.
●
Als de contactschakelaar in de stand (Off) wordt gezet, worden de bedrijfuren teruggezet.
Accuspanningsmeter
#
Toont de huidige accuspanning.
40
Page 45
Reservebrandstofverbruik
#
Geeft het brandstofverbruik weer sinds het 1e (E) segment van de brandstofniveaumeter is gaan knipperen. Wanneer het 1e segment (E) van de brandstofniveaumeter begint te knipperen, worden het huidige brandstofverbruik, het gemiddelde brandstofverbruik, het brandstofverbruik, de gemiddelde snelheid, de rittijd, de bedrijfsuren of de accuspanningsmeter omgeschakeld naar het verbruik van reservebrandstof. U moet zo snel mogelijk bijtanken. Weergavebereik: 0,0 tot 300,0 L (liter) of 0,0 tot 300,0 gal (gallon)
●
Knippert vanaf "0.0" L of gal.
Wanneer de hoeveelheid verbruikte brandstof meer dan 1,6 l bedraagt, knippert de RES-markering op het
u
display sneller.
Nadat er meer dan de reservehoeveelheid is getankt, wordt de normale weergave hervat.
Bedieningshandleiding
Vervolg
41
Page 46
Instrumenten (Vervolg)
Display instellen
Selecteer de items die u wilt instellen uit de volgende instelmodi.
Bedieningshandleiding
Instelling informatie meerkleurige balk
Houd de toets (omlaag) en de
Normale weergave
ADJUST-modus
Houd de
LINE-modus
Druk op de
SP-modus
Voor het instellen van de ADJUST-modus, de LINE-modus of de SP-modus, drukt u op de toets. Als de contactschakelaar in de stand (Off) wordt gezet of er ongeveer 30 seconden niet op de toetsen
MODE, SEL
(omhoog) en
SEL
(omlaag) wordt gedrukt, wordt de bediening
automatisch omgeschakeld van de instelmodus naar de normale weergave.
42
SEL
-toets (omhoog) of de
• Druk op de
• Houd de
• Houd de
ingedrukt
SEL
SEL
SEL
-toets (omlaag)
MODE
-toets ingedrukt
MODE
-toets
MODE
-toets ingedrukt
SEL
-toets (omhoog)
-toets (omlaag) ingedrukt
-toets (omhoog) of de
SEL
MODE
-
-
Page 47
ADJUST-modus
De volgende items kunnen sequentieel worden gewijzigd.
● Tijdsindeling instellen
● Datum instellen
● Klok instellen
● Aanpassen van helderheid achtergrondverlichting H (hoog)
● Aanpassen van helderheid achtergrondverlichting L (laag)
● Instellen HISS-controlelampje
Automatische resetmodus in-/uitschakelen voor ritteller A, gemiddeld brandstofverbruik,
●
brandstofverbruik, gemiddelde snelheid en rittijd
Behalve type FO, KO
●
Eenheid van snelheid en afgelegde afstand wijzigen
Behalve type FO, KO
●
Eenheid van de brandstofverbruikmeter wijzigen
● Negatieve ritteller instellen
Bedieningshandleiding
Vervolg
43
Page 48
Instrumenten (Vervolg)
Bedieningshandleiding
ADJUST-modus
Tijdsindeling instellen
Normale weergave
Negatieve ritteller instellen
44
Datum instellen
Klok instellen
Aanpassen van helderheid achtergrondverlichting H (hoog)
Aanpassen van helderheid achtergrondverlichting L (laag)
Houd de toets (omlaag) en de
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
MODE
MODE
-toets
SEL
-toets ingedrukt
Behalve type FO, KO
Eenheid van de brandstofverbruikmeter wijzigen
Behalve type FO, KO
Eenheid van snelheid en afgelegde afstand wijzigen
Automatische resetmodus in-/uitschakelen voor ritteller A, gemiddeld brandstofverbruik, brandstofverbruik, gemiddelde snelheid en rittijd
Instellen HISS-controlelampje
-
Page 49
Als de contactschakelaar in de stand (Off) wordt gezet of er ongeveer 30 seconden niet op de toetsen
MODE, SEL
(omhoog),
SEL
(omlaag) wordt gedrukt, wordt de bediening automatisch omgeschakeld van de instelmodus naar de normale weergave. Als er gedurende ongeveer 30 seconden niet op de toetsen wordt gedrukt, worden items waarvoor de instelling aan de gang is genegeerd en worden alleen items met voltooide instellingen toegepast. Pas als de contactschakelaar in de stand
(Off) wordt gezet, worden items waarvoor de instelling aan de gang is en items met voltooide instellingen toegepast.
1 Tijdsindeling instellen:
U kunt de tijdsindeling omschakelen tussen 12­uurindeling en 24-uurindeling.
a
Zet de contactschakelaar in de stand (On).
b
Selecteer de ADJUST-modus. (BLZ.42
De huidige tijdsindeling begint te
u
knipperen.
c
Druk op de toets (omlaag) om "12hr" of "24hr" te selecteren.
d
Druk op de ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van de datum.
SEL
-toets (omhoog) of de
MODE
-toets. De tijdsindeling is
SEL
)
-
Bedieningshandleiding
Vervolg
45
Page 50
Instrumenten (Vervolg)
2 Datum instellen:
a
Druk op de
Bedieningshandleiding
toets (omlaag) totdat het gewenste jaar wordt weergegeven.
u Houd de
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
SEL
-toets (omlaag) ingedrukt om het
jaar versneld in te stellen.
SEL
-toets (omhoog) of de
-
c
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de toets (omlaag) totdat de gewenste maand wordt weergegeven.
u Houd de
SEL
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets (omlaag) ingedrukt om de
maand versneld in te stellen.
SEL
-
46
b
Druk op de knipperen.
MODE
-toets. De maand begint te
d
Druk op de
MODE
-toets. De dag begint te
knipperen.
e
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de toets (omlaag) totdat de gewenste dag wordt weergegeven.
u Houd de
SEL
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets (omlaag) ingedrukt om de
dag versneld in te stellen.
SEL
-
Page 51
f
Druk op de
MODE
-toets. De datum is ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van de klok.
3 Klok instellen:
a
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de toets (omlaag) totdat het gewenste uur wordt weergegeven.
u Houd de
SEL
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets (omlaag) ingedrukt om het
uur versneld in te stellen.
SEL
-
Bedieningshandleiding
b
Druk op de
MODE
beginnen te knipperen.
-toets. De minuten
Vervolg
47
Page 52
Instrumenten (Vervolg)
c
Druk op de
toets (omlaag) totdat de gewenste minuten worden
Bedieningshandleiding
weergegeven.
u Houd de
d
Druk op de en de weergave schakelt over naar het aanpassen van helderheid achtergrondverlichting H (hoog).
48
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
SEL
-toets (omlaag) ingedrukt om de
minuten versneld in te stellen.
MODE
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets. De klok is ingesteld
-
4 Aanpassen van helderheid achtergrondverlichting H (hoog):
U kunt een van de vijf helderheidsniveaus instellen.
a
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
toets (omlaag). De helderheid wordt omgeschakeld.
b
Druk op de
MODE
-toets. De helderheid H (hoog) is ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van de helderheid achtergrondverlichting L (laag).
SEL
-
Page 53
5 Aanpassen van helderheid achtergrondverlichting L (laag):
U kunt een van de vijf helderheidsniveaus instellen.
a
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
toets (omlaag). De helderheid wordt omgeschakeld.
b
Druk op de
MODE
-toets. De helderheid L (laag) is ingesteld en de weergave schakelt over naar knipperen van het HISS­controlelampje aan/uit.
SEL
Bedieningshandleiding
-
Druk op de toets
Druk op de toets
SEL
(omhoog)
SEL
(omlaag)
Vervolg
49
Page 54
Instrumenten (Vervolg)
Bedieningshandleiding
6 Instellen HISS-controlelampje:
U kunt de knipperfunctie van het HISS­controlelampje aan- of uitzetten.
a
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de toets (omlaag) om "On" (knippert) of "OFF" (uit) te selecteren.
SEL
-
50
Druk op de toets
Druk op de toets
SEL
(omhoog)
SEL
(omlaag)
b
Druk op de
MODE
-toets. Het HISS­controlelampje is ingesteld en het display schakelt over naar de automatische resetmodus in-/uitschakelen voor ritteller A, gemiddeld brandstofverbruik, brandstofverbruik, gemiddelde snelheid en rittijd.
Page 55
7 Automatische resetmodus in-/ uitschakelen voor ritteller A, gemiddeld brandstofverbruik, brandstofverbruik, gemiddelde snelheid en rittijd:
U kunt de automatische resetmodus ook in- of uitschakelen door de segmenten van de brandstofmeter met twee of meer te verhogen. Deze modus is standaard ingeschakeld.
a
Druk op de toets (omlaag) om "On"(inschakelen) of "OFF" (uitschakelen) van de automatische resetmodus te selecteren.
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
-
Behalve type FO, KO
b
Druk op de
MODE
-toets. Het in-/ uitschakelen van de automatische resetmodus is ingesteld. De weergave schakelt over naar het wijzigen van de eenheid voor snelheid en afgelegde afstand.
Type FO, KO
Druk op de
MODE
-toets. Het in-/ uitschakelen van de automatische resetmodus is ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van de negatieve ritteller.
Bedieningshandleiding
Vervolg
51
Page 56
Instrumenten (Vervolg)
8 Eenheid van snelheid en afgelegde afstand wijzigen:
Behalve type FO, KO
Bedieningshandleiding
a
Druk op de
toets (omlaag) om "km/h" & "km" of "mph" & "mile" & "mile/h" te selecteren.
u
SEL
-toets (omhoog) of de
De melding "UNIT SPEED" scrolt over het INFO 1-display.
SEL
-
9 Eenheid van de brandstofverbruikmeter wijzigen:
Behalve type FO, KO
a
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
-toets
(omlaag) om "L/100km" of "km/L" te selecteren.
u
De melding "UNIT FUEL CON" scrolt over het INFO 1-display.
Als "mph" is geselecteerd voor snelheid en "mile" voor afgelegde afstand, wordt het brandstofverbruik weergegeven met "mile/gal" of "mile/L".
b
Druk op de
MODE
-toets. De eenheid van snelheid en afgelegde afstand is ingesteld en het display schakelt over naar het wijzigen van eenheid van brandstofverbruikmeter.
52
b
Druk op de
MODE
-toets. De eenheid van de brandstofverbruikmeter is ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van de negatieve ritteller.
Page 57
10 Instellen van negatieve ritteller:
U kunt ook de waarde van de negatieve ritteller aanpassen.
a
Het vooraf ingestelde getal wordt weergegeven en het vierde cijfer knippert.
d
Herhaal de stappen b en c voor het tweede en eerste cijfer.
e
Druk op de
MODE
-toets. De afstand van de rit is ingesteld en de weergave keert terug naar de normale weergave.
Bedieningshandleiding
b
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de toets (omlaag) totdat de gewenste waarde wordt weergegeven.
u Houd de
SEL
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets (omlaag) ingedrukt om de
waarde versneld in te stellen.
u Beschikbaar instelbereik: 9,999.0 tot 0.0 km
(mijl)
c
Druk op de
MODE
-toets. Het derde cijfer
begint te knipperen.
SEL
-
Vervolg
53
Page 58
Instrumenten (Vervolg)
LINE-modus
De volgende items kunnen sequentieel worden gewijzigd.
Bedieningshandleiding
● Instelling opschakeltoerental
● Instelling schakelinterval
● Instelling tijdsymbool
● Instelling brandstofsymbool
● Instelling schakelsymbool
Meerkleurige balk
54
Houd de
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets (omlaag) en de
Druk op de
MODE
Normale weergave
LINE-modus
Instelling opschakeltoerental
Instelling schakelinterval
Instelling tijdsymbool
Instelling brandstofsymbool
Instelling schakelsymbool
MODE
-toets
SEL
-toets ingedrukt
Page 59
1 Instelling opschakeltoerental
U kunt het opschakelpunt afstellen.
a
Zet de contactschakelaar in de stand (On).
b
Selecteer de LINE-modus. (BLZ.42)
u De toerentellerbalk en de toerentalwaarde
(x 100) op het INFO 2-display gaan knipperen en de melding "SHIFT REV" scrolt over het INFO 1-display.
Toerentellerbalk
INFO 2-display
INFO 1-display
c
Telkens als de
SEL
-toets (omlaag) wordt ingedrukt, gaan
SEL
-toets (omhoog) of de
de toerentellerbalk en de toerentalwaarde op het INFO 2-display met 200 omw/min (rpm) (één segment) omhoog of omlaag. Indien de ingestelde waarde de toelaatbare waarde overschrijdt, keert de ingestelde waarde automatisch terug naar 4,000 r/min (rpm) of 7,000 r/min (rpm).
u Houd de
SEL
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets (omlaag) ingedrukt om de
RPM-waarde versneld in te stellen.
u Beschikbaar instelbereik: 4,000 tot
7,000 r/min (rpm)
d
Druk op de
MODE
-toets. Het opschakeltoerental is ingesteld en de weergave schakelt over naar de instelling van het schakelinterval.
Bedieningshandleiding
Vervolg
55
Page 60
Instrumenten (Vervolg)
2 Schakelinterval instellen
U kunt u het interval-RPM op de meerkleurige balk instellen van knipperen tot het
Bedieningshandleiding
opschakelpunt. De toerentellerbalk en de toerentalwaarde op het INFO 2-display gaan knipperen en de melding "SHIFT WIDTH" scrolt over het INFO 1­display.
a
Telkens als de
SEL
-toets (omlaag) wordt ingedrukt, gaan de toerentellerbalk of het numerieke toerental op het INFO 2-display met 200 omw/min (rpm) omhoog of omlaag. Indien de ingestelde waarde de toelaatbare waarde overschrijdt, keert de ingestelde waarde automatisch terug naar 0 omw/min (rpm) of 1000 omw/min (rpm).
u Houd de
SEL
RPM-waarde versneld in te stellen.
u Beschikbaar instelbereik: 0 tot
1000 omw/min (rpm) (10 segmenten)
u Standaardinstelling: 600 omw/min (rpm)
56
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
-toets (omhoog) of de
-toets (omlaag) ingedrukt om de
Toerentalwaarde
Toerentellerbalk
Page 61
Voor-
Wanneer het opschakeltoerental is
beeld:
ingesteld op 6,000 r/min (rpm) en het schakelinterval is ingesteld op 600 r/min (rpm).
Wanneer de informatie van de meerkleurige balk is ingesteld op de opschakelmodus (witte kleurenmodus) (BLZ.63)
meerkleurige balk omw/min (rpm)
Knippert 4.800
Knippert snel 5.400
Knippert sneller 6.000
Wanneer de informatie van de meerkleurige balk is ingesteld op de opschakelmodus (kleurenmodus) (BLZ.64)
meerkleurige balk omw/min (rpm)
Geel 4.800
Amber 5.400
Roze 6.000
Als het schakelinterval is ingesteld op 0 omw/min (rpm) begint de meerkleurige balk te knipperen als de ingestelde waarde voor het opschakeltoerental wordt bereikt.
Bedieningshandleiding
b
Druk op de ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van het tijdsymbool.
MODE
-toets. Het schakelinterval is
Vervolg
57
Page 62
Instrumenten (Vervolg)
3 Tijdsymbool instellen
U kunt de tijd weergeven met een meerkleurige balk.
Bedieningshandleiding
Wanneer de minuten van de klok van 59 naar 00 springen, knippert de meerkleurige balk drie keer als de functie is ingeschakeld.
a
Druk op de toets (omlaag) om "On" of "OFF" te selecteren.
u
SEL
-toets (omhoog) of de
De melding "TIME SIGN" scrolt over het INFO 1-display.
SEL
-
4 Brandstofsymbool instellen
U kunt het brandstofsymbool instellen met de meerkleurige balk. Wanneer het 1e (E) segment van de brandstofmeter begint te knipperen, gaat de balk gedurende 15 seconden amber branden als de functie is ingeschakeld.
a
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
-
toets (omlaag) om "On" of "OFF" te selecteren
u
De melding "FUEL SIGN" scrolt over het INFO 1-display.
b
Druk op de
MODE
-toets. Het tijdsymbool is ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van het brandstofsymbool.
58
b
Druk op de
MODE
-toets. Het brandstofsymbool is ingesteld en de weergave schakelt over naar het instellen van het schakelsymbool.
Page 63
5 Schakelsymbool instellen
U kunt het schakelsymbool instellen met de meerkleurige balk. Wanneer de
SEL
-toets (omhoog), de
toets (omlaag) of de
MODE
-toets wordt ingedrukt,
SEL
-
gaat de meerkleurige balk kort branden als de functie is ingeschakeld.
a
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
-
toets (omlaag) om "On" of "OFF" te selecteren.
u
De melding "SW SIGN" scrolt over het INFO 1­display.
SP-instelmodus Het afsluitbericht invoeren:
Het afsluitbericht kan 6 letters bevatten.
a
Zet de contactschakelaar in de stand (On).
b
Selecteer de SP-modus. (BLZ.42
c
Druk op de
SEL
-toets (omhoog) of de
)
toets (omlaag) totdat de gewenste letter wordt weergegeven.
u U kunt hier letters, cijfers en symbolen
invoeren.
u
Houd de
SEL
-toets (omhoog) of de
SEL
toets (omlaag) ingedrukt om de letter versneld in te stellen.
SEL
Bedieningshandleiding
-
-
b
Druk op de
MODE
-toets. Het schakelsignaal is ingesteld en de weergave keert terug naar de normale weergave.
Vervolg
59
Page 64
Instrumenten (Vervolg)
d
Druk op de en de volgende letter begint te knipperen. Volg
Bedieningshandleiding
stap c en d van de procedure tot de laatste letter is ingesteld.
De instelling van het afsluitbericht is voltooid en het display keert terug naar de normale weergave. Letters selecteren in het afsluitscherm: Wanneer de
SEL
-toets (omlaag) wordt ingedrukt, worden de letters in de volgende volgorde weergegeven.
MODE
-toets. De letter is ingesteld
SEL
-toets (omhoog) of de
(Spatie)
A B C D E F G H I J
K L M N O P Q SR T
U V W YX Z
1 2 3 4 5 6 7 8 90
! # $ % &
“
' '
( )
60
,
- . / :
+
*
@ ^
_
=
?
;
< >
Page 65
Instelling informatie meerkleurige balk
U kunt de verschillende rijomstandigheden weergeven door de informatie van de meerkleurige balk in te stellen.
u Behalve tijdens het instellen van de rijmodus
door de gebruiker. (BLZ.82)
De volgende items kunnen sequentieel worden ingesteld.
● Kleur UIT-modus
Opschakelmodus (wit)
●
●
Opschakelmodus (kleurmodus)
●
ECO-modus
●
Schakelstandmodus
●
Rijmodus
Meerkleurige balk
Bedieningshandleiding
Vervolg
61
Page 66
Instrumenten (Vervolg)
Bedieningshandleiding
Kleur UIT-modus
Opschakelmodus (wit)
Opschakelmodus (kleurmodus)
Normale weergave
Houd de
SEL
-toets (omlaag)
ingedrukt
• Druk op de
• Houd de
MODE
ingedrukt
• Houd de
SEL
(omhoog) ingedrukt
Druk op de toets
Druk op de toets
MODE
-toets
-toets
SEL
(omhoog)
SEL
(omlaag)
-toets
62
ECO-modus
Schakelstandmodus
Rijmodus
Als de contactschakelaar in de stand (Off) wordt gezet of er ongeveer 30 seconden niet op de toetsen
SEL
(omlaag) wordt gedrukt, wordt de
MODE, SEL
(omhoog) en
bediening automatisch omgeschakeld van de instelmodus naar de normale weergave.
Page 67
Volgorde van prioriteit voor de kleur:
ECO-modus
Opschakelmodus
Kleur UIT-modus
#
Alle kleurmodi zijn uitgeschakeld.
Opschakelmodus (wit)
#
Wanneer het motortoerental het ingestelde opschakelpunt bereikt, knippert de meerkleurige balk wit. Dit geeft aan dat u moet opschakelen.
Voorbeeld: Wanneer het opschakeltoerental is ingesteld op 6,000 r/min (rpm) en het
schakelinterval is ingesteld op 600 r/min (rpm).
meerkleurige balk omw/min (rpm)
Knippert 4.800
Knippert snel 5.400
Knippert sneller 6.000
Het opschakeltoerental instellen: (BLZ.55) Het schakelinterval instellen: (BLZ.56)
>
Schakelstandmodus
Rijmodus
Bedieningshandleiding
Vervolg
63
Page 68
Instrumenten (Vervolg)
Opschakelmodus (kleurmodus)
#
Wanneer het motortoerental het ingestelde opschakelpunt bereikt, verandert de kleur van de meerkleurige balk. Dit geeft aan dat u moet opschakelen.
Bedieningshandleiding
Voorbeeld: Wanneer het opschakeltoerental is ingesteld op 6,000 r/min (rpm) en het
schakelinterval is ingesteld op 600 r/min (rpm).
meerkleurige balk omw/min (rpm)
Geel 4.800
Amber 5.400
Roze 6.000
Het opschakeltoerental instellen: (BLZ.55) Het schakelinterval instellen: (BLZ.56
ECO-modus
#
Afhankelijk van het brandstofverbruik verandert de kleur van de meerkleurige balk. Als het brandstofverbruik verbetert, verandert de kleur van de meerkleurige balk in aqua. Als het brandstofverbruik nog verder wordt verbeterd, wordt de kleur groen.
u De ECO-modus omvat de opschakelmodus (kleurenmodus). u Wanneer de rijmodus [SPORT] is ingesteld, werkt de eco-modus niet. (BLZ.82)
64
)
Page 69
Schakelstandmodus
#
Afhankelijk van de versnelling verandert de kleur van de meerkleurige balk als volgt.
Versnelling 1e 2e 3e 4e 5e 6e
Kleur Geel Roze Violet Blauw Aqua Groen
u
De schakelstandmodus omvat de opschakelmodus (witte kleurmodus).
Rijmodus
#
Afhankelijk van de rijmodus verandert de meerkleurige balk als volgt.
Rijmodus SPORT STANDARD RAIN USER
Kleur Roze Violet Aqua Blauw
u De rijmodus omvat de opschakelmodus (witte kleurmodus).
Bedieningshandleiding
65
Page 70
Controlelampjes
Als één van deze indicatoren niet gaat branden terwijl dat zou moeten, laat dan uw dealer controleren op problemen.
Bedieningshandleiding
Controlelampje Torque Control
UIT
Gaat branden als Torque Control wordt uitgeschakeld.
Controlelampje Torque Control
Gaat branden als de contactschakelaar in de stand (On) wordt gezet. Gaat uit als uw motorfiets een snelheid van ongeveer 5 km/h bereikt om aan te geven dat Torque Control klaar is voor gebruik.
Als het gaat branden tijdens het rijden: (BLZ.149
66
)
Page 71
Controlelampje grootlicht
Controlelampje hoge koelvloeistoftemperatuur
Gaat branden als de contactschakelaar in de stand (On) wordt gezet.
Als deze gaat branden tijdens het rijden: (BLZ.145)
Controlelampje ABS (antiblokkeersysteem)
Gaat branden als de contactschakelaar in de stand (On) wordt gezet. Gaat uit bij een snelheid van ongeveer 10 km/h. Als het gaat branden tijdens het rijden: (BLZ.148)
Controlelampje neutraalstand
Gaat branden als de transmissie in de neutraalstand staat.
Bedieningshandleiding
Vervolg
67
Page 72
Controlelampjes (Vervolg)
Bedieningshandleiding
Richtingaanwijzer links Richtingaanwijzer rechts
68
Oliedrukcontrolelampje
Gaat branden als de contactschakelaar in de
(On) wordt gezet.
stand Gaat uit na het starten van de motor.
Als het gaat branden terwijl de motor draait: (BLZ.146
)
Page 73
PGM-FI-storingslampje (elektronisch
geregelde brandstofinspuiting) (MIL)
Gaat kort branden als de contactschakelaar in de
(On) wordt gezet.
stand
Als het gaat branden terwijl de motor draait: (BLZ.147
)
Bedieningshandleiding
Controlelampje parkeerrem
NC750XD
Gaat branden om u erop te wijzen dat u de parkeerremhendel niet hebt vrijgezet.
69
Page 74
Schakelaars
NC750XA
NC750XA
Bedieningshandleiding
Alarmknipperlichtschakelaar
Kan op uit of aan worden gezet als de contactschakelaar op aan staat.
Dimlichtschakelaar/ Passeerlichtschakelaar
• : Grootlicht
• : Dimlicht
• :
Richtingaanwijzerschakelaar
u Door op de schakelaar te drukken, wordt de
richtingaanwijzer uitgeschakeld.
70
Knipperen met grootlicht.
Claxonknop
Page 75
Contactschakelaar
Schakelt het elektrische systeem in/uit, vergrendelt het stuur.
u De sleutel kan in de stand (Off) of (Lock)
worden verwijderd.
Stuurslot: (BLZ.77)
Motorstopschakelaar/ Starttoets
Moet normaal in de stand (Run) blijven staan.
u Schakel in geval van nood over naar de stand
(Stop) (de startmotor werkt niet) om de
motor te stoppen.
(Off)
Schakelt de motor
uit.
(Lock)
Vergrendelt het
stuur.
(On) Schakelt het elektrische systeem in voor het starten/rijden.
Bedieningshandleiding
Vervolg
71
Page 76
Schakelaars (Vervolg)
NC750XD
Bedieningshandleiding
Alarmknipperlichtschakelaar
Kan op uit of aan worden gezet als de contactschakelaar op aan staat.
Dimlichtschakelaar/ Passeerlichtschakelaar
• : Grootlicht
• : Dimlicht
• :
Richtingaanwijzerschakelaar
u Door op de schakelaar te drukken, wordt de
richtingaanwijzer uitgeschakeld.
72
Knipperen met grootlicht.
Claxonknop
Page 77
Contactschakelaar
Schakelt het elektrische systeem in/uit, vergrendelt het stuur.
u De sleutel kan in de stand (Off) of (Lock)
worden verwijderd.
Stuurslot: (BLZ.77)
Motorstopschakelaar/ Starttoets
Moet normaal in de stand (Run) blijven staan.
u Schakel in geval van nood over naar de stand
(Stop) (de startmotor werkt niet) om de
motor te stoppen.
(Off)
Schakelt de motor
uit.
(Lock)
Vergrendelt het
stuur.
(On) Schakelt het elektrische systeem in voor het starten/rijden.
Bedieningshandleiding
Vervolg
73
Page 78
Schakelaars (Vervolg)
Schakelaars op handgreep links
#
NC750XA
Bedieningshandleiding
74
Wordt gebruikt voor het bedienen en instellen van het display. Wordt ook gebruikt om de rijmodus te wijzigen.
(BLZ.79)
sel omhoog-schakelaar
sel omlaag-schakelaar
MODE
(BLZ.22)
-schakelaar
Page 79
NC750XD
Opschakelknop (+)
Om de versnelling op te schakelen. (BLZ.94)
Wordt gebruikt voor het bedienen en instellen van het display.
(BLZ.22)
Wordt ook gebruikt om de rijmodus te wijzigen.
(BLZ.79)
sel omhoog-schakelaar
sel omlaag-schakelaar
MODE
-schakelaar
Bedieningshandleiding
Terugschakelknop (-)
Om de versnelling terug te schakelen. (BLZ.94
)
Vervolg
75
Page 80
Schakelaars (Vervolg)
Schakelaars op stuurgreep rechts
#
NC750XD
Bedieningshandleiding
76
N-D-schakelaar
Om te schakelen tussen neutraalstand en AT­MODUS.
A/M-schakelaar
Om te schakelen tussen de AT-MODUS en MT­MODUS.
(BLZ.93)
(BLZ.93)
Page 81
Stuurslot
Vergrendel het stuur wanneer u parkeert om diefstal te voorkomen. Een U-vormig wielslot of iets vergelijkbaars wordt ook aanbevolen.
a
Duwen
Draaien
b
Contactsleutel
Vergrendelen
#
a
Draai het stuur volledig naar links.
b
Duw de sleutel omlaag en zet de contactscha­kelaar in de stand (Lock).
u Draai het stuur als het stuur moeilijk
vergrendeld kan worden.
c
Verwijder de sleutel.
Ontgrendelen
#
Steek de sleutel in het slot, duw de sleutel erin en zet de contactschakelaar in de stand (Off).
Bedieningshandleiding
77
Page 82
Parkeerrem
NC750XD
Parkeerremhendel en ontgrendeltoets
Bedieningshandleiding
Zorg ervoor dat de motorfiets op de parkeerrem staat tijdens het parkeren en het warmdraaien van de motor.
u Controleer of de parkeerremhendel is vrijgezet
voordat u gaat rijden.
Parkeerremhendel
b
Ontgrendelknop
78
a
Vergrendelen
#
Trek de parkeerremhendel (a) naar achteren om het achterwiel te blokkeren.
u Controleer of de ontgrendelknop uitspringt en
de parkeerremhendel niet is ontgrendeld.
u De parkeerremvergrendeling werkt niet als de
parkeerrem niet juist is afgesteld. (BLZ.134)
Ontgrendelen
#
Ontgrendel de parkeerremhendel door de hendel (a) lichtjes in te trekken en op de ontgrendelknop (b) te drukken.
u Controleer voordat u gaat rijden of het
parkeerremcontrolelampje uit is en of de parkeerrem volledig is ontgrendeld zodat het achterwiel niet zwaar loopt.
Page 83
Rijmodus
U kunt de rijmodus wijzigen. De rijmodus bestaat uit de volgende parameters.
P: Niveau motorvermogen EB: Niveau motorrem T: Niveau Torque Control
NC750XD
D: DCT-modus
Huidige rijmodus
EB-niveau
P-niveau
Bedieningshandleiding
T-niveau
NC750XD
D-niveau
Vervolg
79
Page 84
Rijmodus (Vervolg)
Rijmodus heeft vier modi. Er zijn vier modi beschikbaar: [SPORT], [STANDARD], [RAIN] en [USER].
Bedieningshandleiding
u [SPORT]: Deze modus is geschikt voor sportief
rijden. U voelt de meeste reactie van de motor.
u [STANDARD]: Standaard, allround modus
voor uiteenlopende situaties.
u [RAIN]: Goed voor stabiel rijden op glad
wegdek, zoals bij regen.
Het oorspronkelijke instelniveau kan niet worden gewijzigd.
Oorspronkelijke instelling
P-niveau T-niveau EB-niveau
SPORT 3 1 3 4
STANDARD 2 2 2 2
RAIN 1 3 1 1 USER 2
Opmerkingen: *1: Niveau kan worden gewijzigd. *2: Als 0 is geselecteerd, verandert het niveau in 2 wanneer het contact weer wordt ingeschakeld.
80
*1
u [USER]: Het oorspronkelijke instelniveau kan
worden gewijzigd.
*1, 2
2
*1
2
D-niveau
NC750XD
*1
2
Page 85
P-niveau (niveau motorvermogen)
P-niveau heeft drie instelniveaus. Beschikbaar instelbereik: 1 tot 3
u Niveau 1 geeft het minste vermogen. u Niveau 3 geeft het meeste vermogen.
EB-niveau (niveau motorrem)
EB-niveau heeft drie instelniveaus. Beschikbaar instelbereik: 1 tot 3
u Niveau 1 geeft het zwakste remeffect. u Niveau 3 geeft het sterkste remeffect.
Bedieningshandleiding
T-niveau (Torque Control-niveau)
T-niveau heeft drie instelniveaus of kan worden uitgeschakeld. Beschikbaar instelbereik: 0 tot 3
u Niveau 1 is het minimale Torque Control-
niveau.
u Niveau 3 is het maximale Torque Control-
niveau.
u Level 0 schakelt Torque Control uit. u Als het elektrische systeem van uit op aan wordt
gezet terwijl het T-niveau is ingesteld op 0, wordt het T-niveau automatisch ingesteld op 2.
NC750XD
D-niveau (DCT-modus)
D-niveau (DCT-modus) heeft vier instelniveaus. Beschikbaar instelbereik: 1 tot 4
u Er kan een hoger motortoerental worden
gebruikt door het niveau te verhogen.
u Niveau 1 is het laagste motortoerental. u Niveau 4 is het hoogste motortoerental.
Vervolg
81
Page 86
Rijmodus (Vervolg)
Rijmodus selecteren
a
Breng het voertuig tot stilstand.
b
Bedieningshandleiding
Selecteer de rijmodusweergave. (BLZ.26)
c
Druk op de toets
(omlaag) terwijl de gashendel volledig
gesloten is.
SEL
Toets
Toets
82
(omhoog)
SEL
(omlaag)
SEL
(omhoog) of
MODE
-toets
SEL
SPORT
STANDARD
RAIN
USER
Druk op de toets
Druk op de toets
SEL
(omhoog)
SEL
(omlaag)
Page 87
Rijmodus instellen
NC750XA
U kunt de P, EB en T-niveaus van de rijmodus USER.
NC750XD
U kunt de P, EB, T en D-niveaus van de rijmodus USER.
a
Breng het voertuig tot stilstand.
b
Selecteer de rijmodus USER. (BLZ.82)
c
Houd de
MODE
-toets ingedrukt tot de P-
waarde knippert.
d
Druk op de toets
SEL
(omhoog) of (omlaag) tot het gewenste niveau wordt weergegeven.
e
Druk op de
MODE
-toets. Het P-niveau is
ingesteld en de EB-waarde knippert.
f
Druk op de toets
SEL
(omhoog) of (omlaag) tot het gewenste niveau wordt weergegeven.
g
Druk op de
MODE
-toets. Het EB-niveau is
ingesteld en de T-waarde knippert.
h
Druk op de toets
SEL
(omhoog) of (omlaag) tot het gewenste niveau wordt weergegeven.
u T-niveau kan worden ingesteld op Uit door
SEL
de
-toets (omlaag) ingedrukt te
houden.
NC750XA
i
Druk op de
MODE
-toets. Het T-niveau is
ingesteld.
NC750XD
Druk op de
MODE
-toets. Het T-niveau is ingesteld en de D-waarde knippert. Druk op de toets
SEL
(omhoog) of (omlaag) tot het gewenste niveau wordt weergegeven.
j
Houd de
MODE
-toets ingedrukt tot de
normale weergave weer verschijnt.
U kunt op elk gewenst moment stoppen met instellen van de rijmodi door de
MODE
-toets
ingedrukt te houden.
Vervolg
Bedieningshandleiding
83
Page 88
Rijmodus (Vervolg)
Bedieningshandleiding
Houd de
MODE
-knop ingedrukt
Druk op de
MODE
-toets
Druk op de toets
SEL
(omhoog)
Druk op de toets
SEL
(omlaag)
84
NC750XD
Houd de
SEL
-toets (omlaag) ingedrukt
Page 89
Motor starten
NC750XA
Start de motor volgens de volgende procedure, ongeacht of de motor koud of warm is.
c
b
a
d
LET OP
• Als de motor niet binnen 5 seconden start,
moet u de contactschakelaar in de stand (Off) zetten en 10 seconden wachten voordat u de motor opnieuw probeert te starten om de accuspanning te verhogen.
•
Het langdurig versneld stationair draaien en het verhogen van het toerental kunnen de motor en het uitlaatsysteem beschadigen.
• Het snel openen van de gashendel of het
langer dan ongeveer 5 minuten versneld stationair laten draaien van de motor kan verkleuring van de uitlaatpijp veroorzaken.
a
Zorg ervoor dat de motorstopschakelaar in de stand (Run) staat.
b
Zet de contactschakelaar in de stand (On).
c
Zet de transmissie in de neutraalstand (N­controlelampje gaat branden). U kunt ook de koppelingshendel intrekken om uw voertuig te starten met de transmissie in de versnelling wanneer de zijstandaard omhoog is geklapt.
Bedieningshandleiding
Vervolg
85
Page 90
Motor starten (Vervolg)
d
Druk op de startknop met een volledig gesloten gashendel.
Bedieningshandleiding
u Als u de motor niet kunt starten, draai dan
de gashendel iets open (circa 3 mm, zonder speling) en druk op de startknop.
Circa 3 mm, zonder speling
86
Als de motor niet start:
a
Open de gashendel volledig en druk gedurende 5 seconden op de startknop.
b
Herhaal de normale startprocedure.
c
Als de motor start en het stationair toerental instabiel is, moet u de gashendel een klein beetje openen.
d
Als de motor niet start, wacht dan 10 seconden voordat u stappen a en b opnieuw probeert.
Als de motor niet start (BLZ.144)
#
Page 91
NC750XD
Start de motor volgens de volgende procedure, ongeacht of de motor koud of warm is.
e
c
b
a
d
LET OP
•
Als de motor niet binnen 5 seconden start, moet u de contactschakelaar in de stand (Off) zetten en 10 se­conden wachten voordat u de motor opnieuw probeert te starten om de accuspanning te verhogen.
•
Het langdurig versneld stationair draaien en het verhogen van het toerental kunnen de motor en het uitlaatsysteem beschadigen.
•
Het snel openen van de gasklep of het langer dan ongeveer 5 minuten versneld stationair laten draaien van de motor kan een verkleuring van de uitlaatpijp veroorzaken.
a
Zorg ervoor dat de motorstopschakelaar in de stand (Run) staat.
b
Zet de contactschakelaar in de stand (On).
c
Controleer of de transmissie in de neutraal­stand staat (N-controlelampje gaat branden).
Bedieningshandleiding
Vervolg
87
Page 92
Motor starten (Vervolg)
d
Druk op de startknop met een volledig gesloten gashendel.
Bedieningshandleiding
u Als u de motor niet kunt starten, draai dan
de gashendel iets open (circa 3 mm, zonder speling) en druk op de startknop.
Circa 3 mm, zonder speling
e
Controleer of de parkeerremhendel is vrijgezet voordat u gaat rijden.
Als de motor niet start (BLZ.86)
#
88
(BLZ.78)
Wanneer u de motor afzet
a
Zet om de motor af te zetten de transmissie in de neutraalstand (N-indicator gaat branden).
u Als u de contactschakelaar in de stand
(Off) zet wanneer het voertuig in versnelling staat, wordt de motor uitgeschakeld met de koppeling ontkoppeld.
b
Zet de contactschakelaar in de stand (Off).
c
Activeer de parkeerrem wanneer u het voertuig parkeert. (BLZ.78)
Page 93
Schakelen
NC750XA
De transmissie van uw voertuig is uitgerust met 6 vooruitversnellingen in een schakelpatroon van één omlaag, vijf omhoog.
Als u het voertuig in de versnelling zet met een omlaag geklapte zijstandaard, wordt de motor uitgeschakeld.
Bedieningshandleiding
Vervolg
89
Page 94
Schakelen (Vervolg)
NC750XD
Uw voertuig is uitgerust met een automatische 6-traps transmissie. Deze kan automatisch (via
Bedieningshandleiding
de AT-MODUS) of handmatig (via de MT­MODUS) worden geschakeld.
Het systeem van de transmissie met dubbele koppeling voert onmiddellijk na het starten van de motor een zelfcontrole uit. U kunt de AT-MODUS (D) enkele seconden niet wijzigen.
Transmissie met dubbele koppeling
Om aan de behoeften van bestuurders in een breed scala van situaties te beantwoorden, is de transmissie uitgerust met twee bedieningsmodi: AT-MODUS (D) (automatisch schakelen voor gewone bediening) en MT-MODUS (M) (voor 6­traps handgeschakelde bediening). De laatste geeft hetzelfde schakelgevoel als een handgeschakelde transmissie.
u Gebruik altijd de aanbevolen banden en
tandwielen om de correcte werking van de transmissie met dubbele koppeling te verzekeren.
90
N-D-schakelaar
A/M-schakelaar
AT-
MODUS
MT-
MODUS
Page 95
Neutraal (N): De neutraalstand wordt automa-
tisch geselecteerd wanneer u de contactschake­laar in de stand (On) zet.
Als de neutraalstand niet wordt geselecteerd wanneer u de contactschakelaar in de stand (On) zet.
Zet de contactschakelaar in de stand (Off)
u
en weer in de stand (On). Als de neutraalstand nog steeds niet wordt
u
geselecteerd wanneer u de contactschakelaar in de stand (Off) en weer in de stand (On) zet. (BLZ.150
)
U hoort mogelijk (klik)geluiden wanneer de transmissie naar de neutraalstand (N) schakelt. Dit is normaal.
Wanneer u kunt schakelen tussen N en D
u Voertuig is gestopt en motor draait stationair. u Gashendel is volledig gesloten. Schakelen van
neutraalstand naar D-modus is niet mogelijk terwijl de gashendel is opengedraaid. U kunt niet schakelen tussen de N- en D-
u
modus terwijl de wielen draaien. Zijstandaard is ingeklapt.
u
LET OP
Om schade aan de koppeling te voorkomen, mag de gashendel niet worden gebruikt om het voertuig in stilstand te houden op een helling.
Bedieningshandleiding
Vervolg
91
Page 96
Schakelen (Vervolg)
AT-MODUS: In deze modus worden de versnellingen automatisch geschakeld in overeenstemming met de rijomstandigheden.
Bedieningshandleiding
U kunt ook tijdelijk op- of terugschakelen met behulp van de opschakelschakelaar (+) of de terugschakelschakelaar (−). Deze schakelaars zijn nuttig als u kort wilt terugschakelen voor een bocht, enz. (BLZ.94) U kunt het D-niveau wijzigen wanneer u meer vermogen nodig hebt in de AT-MODUS, zoals bij het inhalen, heuvels oprijden of optrekken. Er kan een hoger motortoerental worden gebruikt door het niveau te verhogen. D-niveau kan alleen worden gewijzigd als de rijmodus USER is geselecteerd.
Rijmodus:
92
(BLZ.79)
MT-MODUS: MT-MODUS (6-traps handschakelbediening) In deze modus kunt u kiezen tussen 6 versnellingen.
Page 97
Schakelen tussen neutraal en AT­MODUS/MT-MODUS Schakelen van neutraal (N) naar AT­MODUS
Druk op de D-zijde van de N-D-schakelaar (a). De weergegeven parameter verandert in D (b), op de versnellingsstandindicator wordt "1" weergegeven en de eerste versnelling wordt geselecteerd.
Schakelen van AT- of MT-MODUS naar neutraal
Druk op de N-zijde van de N-D-schakelaar (c).
Schakelen tussen AT-MODUS en MT­MODUS
Druk op de A/M-schakelaar (d). De D-indicator (AT-MODUS) gaat uit als de MT­MODUS is geselecteerd (e).
A/M­schake­laar
b
N-D-schakelaar
Bedieningshandleiding
c
d
a
e
Vervolg
93
Page 98
Schakelen (Vervolg)
Rijden in MT-MODUS
Op- en terugschakelen met de opschakelknop (+) en terugschakelknop (−).
Bedieningshandleiding
De geselecteerde versnelling wordt getoond op de schakelstandindicator.
u Als de MT-MODUS is geselecteerd, wordt de
transmissie niet automatisch opgeschakeld. Laat het motortoerental niet in de rode zone komen.
u De transmissie wordt automatisch terugge-
schakeld wanneer u vertraagt, zelfs in de MT­MODUS.
u U start vanaf de 1e versnelling, zelfs als de MT-
MODUS is geselecteerd.
94
Schakelbediening
Opschakelen: Druk op de opschakelschakelaar (+) (f). Terugschakelen: Druk op de terugschakelschakelaar (−) (g). U kunt niet blijven schakelen door de schakelschakelaar ingedrukt te houden. Om verder te schakelen moet u de schakelaar loslaten en opnieuw indrukken.
f
g
Schakellimiet
U kunt niet terugschakelen als het motortoerental daardoor de limiet overschrijdt.
Page 99
Noodstopsignaal
Het noodstopsignaal wordt ingeschakeld wanneer het systeem detecteert dat u hard remt bij een snelheid van ongeveer 50 km/h of hoger om achteropkomende bestuurders via snel knipperende richtingaanwijzers te waarschuwen dat plots geremd wordt. Hiermee kunnen achteropkomende bestuurders gewaarschuwd worden en de juiste
Inschakeling van het systeem:
Hard remmen
Beide indicators van de richtingaanwijzers knipperen
maatregelen treffen om een mogelijke botsing met uw voertuig te voorkomen. Het noodstopsignaal stopt met werken als:
● U de remmen loslaat.
● Het ABS wordt uitgeschakeld.
● Het afremmen van uw voertuig wordt
gematigd.
● U op de schakelaar voor de
alarmknipperlichten drukt.
Remlicht gaat branden
Beide richtingaanwijzers knipperen
Bedieningshandleiding
Vervolg
95
Page 100
Noodstopsignaal (Vervolg)
u Het noodstopsignaal is geen systeem dat een
mogelijke botsing van achteren door te hard
Bedieningshandleiding
remmen voorkomt. Het is altijd raadzaam om hard remmen te voorkomen, tenzij dit absoluut noodzakelijk is.
u Het noodstopsignaal werkt niet wanneer de
schakelaar voor de alarmknipperlichten is ingedrukt.
u Als het ABS een tijdje niet meer werkt tijdens
het remmen, wordt het noodstopsignaal mogelijk helemaal niet geactiveerd.
96
Loading...