Onze medewerkers feliciteren u met uw nieuwe caravan. U heeft een hoogwaardig voertuig aangeschaft,
waarvan u veel plezier zult hebben.
Gelijk bij de overname krijgt u van de Bürstner-dealer een gedetailleerde instructie voor alle belangrijke functies, zodat u uw caravan altijd correct en vooral eenvoudig kunt bedienen en gebruiken.
Als permanente begeleider voor het beantwoorden van vragen over uw caravan staan u dit handboek en de
gebruiksaanwijzingen van de fabrikanten van de apparatuur ter beschikking.
Voor het begin van de eerste rit
Gebruik dit handboek niet alleen als naslagwerk, maar maak u er grondig mee vertrouwd.
Vul de garantiekaarten voor de inbouwapparatuur en de speciale uitvoeringen in de afzonderlijke gebruiksaan-
wijzingen in en stuur de garantiekaarten op naar de fabrikanten van de apparatuur. Daarmee verzekert u zich
van uw recht op garantie voor alle apparatuur.
Voor ingebruikname deze gebruiksaanwijzing volledig
1Inleiding
lezen!
De gebruiksaanwijzing altijd in het voertuig meenemen. Alle veiligheidsbepalingen ook meegeven aan andere gebruikers.
X Het niet inachtnemen van dit teken kan personen in gevaar brengen.
Z Het niet inachtnemen van dit teken kan leiden tot beschadigingen aan het
voertuig.
Z Dit teken verwijst naar aanbevelingen of bijzonderheden.
Z Dit teken verwijst naar milieubewust handelen.
Deze gebruiksaanwijzing bevat secties, waarin uitrustingen van een
bepaald model of speciale uitvoeringen zijn beschreven. Deze secties
zijn extra gekenmerkt. Het is mogelijk dat uw voertuig niet is uitgerust
met deze speciale uitvoeringen. De uitrusting van uw voertuig kan
daarom bij sommige afbeeldingen en beschrijvingen afwijken.
Anderzijds kan uw voertuig zijn uitgerust met andere speciale uitvoeringen,
die niet worden beschreven in deze gebruiksaanwijzing.
De speciale uitvoeringen zijn alleen dan beschreven als hierbij een nadere
uitleg nodig is.
De apart bijgevoegde gebruiksaanwijzingen in acht nemen.
Z De aanwijzingen "rechts", "links", "voor", "achter" zijn gerelateerd aan de
rijrichting.
Z Alle maten en gewichten zijn "circa"-gegevens.
Loopt het voertuig schade op door het niet inachtnemen van de in deze
gebruiksaanwijzing aangegeven instructies, dan komt uw recht op garantie te
vervallen.
Onze voertuigen worden voortdurend verder ontwikkeld. Wij vragen om uw
begrip dat wijzigingen in vorm, uitrusting en techniek zijn voorbehouden. Uit
de inhoud van deze gebruiksaanwijzing kunnen om deze redenen geen claims
door de fabrikant worden aanvaard. Beschreven zijn de uitrustingen die tot op
het moment van in druk gegeven bekend zijn.
Overname, vertaling en verveelvoudiging, ook van uittreksels, is zonder schriftelijke toestemming van de fabrikant niet toegestaan.
Z Bij het voertuig wordt geen wielsleutel en geen wagenkrik geleverd. Alvo-
rens te gaan rijden voor noodgevallen een in de handel verkrijgbare wielsleutel bezorgen. Als er geen AL-KO-wagenkrik (speciale uitvoering voor
AL-KO-chassis) voorhanden is, alvorens te gaan rijden voor noodgevallen
een in de handel verkrijgbare schaarkrik of hydraulische wagenkrik
bezorgen. Onze geautoriseerde dealers en servicepunten adviseren u
graag.
Het voertuig is gebouwd volgens de stand der techniek en de erkende veiligheidstechnische regels. Desondanks kunnen personen letsel oplopen of het
voertuig beschadigd worden, als de veiligheidsinstructies in deze gebruiksaanwijzing niet in acht genomen worden.
Het voertuig alleen in technisch onberispelijke staat gebruiken. De gebruiksaanwijzing in acht nemen.
Storingen, die de veiligheid van personen of van het voertuig aantasten,
meteen door vaklieden laten verhelpen.
De reminstallatie en gasinstallatie van het voertuig alleen door een geautoriseerde werkplaats laten controleren en repareren.
Veranderingen aan de opbouw mogen alleen worden aangebracht met toestemming van de fabrikant.
Reisbagage en toebehoren mogen niet zwaarder zijn dan de technisch toegelaten totale massa.
Houdt u zich aan de door de fabrikant voorgeschreven termijnen voor keuring
en inspectie.
1.2Milieu-instructies
Z Verstoor de rust in de natuur niet en houd de natuur schoon.
Z In principe geldt: Afvalwater in iedere vorm en huisvuil horen niet thuis in
de straatgoot of in de vrije natuur.
Z Afvalwater aan boord alleen opvangen in de afvalwatertank of desnoods in
andere daarvoor geschikte reservoirs.
Z Afvalwatertank en toilet-cassette of fecaliëntank alleen leegmaken op
daarvoor aangewezen sanitairstations op campings of staanplaatsen. Bij
verblijf in steden en gemeentes de regelgeving bij de staanplaatsen in acht
nemen of naar sanitairstations vragen.
Z Maak de afvalwatertank zo vaak mogelijk leeg, ook wanneer deze nog niet
helemaal vol zit (hygiëne).
Afvalwatertank en evt. aftapleiding zo mogelijk na het leegmaken met vers
water uitspoelen.
Z Toilet-cassette of fecaliëntank niet te vol laten raken. De toilet-cassette of
de fecaliëntank onmiddellijk leegmaken wanneer de niveauaanduiding
oplicht of eerder.
Z Huisvuil ook op reis sorteren in glas, blik, plastic en groen afval. Bij de
betreffende gastgemeente vragen naar de afvalverwerkingsmogelijkheden. Huisvuil mag niet worden gedeponeerd in de vuilnisbakken op parkeerplaatsen.
Z De afvalbakken zo vaak mogelijk in de tonnen of containers leegmaken,
die daarvoor zijn bedoeld. Zo kunnen onaangename luchtjes worden vermeden en blijft er niet te veel afval aan boord.
Z Motor van het trekvoertuig bij stilstand niet onnodig laten draaien. Een
koude motor stoot in stationaire gang zeer veel schadelijke stoffen uit. De
bedrijfstemperatuur van de motor wordt het snelst bereikt door te rijden.
Z Voor het toilet milieuvriendelijke en biologisch goed afbreekbare chemi-
In dit hoofdstuk staan belangrijke veiligheidsinstructies. De veiligheidsinstructies dienen ter bescherming van personen en voorwerpen.
De instructies hebben betrekking op:
z de brandveiligheid en het handelen bij brand
z de omgang met het voertuig in het algemeen
z de verkeersveiligheid van het voertuig
z het gebruik van een aanhanger
z de gasinstallatie van het voertuig
z de elektrische installatie van het voertuig
z de waterinstallatie van het voertuig
2.1Brandveiligheid
2.1.1Voorkomen van brand
X Kinderen nooit alleen in het voertuig laten.
X Brandbare materialen weg houden van verwarmings- en kookappa-
raten.
X Lampen kunnen zeer heet worden. Als de lamp is ingeschakeld, moet
de veiligheidsafstand tot brandbare voorwerpen altijd 30 cm bedragen.
Brandgevaar!
X Nooit draagbare verwarmings- of kookapparaten gebruiken.
X Alleen geautoriseerde vaklieden mogen de elektrische installatie, de
gasinstallatie of de inbouwapparatuur wijzigen.
2Veiligheid
2.1.2Brandbestrijding
X In het voertuig altijd een poederbrandblusser meenemen. De brand-
blusser moet toegelaten en gekeurd zijn en altijd voor het grijpen liggen.
X De brandblusser is niet bij de levering inbegrepen.
X De brandblusser regelmatig door geautoriseerde vaklieden laten contro-
leren. Keuringsdatum in acht nemen.
X In de buurt van de kookplaat altijd een blusdeken klaar houden.
2.1.3Bij brand
X Alle inzittenden evacueren.
X Elektrische voorziening uitschakelen en van het electriciteitsnet iso-
leren.
X Hoofdafsluitkraan op de gasfles sluiten.
X Alarm slaan en brandweer roepen.
X Brand bestrijden, indien dit zonder risico mogelijk is.
Z Van de plaats en de bediening van de nooduitgangen op de hoogte stellen.
Z Vluchtwegen vrijhouden.
Z Gebruiksaanwijzing van de brandblusser in acht nemen.
Als nooduitgangen gelden alle ramen en deuren, die voldoen aan de volgende
criteria:
z Naar buiten openend of verschuivend in horizontale richting
z Openingshoek ten minste 70°
z Diameter van de kozijndagmaat ten minste 450 mm
z Afstand tot de voertuigbodem maximaal 950 mm
2.2Algemeen
X De zuurstof binnen in het voertuig wordt door ademen of door het
gebruik van op gas werkende inbouwapparaten verbruikt. Daarom moet
de zuurstof voortdurend worden ververst. Met het oog hierop zijn in het
voertuig kunstmatige ventilatieopeningen (bijv. dakluiken met kunstmatige ventilatie, paddestoeldakventilators of vloerventilators) ingebouwd.
Kunstmatige ventilatieopeningen noch van binnen noch van buiten
afdekken, bijv. met een wintermat, of dichtzetten. Kunstmatige ventilatieopeningen vrijhouden van sneeuw en bladeren. Er dreigt verstikkingsgevaar door een verhoogd CO
X Let op de doorgangshoogte van de deuren.
-gehalte.
2
Z Voor de inbouwapparatuur (verwarming, kookplaat, koelkast enz.) zijn de
betreffende gebruiksaanwijzingen van de fabrikanten van de apparatuur
maatgevend. Absoluut in acht nemen.
Z Als er toebehoren of speciale uitvoeringen worden aangebouwd, kunnen
de afmetingen, het gewicht alsmede het rijgedrag van het voertuig veranderen. De aanbouwonderdelen moeten deels in de voertuigpapieren
worden geregistreerd.
Z Alleen velgen en banden gebruiken, die voor het voertuig zijn toegelaten.
Informatie over de grootte van de toegelaten velgen en banden ontlenen
aan de voertuigpapieren of bij de geautoriseerde dealers en servicepunten
opvragen.
Z Bij het parkeren van het voertuig de handrem vast aantrekken.
Z Bij het verlaten van het voertuig absoluut alle deuren, serviceluiken en
ramen sluiten.
Z Met het voertuig pas op de openbare weg rijden, als de chauffeur een voor
deze voertuigklasse geldig rijbewijs bezit.
Z Bij de verkoop van het voertuig alle gebruiksaanwijzingen van het voertuig
en de inbouwapparatuur meegeven aan de nieuwe eigenaar.
2.3Verkeersveiligheid
X Voor het begin van de rit de werking van signalerings- en verlichtingsin-
richting en de remmen controleren.
X Na langere stilstand (ca. 10 maanden) reminstallatie en gasinstallatie
door een geautoriseerde werkplaats laten controleren.
X Voor het begin van de rit de televisie van de drager verwijderen en veilig
opbergen.
X Voor het begin van de rit het flatscreen en de beeldschermhouder in de
basispositie brengen en vergrendelen. Wanneer de beeldschermhouder
in een TV-kast is ingebouwd: TV-kast sluiten.
X Tijdens de rit mogen er zich geen personen in de caravan bevinden.
X Bij onderdoorgangen, tunnels e.d. rekening houden met de totale
2
hoogte van het voertuig (inclusief daklasten).
X In de winter moet voor het begin van de rit het dak sneeuw- en ijsvrij zijn.
X Voor het begin van de rit de afvalwatertank leegmaken.
X Regelmatig voor het begin van de rit of iedere 2 weken de bandenspan-
ning controleren. Een verkeerde bandenspanning veroorzaakt overmatige slijtage en kan de banden beschadigen of zelfs doen klappen. Het
voertuig kan uit controle raken.
Z Voor het begin van de rit de bijlading in het voertuig gelijkmatig verdelen
(zie hoofdstuk 3).
Z Bij het beladen van het voertuig en bij ritonderbrekingen, als er bijv. bagage
of levensmiddelen worden bijgeladen, rekening houden met de technisch
toegelaten totale massa en de toelaatbare asbelastingen (zie voertuigpapieren).
Z De maximaal toelaatbare oplegdruk van de aanhangerkoppeling van het
trekvoertuig niet overschrijden en de minimum belasting in acht nemen. De
caravan overeenkomstig deze richtlijnen beladen.
Z Bij gebruik van de caravan moeten er twee buitenspiegels zijn aangebracht
aan het trekvoertuig.
Z Voor het begin van de rit de kastdeuren, deur van toiletruimte, alle laden
en luiken sluiten. De deurbeveiliging van de koelkast vergrendelen.
Z Voor het begin van de rit ramen en dakluiken sluiten.
Z Voor het begin van de rit alle serviceluiken sluiten en de sloten van de
luiken vergrendelen.
Z Voor het begin van de rit de externe steunen verwijderen en de aan het
voertuig aangebouwde steunen inklappen.
Z Voor het begin van de rit het neuswiel helemaal naar boven draaien.
Z Voor het begin van de rit de antenne in de parkeerstand brengen.
Z Bij de eerste rit en altijd na het vervangen van een wiel de wielschroeven/
wielmoeren na 50 km aandraaien. Later van tijd tot tijd controleren op goed
vastzitten.
Z Banden mogen niet ouder zijn dan 6 jaar omdat het materiaal mettertijd
broos wordt (zie hoofdstuk 13).
2.4Gebruik van een aanhanger
X Bij het aan- of afkoppelen van een aanhanger is voorzichtigheid
geboden. Ongeval- en verwondingsgevaar!
X Tijdens het rangeren voor het aan- of afkoppelen mag niemand zich
X Voor het begin van de rit, bij het verlaten van het voertuig of als de gas-
toestellen niet gebruikt worden, alle gasafsluitkranen en de hoofdafsluitkraan aan de gasfles sluiten.
X Bij het tanken, op veerponten of in de garage, mag geen apparaat (bijv.
verwarming of koelkast) in werking zijn, wanneer het met open vlam
wordt gebruikt. Explosiegevaar!
X Wanneer een apparaat met open vlam wordt gebruikt, het apparaat niet
in gesloten ruimtes (bijv. garages) in gebruik nemen. Vergiftigings- en
verstikkingsgevaar!
X De gasinstallatie alleen door een geautoriseerde werkplaats laten
onderhouden, repareren of wijzigen.
X De gasinstallatie voor de ingebruikname en conform de nationale bepa-
lingen door een geautoriseerde werkplaats laten controleren. Dit geldt
ook voor niet aangemelde voertuigen. Bij wijzigingen aan de gasinstallatie de gasinstallatie meteen door een geautoriseerde werkplaats laten
controleren.
X Ook de gasdrukregelaar en de gasafvoerbuizen moeten worden gecon-
troleerd. De gasdrukregelaar moet na 10 jaar worden vervangen. De
eigenaar van het voertuig is verantwoordelijk voor het initiatief van de
maatregel.
X Bij een defect aan de gasinstallatie (gaslucht, hoog gasverbruik) bestaat
explosiegevaar! Onmiddellijk de hoofdafsluitkraan op de gasfles sluiten.
Ramen en deuren openen en goed ventileren.
X Bij een defect aan de gasinstallatie: Niet roken, geen open vuur en geen
X Voor ingebruikname van de kookplaat voor een toereikende ventilatie
zorgen. Raam of dakluik openen.
X Gaskooktoestel of gasbakoven niet gebruiken voor verwarmingsdoel-
einden.
X Als er meerdere gastoestellen voorhanden zijn, dan is voor ieder appa-
raat een gasafsluitkraan vereist. Wanneer gastoestellen niet worden
gebruikt, moet de betreffende gasafsluitkraan worden gesloten.
X Ontstekingsbeveiligingen moeten na uitgaan van de gasvlam binnen
een minuut sluiten. Daarbij is een klik te horen. Werking zo nu en dan
controleren.
X De ingebouwde gastoestellen zijn uitsluitend ontworpen voor gebruik
met propaangas, butaangas of een mengsel van beide gassen. De gasdrukregelaar alsmede alle ingebouwde gastoestellen zijn ontworpen
voor een bedrijfsdruk van 30 mbar.
X Propaangas is gasvormig tot -42 °C, butaangas daarentegen slechts tot
0 °C. Bij lagere temperaturen is er geen gasdruk meer aanwezig.
Butaangas is niet geschikt voor gebruik in de winter.
X De gasslang op de aansluiting van de gasflessen regelmatig op dicht-
heid controleren. De gasslang mag geen scheurtjes vertonen en niet
poreus zijn. De gasslang uiterlijk 10 jaar na productiedatum in een
erkende werkplaats laten vervangen. De gebruiker van de gasinstallatie
moet voor de vervanging zorgen.
X De gaskast is door zijn functie en constructie een ruimte met opening
2
naar buiten. De standaard ingebouwde kunstmatige ventilatie nooit
afdekken of dichtzetten. Ontsnappend gas kan anders niet naar buiten
worden weggeleid.
X De gaskast niet als opbergruimte gebruiken, omdat er geen vocht kan
binnendringen.
X De gaskast beveiligen tegen de toegang van onbevoegden. Daarvoor
de toegang afsluiten.
X De hoofdafsluitkraan op de gasfles moet toegankelijk zijn.
X Alleen apparaten op gas (bijv. gasgrill) aansluiten die voor een gasdruk
van 30 mbar zijn bedoeld.
X De gasafvoerbuis moet aan de verwarming en aan de schoorsteen goed
afsluiten en stevig vastzitten. De gasafvoerbuis mag niet beschadigd
zijn.
X De rookgassen moeten onbelemmerd naar buiten kunnen stromen en
de verse lucht moet onbelemmerd toe kunnen treden. Daarom de gasafvoerschoorsteen en inlaatopeningen schoon houden en vrijhouden
(bijv. van sneeuw en ijs). De onderrand van het voertuig mag niet met
flappen of door sneeuwwallen worden afgesloten.
2.5.2Gasflessen
X Gasflessen alleen in de gaskast meenemen.
X Gasflessen in de gaskast verticaal plaatsen.
X Gasflessen beveiligd tegen draaien en kantelen vastbinden.
X Als de gasflessen niet op de gasslang zijn aangesloten, altijd de
beschermkap aanbrengen.
X Hoofdafsluitkraan aan de gasfles sluiten voordat de gasdrukregelaar of
de gasslang van de gasfles wordt verwijderd.
X Gasdrukregelaar of gasslang op de gasfles alleen met de hand aan-
sluiten. Geen gereedschap gebruiken.
X Voor het gebruik in voertuigen uitsluitend een speciale gasdrukregelaar
met veiligheidsventiel gebruiken. Andere gasdrukregelaars zijn niet toegelaten en voldoen niet aan de hoge eisen.
X Bij temperaturen onder 5 °C ijsbestrijdingsinstallatie (Eis-Ex) voor gas-
drukregelaar gebruiken.
X Alleen gasflessen van 11 kg of 5 kg gebruiken. Campinggasflessen met
ingebouwd terugslagventiel (blauwe flessen met een inhoud van max.
2,5 resp. 3 kg) mogen in uitzonderingsgevallen met een veiligheidsventiel worden gebruikt.
X Voor buitengasflessen zo kort mogelijke slangen gebruiken (max.
150 cm).
X Blokkeer nooit de ventilatieopeningen in de vloer onder de gasflessen.
X Alleen vaklieden aan de elektrische installatie laten werken.
X Voordat er werkzaamheden worden uitgevoerd aan de elektrische
installatie, alle apparaten en lichten uitschakelen, de accu afklemmen en
het voertuig van het net scheiden.
X Alleen originele zekeringen met juiste waarden gebruiken.
X Defecte zekeringen alleen vervangen, als de foutoorzaak bekend en
verholpen is.
X Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
2.7Waterinstallatie
X Staand water in de watertank of in waterleidingen wordt na korte tijd ond-
rinkbaar. Daarom voor ieder gebruik van het voertuig de waterleidingen
en de watertank grondig reinigen. Na ieder gebruik van het voertuig de
watertank en alle waterleidingen volledig leegmaken.
X Bij stilstand van meer dan één week de waterinstallatie vóór het gebruik
van het voertuig ontsmetten.
Z Als het voertuig gedurende meerdere dagen niet wordt gebruikt of bij vorst-
gevaar niet wordt verwarmd, de totale waterinstallatie leegmaken. Zorg
ervoor dat de 12-V-voorziening op het paneel is uitgeschakeld. De waterpomp loopt anders warm en kan beschadigd worden. De waterkranen in de
middelste stand geopend laten. Het veiligheids-/aftapventiel (indien aanwezig) en alle aftapkranen geopend laten. Zo kunnen vorstschade aan de
inbouwapparatuur, vorstschade aan het voertuig en afzettingen in watervoerende componenten worden vermeden.
In dit hoofdstuk staat belangrijke informatie over wat u voor het begin van de
rit in acht moet nemen en welke handelingen u voor de rit moet uitvoeren.
De instructies hebben betrekking op:
z de sleutels
z het kentekenbewijs
z het aankoppelen aan en afkoppelen van het trekvoertuig
z de aanhangerkoppeling
z het aanhangerregelsysteem
z het rangeersysteem
z de bijlading en de berekening hiervan
z de juiste belading van de caravan
z de buitenspiegels
z het opbergen van de televisie
Aan het einde van het hoofdstuk vindt u een checklist, waarin de belangrijkste
punten nog eens zijn samengevat.
3.1Sleutels
3Voor het rijden
Afb. 1Sleutels
Bij de caravan ontvangt u twee sleutels (Afb. 1).
De sleutels passen op:
z de ingangsdeur
z de serviceluiken
z het toiletluik
z het gaskastluik
Altijd een reservesleutel bewaren buiten het voertuig. Het betreffende sleutelnummer noteren. Bij verlies kunnen onze geautoriseerde dealers en werkplaatsen u verder helpen.
3.2Kentekenbewijs
Uw caravan moet voorzien zijn van een kentekenbewijs. De nationale bepalingen met betrekking tot het kentekenbewijs in acht nemen.
Houd er rekening mee, dat in sommige landen naast het EU-nummerbord een
aparte landensticker verplicht is.
X Bij het aan- of afkoppelen van een aanhanger is voorzichtigheid
geboden. Ongeval- en verwondingsgevaar!
X Tijdens het rangeren voor het aan- of afkoppelen mag niemand zich
tussen het trekvoertuig en de aanhanger bevinden.
X Rekening houden met de toelaatbare oplegdruk en achterasbelasting
van het trekvoertuig. Oplegdruk en achterasbelasting mogen niet
worden overschreden. Voor de waarden van de steun- en achterasbelasting zie het kentekenbewijs van het voertuig en de papieren van de
aanhangerkoppeling.
X Let erop, dat het inwendige van de koppeling niet is vervuild en dat de
beweegbare delen van de koppeling (niet de kogelopname) zijn
gesmeerd.
X Bij gebruik van een veiligheidskoppeling de kogel niet smeren. De fric-
tievoeringen worden tegen de kogel aan gedrukt en genereren daardoor
een slingerdempingsmoment. Deze slingerdemping is alleen dan gegarandeerd, als de kogel van het trekvoertuig wordt ontdaan van vet en
andere achterblijfselen. Let er bij het insmeren van de veiligheidskoppeling op, dat er geen olie of vet op de frictievoeringen belandt.
Z Caravan met oplooprem: Caravan niet met opgelopen rem aan- of afkop-
pelen.
Z Aanhangerkoppeling met afneembare trekhaak: Als de trekhaak verkeerd
gemonteerd is, kan de aanhanger losbreken. Gebruiksaanwijzing van de
aanhangerkoppeling in acht nemen.
Z Niet op de disselafdekking gaan staan. Gevaar voor breuk!
Z Om het voertuig aan te koppelen het neuswiel omlaag draaien en op de
grond laten rusten.
Z De stabiliseringshendel van de veiligheidskoppeling mag niet worden
gebruikt als rangeerhulp.
Z Controleren of de aansluitstekker van de caravan in de contactdoos van
het trekvoertuig past. Als aansluitstekker en contactdoos verschillen, bij de
geautoriseerde dealers en werkplaatsen naar aansluitmogelijkheden informeren.
Z Verdere informatie over de veiligheidskoppeling ontlenen aan de aparte
gebruiksaanwijzing van de fabrikant.
Aankoppelen: De caravan aankoppelen (zie sectie 3.4). De koppelingsmond en de kogel
moeten in elkaar grijpen en mogen niet los op elkaar liggen. De koppelingsmond moet de kogel volledig omsluiten.
De kabel van de afbreekrem met een lus om de kogelkop van de trekhaak
van het trekvoertuig hangen. Daarbij op de lengte van de kabel letten: De
kabel mag niet over de grond slepen of in bochten de remfunctie activeren.
Het neuswiel helemaal naar boven draaien. Daarna het neuswiel
optrekken en in de rijrichting zetten.
De aansluitstekker van de caravan in de contactdoos van het trekvoertuig
steken. Erop letten, dat de neuzen van het beschermingsdeksel aan de
stekker ingrijpen. De neuzen verhinderen, dat de stekker tijdens de rit losraakt.
en de koppelingsgreep loslaten. De greep glijdt vanzelf terug in de uitgangspositie (Afb. 5,3).
beneden duwen. Het sluiten en vergrendelen gebeurt automatisch.
Page 21
Voor het rijden
Zichtcontrole uitvoeren: In aangekoppelde toestand mag de aanhanger-
kogel niet zichtbaar zijn.
De stabilisatie-inrichting activeren. Hiervoor de koppelingsgreep uit de
gesloten stand (Afb. 5,3) tot de aanslag naar beneden drukken (Afb. 5,4).
Om de stabilisatie-inrichting uit te schakelen, bijv. bij het rangeren, de koppelingsgreep (Afb. 5,1) langzaam omhoog trekken tot de gesloten stand
(Afb. 5,3) bereikt is.
X De permanent plus op de aansluitcontactdoos op het trekvoertuig moet
met 15 A of 20 A zijn beveiligd. Brandgevaar!
X Het aanhangerregelsysteem kan alleen binnen de fysiek bepaalde
grenzen correct werken. De constructief bepaalde maximumsnelheid
van 100 km/u niet overschrijden resp. de rijsnelheid altijd aan de weer-,
weg- en verkeersomstandigheden aanpassen.
3
Z Neem ook de gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht.
1 Controle-LED
Afb. 6Controle-LED
Aanhanger aankoppelen.
De aanhanger middels de aansluitkabel aan het trekvoertuig koppelen. Het
aanhangerregelsysteem start een zelftest. De controle-LED (Afb. 6,1) op
de aanhanger licht ca. 3 seconden rood op.
Controleren of de controle-LED na de zelftest groen brandt. Het aanhan-
X De permanent plus op de aansluitcontactdoos op het trekvoertuig moet
met 14 A of 15 A zijn beveiligd. Brandgevaar!
X Wanneer de IDC een zelftest uitvoert, wordt de remstang van de aan-
hanger bediend. Tijdens de zelftest niet in het werkingsbereik van de
remstang grijpen. Beknellingsgevaar!
X Het aanhangerregelsysteem kan alleen binnen de fysiek bepaalde
grenzen correct werken. De constructief bepaalde maximumsnelheid
van 100 km/u niet overschrijden resp. de rijsnelheid altijd aan de weer-,
weg- en verkeersomstandigheden aanpassen.
Z Neem ook de gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht.
Bij de IDC gaat het om een extra remsysteem. Wanneer het systeem een
gevaarlijke situatie herkent (bijv. slingerbeweging van de aanhanger), remt het
systeem de aanhanger automatisch af. Daardoor wordt de bestuurder echter
niet van zijn verantwoordelijkheid ontheven.
Aanhanger aankoppelen.
De aanhanger middels de aansluitkabel aan het trekvoertuig koppelen. Het
aanhangerregelsysteem start een zelftest. De controle-LED op de aanhanger knippert groen.
Controleren of de controle-LED na de zelftest groen brandt. Het aanhan-
gerregelsysteem is nu actief.
3.6Afkoppelen
X Bij het aan- of afkoppelen van een aanhanger is voorzichtigheid
geboden. Ongeval- en verwondingsgevaar!
X Let voor het aankoppelen bovendien op de veiligheidsinstructies in de
gebruiksaanwijzing.
Z Niet op de disselafdekking gaan staan. Gevaar voor breuk!
Afkoppelen: Handrem van de caravan aantrekken.
De wielkeggen tegen beide wielen aan leggen.
De aansluitstekker van de caravan uit de contactdoos van het trekvoertuig
trekken en in de houder van de dissel steken.
De kabel van de afbreekrem van het trekvoertuig verwijderen.
Het neuswiel naar beneden draaien, tot het stevig op de grond staat. Ver-
volgens de aanhangerkoppeling losmaken.
Met behulp van het neuswiel de dissel zover optillen, tot het trekvoertuig
zonder gevaar kan worden weggereden.
3.7Rangeersysteem
X Tijdens het rangeren mogen zich geen personen in de caravan
bevinden.
X Tijdens het rangeren mogen zich geen personen (met name kinderen)
in het rangeerbereik bevinden.
X Bij functiestoringen handrem aantrekken.
X Het rangeersysteem niet als handrem gebruiken.
X De afstandsbediening ontoegankelijk voor kinderen bewaren.
X Voor het begin van de rit de aandrijfrollen altijd van de banden weg-
draaien. Wanneer de aandrijfrollen tijdens de rit tegen de banden zijn
gedraaid, kunnen de banden klappen.
Z Voor het rangeren de banden en aandrijfrollen controleren en zo nodig
3
scherpe stenen en dergelijke verwijderen.
Z Bij het rangeren tegen stijgende hellingen de dissel altijd naar het dal
richten. Zo wordt voorkomen dat het voertuig naar achteren afglijdt.
Z Gevoelige apparaten zoals camera's of DVD-spelers niet in de onmiddel-
lijke buurt van de besturing of de kabel bewaren. Het rangeersysteem
genereert in bedrijf elektromagnetische velden, die zulke apparaten
beschadigen kunnen.
Z Bij het rangeren mag de afstand tussen de afstandsbediening en het
midden van het voertuig maximaal 10 meter bedragen.
Z Na het uitschakelen van het rangeersysteem via de afstandsbediening blijft
de besturing in de stand-by-modus. Om het rangeersysteem volledig uit te
schakelen, moet het van de stroomtoevoer worden losgekoppeld.
Z Na het rangeren de 13-polige stekker uit de veiligheidscontactdoos
trekken. De woonruimteaccu wordt anders te snel ontladen.
Z Wanneer beide remlichten defect zijn, is het stroomcircuit van de veilig-
heidscontactdoos niet gesloten. Het rangeersysteem werkt dan niet.
Met het rangeersysteem (Mover) kan het voertuig zonder extra hulpmiddelen
worden verplaatst.
Afstandsbediening
Z Wanneer bij ingeschakelde afstandsbediening ca. 2 minuten lang geen
toets wordt ingedrukt of ca. 7 minuten lang continu een toets ingedrukt
blijft, wordt de afstandsbediening uitgeschakeld.
Om de afstandsbediening opnieuw te activeren, de schuifschakelaar op
"UIT" (0) zetten, ca. 2 seconden wachten en de schuifschakelaar weer op
"AAN" (I) zetten.
Afb. 7Pijltjestoetsen
Het voertuig wordt met de pijltjestoetsen op de afstandsbediening (Afb. 7)
bestuurd. In de volgende tabel wordt de functie van de afzonderlijke pijltjestoetsen beschreven:
13-polige stekker in de veiligheidscontactdoos van het rangeersysteem
steken.
Schuifschakelaar (Afb. 8,3) op de afstandsbediening (Afb. 8,1) op "AAN"
(I) zetten. Als de groen LED (Afb. 8,2) brandt, is het rangeersysteem
bedrijfsklaar.
Aan beide zijden de aandrijfrollen tegen de banden draaien. Daarvoor de
toetsen "aandraaien" (Afb. 8,4 en 7) indrukken.
Handrem loszetten en wielkeggen verwijderen.
Het voertuig met de pijltjestoetsen (Afb. 8,8) in de gewenste positie
bewegen.
Handrem weer aantrekken (zie sectie 5.1).
Aan beide zijden de aandrijfrollen van de banden wegdraaien. Daarvoor de
toetsen "wegdraaien" (Afb. 8,5 en 6) indrukken.
Schuifschakelaar (Afb. 8,3) op de afstandsbediening op "UIT" (0) zetten.
Linkerwiel draait vooruit en rechterwiel draait achteruit
Linkerwiel draait achteruit en
rechterwiel draait vooruit
Z Verdere informatie ontlenen aan de aparte gebruiksaanwijzing van de
fabrikant.
3.8Bijlading
X Het overladen van het voertuig en een verkeerde bandenspanning
kunnen het klappen van de banden tot gevolg hebben. Het voertuig kan
uit controle raken.
X In de voertuigpapieren is alleen de technisch toegelaten totale massa en
de massa in rijklare toestand aangegeven, maar niet het daadwerkelijke
gewicht van het voertuig. Voor uw eigen veiligheid raden wij aan het
beladen voertuig (met alle voorwerpen die op reis in het voertuig mee
getransporteerd worden) voor het begin van de rit op een weegbrug te
wegen.
Z De in de voertuigpapieren opgegeven technisch toegelaten totale massa
3
door de bijlading niet overschrijden.
Z Ingebouwd toebehoren en speciale uitvoeringen reduceren de belading.
Z De in de voertuigpapieren opgegeven asbelastingen aanhouden.
De caravan zo beladen, dat de trekdissel op de koppelingskop niet via de toegestane oplegdruk naar beneden wordt gedrukt. De zware voorwerpen
moeten dicht bij de as liggen en een gewichtscentrum opbouwen in het
midden van de wagen.
Bij het beladen van de caravan letten op:
z het maximaal toelaatbare aanhangwagengewicht
z de maximaal toelaatbare oplegdruk (bijv. 50 kg)
z de minimum oplegdruk conform de nationale bepalingen
Deze gegevens zijn vermeld in de gebruiksaanwijzing van het trekvoertuig.
NaamBelasting (kg)
Daklast200
Stapelbedden100
FietsenrekVoor 2 fiet-
sen
35
3.8.1Begrippen
Z In de techniek is het begrip "massa" tegenwoordig in de plaats van het
begrip "gewicht" gekomen. In het algemene taalgebruik is "gewicht" echter
nog het gangbare begrip. Voor een beter begrip wordt daarom in de volgende secties het begrip "massa" alleen in vaststaande formuleringen
gebruikt.
Z Alle gegevens conform EU-norm DIN EN 1645-2.
Technisch toegelaten
totale massa in beladen
toestand
Toegestane massaDe toegestane massa is het gewicht dat door de fabrikant voor het verlenen
De technisch toegelaten totale massa in beladen toestand is het gewicht dat
een voertuig nooit mag overschrijden.
De technisch toegelaten totale masse in beladen toestand bestaat uit de
massa in rijklare toestand en de bijlading.
De technisch toegelaten totale massa in de beladen toestand is door de fabrikant in de voertuigpapieren aangegeven.
van de bedrijfsvergunning opgegeven wordt. De toegestane massa mag de
technisch toegestane totale massa in beladen toestand nooit overschrijden.
Massa in rijklare toestandDe massa in rijklare toestand is het gewicht van het rijklare standaardvoertuig.
De massa in rijklare toestand bestaat uit:
z Leeg gewicht (massa van het lege voertuig) met de in de fabriek inge-
bouwde standaarduitrusting
z Gewicht van de basisuitrusting
De basisuitrusting bestaat uit alle uitrustingen en vloeistoffen die voor een
veilig en reglementair gebruik van het voertuig noodzakelijk zijn. Het gewicht
van de basisuitrusting bevat:
z Een voor 100 % gevuld watersysteem (watertank en leidingen)
z Voor 100 % gevulde gasflessen
z Een gevuld verwarmingssysteem
z Een gevuld toiletspoelsysteem
z De voedingskabels voor de 230-V-voorziening
z Het inbouwpakket voor een extra accu, als een extra accu mogelijk is
De afvalwatertank en de fecaliëntank zijn leeg.
Voorbeeld voor de
berekening van de
basisuitrusting
Watertank met 40 l40 kg
Gasflessen (2 x 11 kg
Boiler met 10 l+ 10 kg
230-V-voedingskabel+ 4 kg
Inbouwpakket extra accu+ 20 kg
Totaal= 124 kg
+ 2 x 14 kg
gas
)+ 50 kg
fles
De massa in rijklare toestand is door de fabrikant in de voertuigpapieren aangegeven.
BijladingDe bijlading bestaat uit:
z Bijkomende uitrusting
z Persoonlijke uitrusting
Verklaringen bij de afzonderlijke bestanddelen van de bijlading vindt u in de
volgende tekst.
Z De bijlading van het voertuig kan verhoogd worden door de massa in rij-
klare toestand te verminderen. Hiervoor is het bijvoorbeeld toegestaan om
de vloeistofreservoirste legen of de gasflessen te verwijderen.
Bijkomende uitrustingTot de bijkomende uitrusting behoren toebehoren en speciale uitvoeringen.
Voorbeelden voor bijkomende uitrusting zijn:
z Reservewiel
z Fietsenrek
z Satellietinstallatie
z Magnetron
z Warmwatervoorziening
De gewichten van de verschillende speciale uitvoeringen zijn in hoofdstuk 15
aangegeven of kunnen bij de fabrikant worden opgevraagd.
Persoonlijke uitrustingDe persoonlijke uitrusting omvat alle in het voertuig meegenomen voor-
werpen, die niet bij de bijkomende uitrusting zijn inbegrepen. Bij de persoonlijke uitrusting worden bijvoorbeeld gerekend:
z Levensmiddelen
z Servies
z Televisie
z Radio
z Kleding
z Beddengoed
z Speelgoed
z Boeken
z Toiletartikelen
Bovendien worden tot de persoonlijke uitrusting gerekend, onafhankelijk van
de opbergplek:
z Fietsen
z Boten
z Surfplanken
z Sportuitrustingen
Voor de persoonlijke uitrusting moet de fabrikant conform de geldende bepalingen met tenminste een gewicht rekening houden dat volgens de volgende
formule wordt berekend:
FormuleMinimumgewicht M (kg) = 10 x N + 10 x L + 30
VerklaringN = max. aantal bedden, zoals door de fabrikant opgegeven
L = totale lengte van de caravan in meter, dissel niet meegerekend
VoorbeeldCaravan met 4 bedden en met een lengte van 5 m:
Minimumgewicht M (kg) = 10 x 4
3.8.2Berekening van de bijlading
bedden
+ 10 x 5
+ 30 = 120 kg
meter
3
Voorbeeld voor het
bepalen van de
bijlading
X De berekening van de bijlading in de fabriek is gedeeltelijk gebaseerd op
gemiddelde gewichten. De technisch toegelaten totale massa in de
beladen toestand mag uit veiligheidsoverwegingen echter in geen geval
worden overschreden.
X In de voertuigpapieren is alleen de technisch toegelaten totale massa en
de massa in rijklare toestand aangegeven, maar niet het daadwerkelijke
gewicht van het voertuig. Voor uw eigen veiligheid raden wij aan het
beladen voertuig (met alle voorwerpen die op reis in het voertuig mee
getransporteerd worden) voor het begin van de rit op een weegbrug te
wegen.
De bijlading (zie sectie 3.8.1) is het verschil in gewicht tussen
z De technisch toegelaten totale massa in beladen toestand en
z De massa van het voertuig in rijklare toestand.
Te berekenen mas-
sa in kg
Technisch toegelaten totale massa volgens de voertuigpapieren
Massa in rijklare toestand inclusief basisuitrusting volgens de voertuigpapieren
Levert als toegelaten bijlading op300
Bijkomende uitrusting- 40
Blijft over voor de persoonlijke uitrusting
1500
- 1200
= 260
Berekening
De berekening van de bijlading uit het verschil tussen de technisch toegelaten
totale massa in beladen toestand en de door de fabrikant aangegeven massa
in rijklare toestand is echter slechts een theoretische waarde.
Alleen als het voertuig met gevulde tanks, gevulde gasflessen en complete bijkomende uitrusting op een weegbrug wordt gewogen, kan de feitelijke bijlading worden vastgesteld.
Het verschil tussen de technisch toegelaten totale massa in beladen toestand
en het gewogen gewicht van het voertuig is de feitelijke bijlading.
Het resultaat is het gewicht dat aan persoonlijke uitrusting daadwerkelijk kan
worden bijgeladen.
3.8.3Caravan juist beladen
X De technisch toegelaten totale massa nooit overschrijden.
X De lading gelijkmatig op de linker- en rechterzijde van het voertuig ver-
delen.
X Alle voorwerpen zo opbergen dat deze niet kunnen wegglijden.
X Zware voorwerpen (voortent, conserven e. d.) in de buurt van de as
opbergen. Voor het opbergen van zware voorwerpen zijn vooral diepergelegen opbergruimten geschikt, waarvan de deuren niet in de rijrichting
kunnen worden geopend.
X Lichtere voorwerpen (wasgoed) in de dakopbergkasten opbergen.
X De caravan nooit achteraan beladen.
Z Bij voertuigen met tandem-as het gewichtscentrum over beide assen ver-
delen.
De aanbevolen verdeling van de bijlading kan niet consequent worden doorgevoerd, aangezien de opbergmogelijkheden over de gehele binnenruimte
van de caravan zijn verdeeld. Let erop, dat zware delen in de buurt van de as
en in het onderste gedeelte, d.w.z. vlak boven de onderzijde van de caravan
worden opgeborgen. Zware voorwerpen (voortent, conserven e. d.) eventueel
in het trekvoertuig opbergen.
Afb. 9Verkeerde gewichtsverdeling
Verkeerd beladenUit elkaar liggende lasten (Afb. 9) doen de caravan slingeren.
Juist beladenZware voorwerpen zoals voortent, conserven e. d. niet in de caravan, maar in
het trekvoertuig onderbrengen. Fietsen op het dak van het trekvoertuig bevestigen. Alle lasten opbergen (Afb. 10) in de buurt van de as.
3
3.8.4Aanhangwagengewicht, oplegdruk en asbelasting
Z De oplegdruk van de caravan mag maximaal 100 kg bedragen.
Z Belangrijk voor de keuze van trekvoertuig en aanhanger zijn de opgaves,
die in de voertuigpapieren zijn vermeld.
1 Aanhangwagengewicht
2 Oplegdruk
3 Asbelasting
Afb. 11Aanhangwagengewicht, opleg-
AanhangwagengewichtHet in de voertuigpapieren opgegeven aanhangwagengewicht (Afb. 11,1) van
het trekvoertuig geeft uitsluitsel welk maximum gewicht het trekvoertuig mag
trekken. Het aanhangwagengewicht heeft betrekking op het daadwerkelijke
gewicht van de caravan en niet op de technisch toegelaten totale massa van
de caravan.
VoorbeeldHet trekvoertuig mag 1200 kg trekken. Als de caravan een technisch toege-
laten totale massa van 1200 kg heeft en feitelijk 900 kg weegt, kunt u deze
met 300 kg extra beladen. Als de caravan daarentegen een technisch toegelaten totale massa van 1400 kg heeft, mag deze slechts tot maximaal 1200 kg
worden beladen.
OplegdrukDe oplegdruk (Afb. 11,2) geeft aan, welk gewicht de dissel van de caravan op
de aanhangerkoppeling van het trekvoertuig mag hebben. Informatie daarover
is te vinden in de beschrijving van de aanhangerkoppeling en in de voertuigpapieren. Een aanhangerkoppeling, die een toelaatbare oplegdruk van 50 kg
heeft, mag dus geen beladen caravan met een oplegdruk van 75 kg hebben.
Daarnaast moet bij de technisch toegelaten totale massa van het trekvoertuig
rekening worden gehouden met de oplegdruk. Eventueel moet de bijlading in
het trekvoertuig gereduceerd worden met de som van de oplegdruk.
De technisch toegelaten totale massa voor het trekvoertuig en voor de
caravan nooit overschrijden.
Alleen als de oplegdruk optimaal op de combinatie uit trekvoertuig en caravan
is afgestemd, bereikt de combinatie de grootste rijstabiliteit en verkeersveiligheid op de weg. De optimale oplegdruk is tegelijkertijd de maximaal mogelijke
oplegdruk.
Voor informatie over de maximaal toegelaten oplegdruk zie de voertuigpa-
pieren en de beschrijving van de aanhangerkoppeling.
Als in de voertuigpapieren en in de beschrijving van de aanhangerkoppe-
ling verschillende waarden zijn opgegeven: de laagste waarde kiezen.
Deze waarde is de maximaal mogelijke oplegdruk voor de combinatie.
De oplegdruk voor iedere rit controleren, bijv. met een weegbrug voor
oplegdruk. Om een correcte waarde te krijgen, de weegbrug voor oplegdruk verticaal onder de koppelingsmond positioneren en de dissel van de
caravan horizontaal zetten.
De bijlading in de caravan zo verdelen dat de gemeten oplegdruk zo dicht
mogelijk in de buurt van de maximaal mogelijke oplegdruk komt. De maximaal mogelijke oplegdruk daarbij niet overschrijden.
AsbelastingDe asbelasting (Afb. 11,3) is eveneens in de voertuigpapieren van het trek-
voertuig aangegeven en geeft de toelaatbare maximale belasting voor vooren achteras aan. De asbelasting mag door een aanhanger niet worden overschreden. Bovenstaande tekening toont welke krachten waar in de onderzijdeplaat werken.
3.8.5Fietsenrek (speciale uitvoering)
X Bij het beladen van het fietsenrek moet men rekening houden met de
toelaatbare asbelastingen en de technisch toegelaten totale massa.
X De minimum oplegdruk niet onderschrijden.
X Fietsen mogen aan de zijkant, gemeten vanaf de buitenranden van de
achterlichten, maximaal 40 cm uitsteken. Een totale breedte van 2,50 m
mag echter niet worden overschreden. De bevestigingen voor de fietsen
instellen. Het uitstekende gedeelte aan de zijkant moet met een rode
vlag worden gekenmerkt.
X Het fietsenrek alleen met fietsen (max. twee stuks) beladen.
X Fietsen met aanwezige riemen bevestigen en na een paar kilometer
controleren of zij goed zijn bevestigd.
X De bevestiging van de fietsen op het fietsenrek na de eerste 10 km
rijden en vervolgens bij iedere rustpauze controleren.
X Fietsenrek niet als bagagerek of als ladder gebruiken.
Z Het fietsenrek dient uitsluitend voor het transporteren van fietsen.
Z De door de fabrikant aangegeven totale massa mag niet worden over-
3
schreden.
Z Het nummerbord en de achterlichten mogen niet worden afgedekt.
Z De maximale draagkracht van het fietsenrek bedraagt 35 kg.
Z Bij het beladen van het fietsenrek rekening houden met het zwaartepunt.
Wanneer slechts één fiets op het fietsenrek wordt meegenomen, de fiets
zo dicht mogelijk tegen de wand van het voertuig.
Z Ritten met uitgeklapt fietsenrek zonder fietsen zijn niet toegestaan.
Z Voor elke rit controleren:
Is het fietsenrek zonder fietsen correct ingeklapt?
Zijn de fietsen met het koord van het fietsenrek veilig aan het fietsenrek
bevestigd?
Fietsenrek aan de
voorkant
Fietsen bevestigen:
Fietsenrek aan
achterwand
Het fietsenrek wordt met het montagemateriaal aan de bomen van de dissel
bevestigd.
Afb. 12Fietsenrek aan de voorkant
Fietsen op het fietsenrek (Afb. 12,2) zetten en met Quick-riemen
(Afb. 12,1) vastbinden.
Het fietsenrek is al naargelang het model aan de bovenzijde direct aan de achterwand vastgeschroefd of in speciale houders aan de achterkant gehangen.
Onder de auto is het fietsenrek aan de vloerplaat vastgeschroefd.
Fietsen bevestigen:
Afb. 13Fietsenrek aan achterwand
Fietsen op het fietsenrek zetten en met Quick-riemen vastbinden.
Bovendien elke fiets aan de bevestigingsbeugel of bevestigingsarm beves-
X Uit veiligheidsoverwegingen voor iedere rit de buitenspiegels aan het
trekvoertuig opnieuw instellen.
Z Extra spiegels moeten een EG-keurmerk hebben en zodoende voldoen
aan de EG-richtlijnen.
Voor de aankoop van
extra spiegels geldt
3.10Televisie (speciale uitvoering)
Afb. 14Buitenspiegels
Voor het gebruik van een aanhanger moet het trekvoertuig zijn uitgerust met
twee buitenspiegels. De buitenspiegels zorgen ervoor, dat de rijbaan naast de
aanhanger voldoende kan worden gezien.
z De combinatie zo mogelijk meenemen.
z Ter plaatse de spiegel uitproberen.
z Spiegel op geschiktheid voor het voertuig en voor de zitpositie van de
bestuurder controleren.
X Voor het begin van de rit de televisie van de drager verwijderen en veilig
opbergen.
X Voor het begin van de rit het flatscreen en de beeldschermhouder in de
basispositie brengen en vergrendelen. Wanneer de beeldschermhouder
in een TV-kast is ingebouwd: TV-kast sluiten.
X Voor het begin van iedere rit controleren of de antenne zich in de par-
keerstand bevindt. Gevaar voor ongevallen! Parkeerstand betekent: De
antenne wijst naar achteren, is volledig neergelaten en is in deze positie
vergrendeld.
Z Bij vorstgevaar de flatscreen-televisie uit het voertuig verwijderen.
Z Verdere informatie over het positioneren van het flatscreen zie
X Regelmatig voor het begin van de rit of iedere 2 weken de bandenspan-
ning controleren. Een verkeerde bandenspanning veroorzaakt overmatige slijtage en kan de banden beschadigen of zelfs doen klappen. Het
voertuig kan uit controle raken.
Voor het begin van de rit de checklist doornemen:
Nr.ControlesGecon-
troleerd
1Alle voertuigpapieren zijn aan boord
2Twee buitenspiegels aangebracht aan het trekvoertuig
3Oplegdruk niet over- of onderschreden
4Banden in reglementaire staat
5Verlichtingsinrichting werkt
6Oplooprem werkt
7Remmen reageren gelijkmatig
8Combinatie blijft tijdens het remmen in het spoor
3
Woonopbouw buiten
Woonopbouw binnen
9Totale hoogte vastgesteld en genoteerd. Informatie m.b.t. de
hoogte in het trekvoertuig binnen handbereik bewaren
10Markies volledig opgerold
11Dak sneeuw- en ijsvrij (in de winter)
12Buitenaansluitingen afgekoppeld en leidingen opgeborgen
13Externe steunen verwijderd
14Kriksteunen en neuswiel volledig omhooggedraaid
15Wielkeggen verwijderd en opgeborgen
16Opstap veilig opgeborgen of ingeklapt
17Serviceluiken gesloten en vergrendeld
18Ingangsdeur gesloten
19Ramen en dakluiken gesloten en vergrendeld
20Televisie van de drager verwijderd en veilig opgeborgen
21Flatscreen vergrendeld
22TV-antenne ingetrokken (voorzover ingebouwd)
23Losse delen opgeborgen of bevestigd
24Open bergruimtes opgeruimd
25In de dakkast van de voortentverlichting geen gaspatronen of
In dit hoofdstuk staan instructies voor het rijden met de caravan.
De instructies hebben betrekking op:
z de rijsnelheid
z de remmen
z het achteruitrijden
4.1Gebruik van de caravan
X Tijdens de rit mogen er zich geen personen in de caravan bevinden.
X De caravans werden constructief geconcipieerd voor een technisch toe-
gelaten maximumsnelheid van 100 km/u. Rij daarom nooit harder dan
100 km/u.
X De snelheidsbeperkingen van de afzonderlijke landen altijd in acht
nemen (zie hoofdstuk 17).
Wezenlijke afwijkingen bij het rijden met de caravan in vergelijking met het
rijden zonder caravan zijn de grotere breedte en lengte van het voertuig, een
geringere acceleratie en de langere remweg. Daarom de rijstijl aanpassen aan
het veranderde rijgedrag bij het rijden met de caravan.
4Tijdens de r it
4.2Remmen
Voor het begin van iedere
rit
4.3Achteruitrijden
X Gebreken aan de reminstallatie meteen laten verhelpen door een geau-
toriseerde werkplaats.
Voor iedere rit door test-remmen controleren:
z Werkt de oplooprem?
z Reageren de remmen gelijkmatig?
z Blijft de combinatie tijdens het remmen in het spoor?
Z Bij het achteruitrijden reageert de caravan precies omgekeerd op de stuur-
bewegingen van het trekvoertuig. Als u met het trekvoertuig naar links
stuurt, zwenkt de caravan naar rechts!
Z Nooit zonder tweede persoon die u aanwijzingen kan geven achteruit-
rijden.
Bij alle modellen met achteruitrij-automaat kan probleemloos met de caravan
achteruit worden gereden. Naast de rolweerstand rekening houden met een
restremkracht.
Achteruitrijden: Zo ver tot de inrit rijden, tot de achterkant van de caravan ongeveer op de
hoogte van de inrit is (Afb. 15).
Bij stilstaande combinatie naar links sturen (Afb. 16).
Voorzichtig achteruitrijden. De caravan zwenkt naar rechts.
Afb. 17RijdenAfb. 18Naar rechts sturen
Z De hoek tussen de voertuigen mag niet te klein worden, omdat anders de
hoeken tegen elkaar stoten. Daarbij kunnen de voertuigen aanzienlijk
worden beschadigd. Laat u instrueren!
Zodra beide voertuigen in een hoek van ca. 120° ten opzichte van elkaar
staan, stoppen (Afb. 17).
Naar rechts sturen en voorzichtig achteruitrijden (Afb. 18).
Verder achteruitrijden, evt. met het stuur licht corrigeren.
Bij de laatste 2 tot 3 m nog eens naar links sturen, zodat de combinatie
In dit hoofdstuk staan instructies voor het opstellen van het voertuig.
De instructies hebben betrekking op:
z de handrem
z de wielkeggen
z de bediening van de steunen
z de opstap
z de mobiele afvalwatertank
z de 230-V-aansluiting
z de koelkast
z het afstellen van de antenne
Z Het voertuig zo horizontaal mogelijk neerzetten. Het voertuig beveiligen
tegen wegrollen.
5.1Handrem
Z Niet op de disselafdekking gaan staan. Gevaar voor breuk!
5Caravan opstellen
Bij het parkeren van het voertuig de handrem vast aantrekken.
Afb. 19Handrem
Voor het loszetten van de handrem de remhendel (Afb. 19,1) naar voren
drukken.
5.2Wielkeggen
Zelfs bij een minimaal hoogteverschil de beide wielkeggen gebruiken.
5.3Kriksteunen
Z De aangebouwde kriksteunen niet als wagenkrik gebruiken. De krik-
steunen dienen alleen voor de stabilisering van het geparkeerde voertuig.
De voertuigwielen mogen niet worden ontlast.
Z Bij het neerzetten van het voertuig erop letten dat de kriksteunen gelijk-
matig worden belast.
Z De kriksteunen voor het wegrijden tot aan de aanslag naar boven draaien.
De afvalwatertank (Afb. 23,1) wordt tijdens de rit in de gaskast van de caravan
bewaard. De afvoerbuis (Afb. 23,3) van de caravan bevindt zich onder de
bodem van het voertuig in rijrichting links.
Voordat de waterinstallatie wordt gebruikt: Afvalwatertank zo onder de
caravan zetten dat de opening (Afb. 23,2) van de afvalwatertank onder de
afvoerbuis staat.
5
5.6230-V-aansluiting
Het voertuig kan op een 230-V-voorziening worden aangesloten (zie
hoofdstuk 8).
5.7Koelkast
Het 12-V-gebruik van de koelkast functioneert alleen wanneer een trekvoertuig is aangesloten en de voertuigmotor draait. Als de voertuigmotor is uitgeschakeld, de koelkast op 230-V-gebruik of gasgebruik omstellen.
5.8Satellietinstallatie (speciale uitvoering)
X Voor het begin van iedere rit controleren of de antenne zich in de par-
keerstand bevindt. Gevaar voor ongevallen!
Z Het voertuig moet bij het zoeken naar de satelliet rustig staan. Niet in het
voertuig heen en weer lopen.
Z Satellietontvangst is alleen mogelijk, als de antenne in directe kijkrichting
op de gewenste satelliet is gericht en het zicht niet door hindernissen wordt
geblokkeerd.
Z Neem ook de gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht.
5.8.1Installatie met automatische antenneafstelling (Alden)
De satellietinstallatie is met een automatische positioneervoorziening uitgerust. De automatische positioneervoorziening zorgt voor de exacte afstelling
van de antenne.
In het flatscreen is een digitale receiver geïntegreerd.
De satellietinstallatie wordt met een afstandsbediening bediend.
Op de afstandsbediening de toets "" (Afb. 24,2) indrukken.
De satellietantenne richt zich uit de parkeerstand op en schakelt in de
zoekmodus. Als de installatie de satelliet heeft gevonden, klinkt er een signaal.
Met de geheugentoetsen (Afb. 24,3) of de functietoetsen (Afb. 24,4) de
gewenste zender instellen.
5.8.2Installatie met halfautomatische antenneafstelling (Alden)
Satellietinstallatie
inschakelen:
De satellietinstallatie is met een halfautomatische positioneervoorziening uitgerust.
In het flatscreen is een digitale receiver geïntegreerd.
De satellietinstallatie wordt met de afstandsbedieningen bediend.
Afb. 25Afstandsbediening televisie
Televisie inschakelen.
Op de afstandsbediening voor de televisie de toets "" (Afb. 25,2)
indrukken. De installatie schakelt in de zoekmodus. Er klinkt een permanente toon.
Op de afstandsbediening voor de antenne de toets "" indrukken. De
satellietantenne richt zich uit de parkeerstand op en schakelt in de als
laatste ingevoerde positie.
Voor het omschakelen op televisieontvangst de TV-toets (Afb. 25,1) op de
afstandsbediening voor de televisie indrukken. De signaaltoon wordt
beëindigd. Er verschijnt beeld op het beeldscherm.
Antenne afstellen: Met de geheugentoetsen (Afb. 25,3) op de afstandsbediening voor de tele-
visie of met de functietoetsen (Afb. 25,4) de gewenste zender kiezen.
Op de afstandsbediening van de antenne met de toetsen "" of "" de
neiging van de antenne corrigeren aan de hand van de meegeleverde
kaarten corrigeren.
Klemming van de antennemast losdraaien.
Antenne langzaam draaien. Als de antenne de satelliet heeft gevonden,
klinkt er een signaal.
Ontvangst door draaien en kantelen van de antenne optimaliseren.
Klemming van de antennemast weer licht aandraaien.
Antenne voor de rit
neerlaten:
5.8.3Installatie met automatische antenneafstelling (Oyster)
Klemming van de antennemast losdraaien.
Antenne draaien tot de sleuf in de klem en de sleuf in de antennemast con-
gruent zijn.
Op de afstandsbediening voor de antenne de toets "" indrukken. De
satellietantenne neemt de parkeerstand in.
Controleren of de antenne volledig neergelaten is en naar de achterkant
van het voertuig wijst.
Klemming van de antennemast weer licht aandraaien.
Televisie uitschakelen.
X Voor het begin van iedere rit controleren of de antenne zich in de par-
keerstand bevindt. Gevaar voor ongevallen!
Z Het voertuig moet bij het zoeken naar de satelliet rustig staan. Niet in het
voertuig heen en weer lopen.
Z Satellietontvangst is alleen mogelijk, als de antenne in directe kijkrichting
op de gewenste satelliet is gericht en het zicht niet door hindernissen wordt
geblokkeerd.
Z Neem ook de gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht.
Installatie afstellen:
De satellietinstallatie is met een automatische positioneervoorziening uitgerust. De automatische positioneervoorziening zorgt voor de exacte afstelling
van de antenne op de gewenste satelliet.
De bediening gebeurt via een menu (op het beeldscherm van de TV) met de
afstandsbediening.
De televisie inschakelen.
De receiver met de netschakelaar inschakelen. Als de groene LED op de
infrarood ontvanger van de receiver brandt, dan is de receiver gebruiksklaar.
De receiver met de afstandsbediening inschakelen. De satellietantenne
richt zich uit de parkeerstand op en schakelt in de zoekmodus.
Als de installatie de satelliet heeft gevonden, dan verschijnt automatisch het
gekozen TV-programma.
In dit hoofdstuk staan instructies voor het wonen in het voertuig.
De instructies hebben betrekking op:
z het openen en sluiten van deuren en serviceluiken
z de lichtschakelaars
z het instellen van de halogeenspotlights
z het positioneren van de televisie
z het verwarmen van het voertuig
z het ventileren van het voertuig
z het openen en sluiten van ramen en rolgordijnen
z het openen en sluiten van de dakluiken
z het ombouwen van tafels
z het gebruik van de bedden
6.1Ingangsdeur
X Alleen met vergrendelde deuren rijden.
Z Het vergrendelen van de deuren kan verhinderen, dat de deuren vanzelf
open gaan, bijv. bij een ongeval.
Z Vergrendelde deuren verhinderen tevens het ongewenste binnendringen
van buitenaf, bijv. als u voor een verkeerslicht stopt.
Z Bij het verlaten van het voertuig altijd de deuren vergrendelen.
6Wonen
6.1.1Ingangsdeur, buiten
Openen:
Vergrendelen:
Afb. 26Deurslot ingangsdeur, buiten
Sleutel in cilinderslot (Afb. 26,1) steken en naar het symbool "" draaien.
Het deurslot is ontgrendeld.
Sleutel in middelste stand terugdraaien en uittrekken.
Aan de deurgreep (Afb. 26,2) trekken. De deur is geopend.
Sleutel in cilinderslot (Afb. 26,1) steken en naar het symbool "" draaien.
Het deurslot is vergrendeld.
Sleutel in middelste stand terugdraaien en uittrekken.
Serviceluik volledig sluiten.
Slotgreep draaien, tot deze horizontaal staat. Het klepslot is nu vergren-
deld, maar nog niet afgesloten.
Page 47
Wonen
Sleutel in cilinderslot steken.
Slotgreep met ingestoken sleutel indrukken en de sleutel een kwartslag
draaien. De slotgreep blijft vergrendeld.
De sleutel eruit trekken.
6
6.2.3Luik voor toilet-cassette
Afb. 32Luik voor toilet-cassette
Openen: Sleutel in cilinderslot (Afb. 32,1) van het drukslot steken en een kwartslag
draaien.
De sleutel eruit trekken.
Beide druksloten (Afb. 32,2) tegelijkertijd met de duimen indrukken en luik
voor toilet-cassette openen.
Sluiten:
Luik voor toilet-cassette sluiten en dichtdrukken.
Sleutel in cilinderslot (Afb. 32,1) steken en een kwartslag draaien.
De sleutel eruit trekken.
6.2.4Luik voor de 230-V-aansluiting, vierkant
1 Greepopening
2 Serviceluik
Afb. 33Luik voor de 230-V-aansluiting
Openen: In greepopening (Afb. 33,1) bij het serviceluik (Afb. 33,2) grijpen en het
serviceluik naar boven draaien.
Sluiten:
Het serviceluik naar beneden draaien en dichtdrukken.
In het ingangsbereik bevinden zich de lichtschakelaars voor de volgende
lampen:
z Zitgroepverlichting (Afb. 39,1)
z Voortentverlichting (Afb. 39,2 en Afb. 39,3)
Z Bij modellen zonder de lichtschakelaar (Afb. 39,2) wordt de voortentver-
lichting (Afb. 40) via de wipschakelaar (Afb. 39,3) in- of uitgeschakeld.
Z Al naargelang het model zijn de lichtschakelaars op verschillende plaatsen
ondergebracht.
6.4.2Woonruimte
Z De in deze sectie afgebeelde lampen zijn voorbeelden. Niet alle in het
voertuig gebruikte lampen zijn weergegeven. Aan de hand van de voorbeelden wordt de mogelijke inbouwplaats van lichtschakelaars verduidelijkt. Het type en uiterlijk van de lichtschakelaars kan van de hier
weergegeven vorm afwijken.
Afb. 41Binnenverlichting, lichtschake-
laar direct bij de lamp
Afb. 42Binnenverlichting, lichtschake-
laar gescheiden van de lamp
De lichtschakelaars in de woonruimte bevinden zich direct bij de betreffende
lamp (Afb. 41,1) of in de buurt van de lamp (Afb. 42,1).
X Gloeilampen en lamphouders kunnen erg warm worden.
X De gloeilampen en lamphouders eerst laten koelen voor u ze aanraakt.
X Als de lamp ingeschakeld of nog heet is, moet de veiligheidsafstand tot
brandbare voorwerpen zoals stores of gordijnen tenminste 30 cm
bedragen. Brandgevaar!
Afb. 43Spotlight
Wonen
6
Draaien: De behuizing (Afb. 43,1) vastpakken en draaien.
De behuizing kan in verschillende richtingen worden gedraaid:
z Naar links of naar rechts
z Naar boven of beneden
6.6Houder voor flatscreen
X Voor het begin van de rit het flatscreen en de beeldschermhouder in de
basispositie brengen en vergrendelen. Wanneer de beeldschermhouder
in een TV-kast is ingebouwd: TV-kast sluiten.
Z Bij vorstgevaar de flatscreen-televisie uit het voertuig verwijderen.
Z Neem ook de gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht.
Ontgrendelingslijst (Afb. 45,1) indrukken.
Schuifblad (Afb. 45,2) tot de aanslag uittrekken.
Flatscreen in de gewenste positie zwenken.
Flatscreen terugdraaien naar de uitgangspositie.
Schuifblad (Afb. 45,2) inschuiven, tot de ontgrendelingslijst (Afb. 45,1)
vastklikt.
Page 53
6.7Verwarmen
X Als de verwarming aanstaat wordt de gasafvoerbuis in de kledingkast
heet. Daarom geen hittegevoelige kledingstukken in de onmiddellijke
buurt van de gasafvoerbuis bewaren (zie ook hoofdstuk 9).
Z De bediening van de verwarming is in hoofdstuk 9 beschreven.
6.8Ventileren
X De zuurstof binnen in het voertuig wordt door ademen of door het
gebruik van op gas werkende inbouwapparaten verbruikt. Daarom moet
de zuurstof voortdurend worden ververst. Met het oog hierop zijn in het
voertuig kunstmatige ventilatieopeningen (bijv. dakluiken met kunstmatige ventilatie, paddestoeldakventilators of vloerventilators) ingebouwd.
Kunstmatige ventilatieopeningen noch van binnen noch van buiten
afdekken, bijv. met een wintermat, of dichtzetten. Kunstmatige ventilatieopeningen vrijhouden van sneeuw en bladeren. Er dreigt verstikkingsgevaar door een verhoogd CO
-gehalte.
2
Wonen
6
Z Bij bepaalde weersomstandigheden kan ondanks toereikende ventilatie
condenswater ontstaan aan metalen voorwerpen (bijv. schroefverbindingen aan de bodem van het voertuig).
Z Bij opengewerkte plaatsen (bijv. hefdakranden, paddestoeldakventila-
toren, dakluikranden, contactdozen, vulopeningen, luiken enz.) kunnen bijkomende koudebruggen ontstaan.
CondenswaterDoor regelmatig en doelgericht ventileren voor een continue luchtverversing
zorgen. Alleen op deze manier wordt verhinderd, dat zich bij koeler weer condenswater en als gevolg daarvan schimmel vormt. Als verwarming, luchtverdeling en ventilatie op elkaar zijn afgestemd, kan in koele seizoenen een
aangenaam woonklimaat worden gecreëerd.
Het voertuig bij langere stilstand af en toe goed doorluchten, met name in de
zomer, omdat er warmteophoping mogelijk is. Daarbij niet alleen het interieur,
maar ook de van buitenaf toegankelijke opbergruimten ventileren. Wanneer
het voertuig in een gesloten ruimte is ondergebracht (bijv. garage), ook de
staanplaats ventileren. Optredend condenswater kan schimmelvorming tot
gevolg hebben.
Z De ramen zijn uitgerust met verduisteringsrollo of vouwverduistering en
met rolhor of vouwbare hor. Verduisteringsrollo's en rolhorren springen na
het losmaken van de vergrendeling door trekkracht automatisch terug in de
uitgangspositie. Om het trekmechanisme niet te beschadigen het verduisteringsrollo of rolhor vasthouden en langzaam in de uitgangspositie terugbrengen. De vouwverduistering en de vouwbare hor bestaan uit dun
weefsel. Om de vouwverduistering of de hor niet te beschadigen, de vouwverduistering of de hor voorzichtig aan de greep in de uitgangspositie
terugbrengen.
Z Rolgordijnen niet gedurende langere tijd gesloten houden, anders kan er
materiaalvermoeidheid optreden.
Z Als het verduisteringsrollo of de vouwverduistering helemaal is gesloten,
kan er bij sterke zonnestraling warmteophoping tussen het verduisteringsrollo/de vouwverduistering en het raam optreden. Het raam kan beschadigd worden.
Als de verduistering in de onderste rolgordijnbehuizing ingebouwd is, de
verduistering bij sterke zonnestraling daarom slechts voor 2/3 sluiten. Zo
kan de warmte tussen raam en verduistering ontsnappen.
Als de verduistering in de onderste rolgordijnbehuizing ingebouwd is, de
verduistering helemaal sluiten en regelmatig openen.
Daarnaast het raam in de stand "continue ventilatie" brengen.
Z Voor het begin van de rit de ramen sluiten.
Z Al naargelang het weer de ramen zo ver sluiten, dat er geen vocht kan bin-
nendringen.
Z Voor het openen en sluiten van de ramen dienen alle vergrendelingshen-
dels die aan de ramen zijn gemonteerd geopend of gesloten te worden.
Z Bij het verlaten van het voertuig altijd de ramen sluiten.
Z Binnen in het dubbele plexiglasraam kan zich bij sterke temperatuurver-
schillen of extreme weersomstandigheden een lichte aanslag van condenswater vormen. Het raam is zo geconstrueerd dat condenswater bij een
stijgende buitentemperatuur gemakkelijk kan verdampen. Voor beschadiging van het dubbele plexiglasraam door condenswater hoeft men niet te
vrezen.
Z Bij het openzetten van de uitzetbare ramen erop letten dat er geen vervor-
mingen optreden. Uitzetbare ramen gelijkmatig openen en sluiten.
Wonen
6
Afb. 46Vergrendelingshendel in stand
Openen: De vergrendelingshendel (Afb. 46,3) een kwartslag naar het midden van
Uitzetbaar raam tot de gewenste stand openen en met kartelknop
Het uitzetbaar raam blijft vergrendeld in de gewenste stand.
Sluiten:
Kartelknop (Afb. 47,1) draaien tot bevestiging los is.
Het uitzetbaar raam sluiten.
De vergrendelingshendel (Afb. 46,3) een kwartslag naar het raamkozijn
"gesloten"
het raam draaien.
(Afb. 47,1) vastzetten.
draaien. De vergrendelingsneus (Afb. 46,2) ligt aan de binnenzijde van de
raamvergrendeling (Afb. 46,1).
Afb. 47Uitzetbaar raam met draaibare
uitzetters, geopend
Afb. 48Vergrendelingshendel in stand
"continue ventilatie"
Continue ventilatieMet de vergrendelingshendel kan het uitzetbaar raam in twee verschillende
standen worden gezet:
z In stand "continue ventilatie" (Afb. 48)
z In stand "vast afgesloten" (Afb. 46)
Om het uitzetbaar raam in de stand "continue ventilatie" te brengen:
De vergrendelingshendel (Afb. 48,3) een kwartslag naar het midden van
het raam draaien.
Uitzetbaar raam licht naar buiten duwen.
De vergrendelingshendel weer terugdraaien. De vergrendelingsneus
(Afb. 48,2) daarbij in de uitsparing van de raamvergrendeling (Afb. 48,1)
schuiven.
Het uitzetbare raam mag tijdens de rit niet in de stand "continue ventilatie"
staan.
Bij regen kan er spatwater in de woonruimte binnendringen, als het uitzetbare
raam in de stand "continue ventilatie" staat. Daarom de uitzetbare ramen volledig sluiten.
6.9.2Uitzetbaar raam met automatische uitzetters
Z Het raam helemaal openen om de vergrendeling op te heffen. Als de ver-
grendeling niet opgeheven en het raam toch gesloten wordt, kan het raam
wegens de grote tegendruk breken.
Z Bij het openzetten van de uitzetbare ramen erop letten dat er geen vervor-
mingen optreden. Uitzetbare ramen gelijkmatig openen en sluiten.
Afb. 49Vergrendelingshendel in stand
Openen: De vergrendelingshendel (Afb. 49,3) een kwartslag naar het midden van
Uitzetbaar raam tot de gewenste vergrendelstand openen. De automati-
Het uitzetbaar raam blijft vergrendeld in de gewenste stand.
Sluiten:
Uitzetbaar raam zover uitzetten, tot de vergrendeling is opgeheven.
Het uitzetbaar raam sluiten.
De vergrendelingshendel (Afb. 49,3) een kwartslag naar het raamkozijn
Continue ventilatieMet de vergrendelingshendel kan het uitzetbaar raam in twee verschillende
standen worden gezet:
z In stand "continue ventilatie" (Afb. 51)
z In stand "vast afgesloten" (Afb. 49).
Om het uitzetbaar raam in de stand "continue ventilatie" te brengen:
De vergrendelingshendel (Afb. 51,3) een kwartslag naar het midden van
Het uitzetbaar raam licht naar buiten duwen.
De vergrendelingshendel een kwartslag naar het raamkozijn draaien. De
Het uitzetbare raam mag tijdens de rit niet in de stand "continue ventilatie"
staan.
Bij regen kan er spatwater in de woonruimte binnendringen, als het uitzetbare
raam in de stand "continue ventilatie" staat. Daarom de uitzetbare ramen volledig sluiten.
"continue ventilatie"
het raam draaien.
vergrendelingsneus (Afb. 51,2) daarbij in de uitsparing van de raamvergrendeling (Afb. 51,1) schuiven.
6.9.3Verduisteringsrollo en rolhor
Z De rolgordijnen voor het begin van de rit openen. Als de rolgordijnen
gesloten zijn, kan de veeras door de schokken worden beschadigd.
Z Al naargelang het raamformaat zijn de rolgordijnen uitgerust met één of
twee grepen.
De ramen zijn uitgerust met verduisteringsrollo en rolhor. Verduisteringsrollo
en rolhor zijn los van elkaar bedienbaar.
Sluiten: Vouwverduistering (Afb. 53,1) in het midden van de greeplijst (Afb. 53,2)
vastpakken, van boven naar onder trekken en op de gewenste hoogte loslaten. De vouwverduistering blijft in deze hoogte staan.
6
Openen:
RolhorDe rolhor bevindt zich in de rolgordijnbehuizing onderaan.
Sluiten:
Openen:
De vouwverduistering in het midden van de greeplijst vasthouden en naar
boven schuiven.
Rolhor (Afb. 53,3) aan de greep (Afb. 53,4) naar boven trekken tot deze
tegen vouwverduistering (Afb. 53,1) stoot.
Rolhor met de vouwverduistering vergrendelen.
Greep (Afb. 53,4) aan de rolhor kantelen.
Rolhor met de greep langzaam terugschuiven.
6.10Dakluiken
Afhankelijk van het model zijn in het voertuig dakluiken met of zonder kunstmatige ventilatie ingebouwd. Als er een dakluik zonder kunstmatige ventilatie
is ingebouwd, vindt de ventilatie plaats met de paddestoeldakventilatoren.
X De ventilatieopeningen van de kunstmatige ventilatie altijd open
houden. Kunstmatige ventilatieopeningen nooit afdekken, bijv. met een
wintermat, of dichtzetten. Kunstmatige ventilatieopeningen vrijhouden
van sneeuw en bladeren.
Z De dakluiken zijn uitgerust met verduisteringsrollo of vouwverduistering en
met rolhor of vouwbare hor. Verduisteringsrollo en rolhor springen na het
losmaken van de vergrendeling door trekkracht automatisch terug in de uitgangspositie. Om het trekmechanisme niet te beschadigen het verduisteringsrollo of rolhor vasthouden en langzaam in de uitgangspositie
terugbrengen. De vouwverduistering en de vouwbare hor bestaan uit dun
weefsel. Om de vouwverduistering of de hor niet te beschadigen, de vouwverduistering of de hor voorzichtig aan de greep in de uitgangspositie
terugbrengen.
Z Rolgordijnen niet gedurende langere tijd gesloten houden, anders kan er
materiaalvermoeidheid optreden.
Z Als het verduisteringsrollo resp. de vouwverduistering helemaal is
gesloten, kan er bij sterke zonnestraling warmteophoping tussen het verduisteringsrollo/de vouwverduistering en het dakluik optreden. Het dakluik
kan beschadigd worden. Daarom bij sterke zonnestraling het verduisteringsrollo/de vouwverduistering maar voor 2/3 sluiten. Het dakluik iets
openen of in ventilatiestand brengen.
Z Al naargelang het weer de dakluiken zo ver sluiten, dat er geen vocht kan
binnendringen.
Z Niet op de dakluiken gaan staan.
Z Voor het begin van de rit de dakluiken sluiten.
Z Voor het begin van de rit de vergrendeling van de dakluiken controleren.
Z Bij het verlaten van het voertuig altijd de dakluiken sluiten.
6.10.1Heki-dakluik (mini en midi) (gedeeltelijk speciale uitvoering)
Openen:
Sluiten:
Afb. 54Vergrendelingsknop aan het
Heki-dakluik
Het Heki-dakluik wordt aan één kant omhoog gezet.
De vergrendelingsknop (Afb. 54,2) indrukken en de beugel (Afb. 54,1) met
beide handen naar beneden trekken.
De beugel (Afb. 55,1) in de geleidingen (Afb. 55,2) tot in de achterste
positie (Afb. 55,3) trekken.
De beugel (Afb. 55,1) met beide handen licht naar boven drukken.
De beugel in de geleidingen terugschuiven.
De beugel met beide handen naar boven drukken, tot de beugel boven de
vergrendelingsknop (Afb. 54,2) ligt.
Afb. 55Heki-dakluik, geleiding
Afb. 56Heki-dakluik in ventilatiestandAfb. 57Vergrendeling ventilatiestand
VentilatiestandHet Heki-dakluik kan in twee ventilatiestanden worden gezet: Stand voor
slecht weer (Afb. 56,1) en middelste stand (Afb. 56,2). Al naargelang het
model kan het dakluik in de middelste stand met de grendel (Afb. 57,1) vergrendeld worden.
De vergrendelingsknop (Afb. 54,2) indrukken en de beugel (Afb. 54,1) met
beide handen naar beneden trekken.
De beugel in de geleidingen (Afb. 55,2) tot de gewenste stand trekken.
De beugel licht naar boven drukken en in de gekozen geleiding (Afb. 56,1
of 2) schuiven en evt. vergrendelen.
VouwverduisteringOm de vouwverduistering te sluiten en te openen:
Afb. 58Heki-dakluik, geslotenAfb. 59Heki-dakluik in
Het Heki-dakluik kan aan één kant omhoog worden gezet.
ventilatiestand 1
Openen:
Sluiten:
Ventilatiestand (variant 1):
Vergrendelingsknop (Afb. 58,1) indrukken en vergrendelingshendel
(Afb. 58,2) een kwartslag naar binnen draaien.
Beugel (Afb. 58,4) naar beneden uit de vergrendeling trekken.
Heki-dakluik met de beugel naar boven drukken.
Beugel weer in de vergrendeling drukken.
Beugel (Afb. 58,4) naar beneden uit de vergrendeling trekken.
Heki-dakluik met de beugel naar beneden trekken.
Vergrendelingshendel (Afb. 58,2 en Afb. 59,2) een kwartslag draaien. De
neus van de dakvergrendeling (Afb. 59,5) moet daarbij in de bovenste vergrendelingskruk (Afb. 59,3) steken.
Beugel weer in de vergrendeling drukken.
Heki-dakluik openen en licht naar buiten drukken.
Vergrendelingsknop (Afb. 59,1) indrukken en vergrendelingshendel
(Afb. 59,2) terugdraaien. De neus van de dakvergrendeling (Afb. 59,5)
moet daarbij in de onderste vergrendelingskruk (Afb. 59,4) steken.
De hangtafel kan als bed-onderstel worden gebruikt.
Wonen
6
Ombouw tot bed-onderstel:
6.11.2Heftafel, verschuifbaar
Tafelblad vooraan licht optillen.
Vergrendeling (Afb. 62,4) in de richting van het tafelblad schuiven.
Onderste deel van de tafelpoot (Afb. 62,3) 90° omklappen.
Hangtafel uit de bovenste inhaakrail (Afb. 62,1) haken.
Hangtafel in de onderste inhaakrail (Afb. 62,2) haken en op het gewricht
van de tafelpoot leggen.
Afb. 63Heftafel, verschuifbaar
Het tafelblad van de heftafel kan worden verschoven.
Tafelblad verschuiven:
Ombouw tot bed-onderstel:
Kartelschroef (Afb. 63,3) losdraaien.
Tafelblad (Afb. 63,2) in de gewenste stand schuiven.
Kartelschroef weer vastdraaien.
De tafel kan door het hefmechanisme ook als bed-onderstel worden gebruikt.
De vergrendelingshendel (Afb. 63,1) naar links zwenken. De vergrendeling
van het hefmechanisme is open.
Tafelblad (Afb. 63,2) in het midden tot de aanslag naar beneden drukken
en gedrukt houden.
De vergrendelingshendel (Afb. 63,1) naar rechts zwenken (Afb. 63). Het
Ombouw tot tafel: De vergrendelingshendel (Afb. 63,1) naar links zwenken. De vergrendeling
van het hefmechanisme is open. Het tafelblad komt tot de aanslag naar
boven.
De vergrendelingshendel naar rechts zwenken (Afb. 63). Het hefmecha-
nisme is vergrendeld.
6.12Bedden
6.12.1Stapelbed
X Het bovenste stapelbed alleen gebruiken als de valbeveiliging is aange-
bracht.
X Het stapelbed met maximaal 100 kg belasten.
X Het bovenste stapelbed niet gebruiken voor kinderen onder de 6 jaar.
X Kleine kinderen nooit zonder toezicht in het stapelbed laten.
X Met name bij kleine kinderen onder de 6 jaar altijd erop letten dat ze niet
van het stapelbed kunnen vallen.
X Voor kinderen passende, afzonderlijke kinderbedden of reiswiegen
gebruiken.
Al naargelang het model is het voertuig van een stapelbed voorzien. Het stapelbed kan zonder extra montage onmiddellijk worden gebruikt.
Altijd het bovenste bed opgaan met de standaard aanwezige bedladder.
6.12.2Vast bed (handmatige opsteller)
X Lattenbodem bij het sluiten niet naar beneden laten vallen!
Afb. 64Vast bed
Onder het bed bevindt zich de bedkast. In de bedkast kan bijv. beddengoed
worden opgeborgen.
Voor het inruimen en het uitruimen van de bedkast de lattenbodem naar boven
klappen.
Al naargelang het model is aan de lattenbodem een stang voor het opstellen
aanwezig.
Lattenbodem (Afb. 64,1) optillen, stang (Afb. 64,2) uit de verankering los-
maken en in de opening van de houder (Afb. 64,3) steken.
Page 65
Wonen
Sluiten: Lattenbodem (Afb. 64,1) optillen, stang (Afb. 64,2) uit de houder
(Afb. 64,3) losmaken en in de verankering klemmen.
Lattenbodem voorzichtig neerlaten.
6.12.3Vast bed (gasdrukveer)
Afb. 65Vast bed
Onder het bed bevindt zich een opbergruimte. Voor het inruimen of uitruimen
van de opbergruimte van binnen in het voertuig de lattenbodem naar boven
klappen.
6
Openen:
Sluiten:
Matras voor optillen en op de plaat leggen.
Lattenbodem optillen. De gasdrukveren (Afb. 65,1) houden de latten-
bodem in de geopende stand.
Lattenbodem tegen de weerstand van de gasdrukveren naar beneden
duwen.
Matras indien nodig achter de plaat drukken.
6.12.4Vast bed (verstelbaar hoofddeel)
X Lattenbodem bij het sluiten niet naar beneden laten vallen!
Hoofddeel optillen:
Afb. 66Verstelbaar hoofddeel
Afhankelijk van uitrusting is het hoofddeel van de lattenbodem in meerdere
trappen verstelbaar.
Hoofddeel (Afb. 66,2) van de lattenbodem tot de gewenste stand optillen.
6.13.1Lengte- en middelste zitgroep zonder extra kussen
1 Rugkussen
2 Zitkussen
3 Tafel
Afb. 70Voor de ombouw
Afb. 71Na de ombouw
6
Tafel (Afb. 70,3) in bed-onderstel ombouwen (zie sectie 6.11).
De zitkussens (Afb. 71,2) naar het midden trekken.
De rugkussens (Afb. 71,1) tussen de zitkussens en de wand leggen.
Z Al naargelang het model, kan de zitgroep van de hier weergegeven zit-
groep afwijken in vorm en positie.
1 Rugkussen
2 Zitkussen
3Tafel
4 Rugkussen
5 Rugkussen
6 Extra kussen (enkel resp. klapbaar)
Afb. 72Voor de ombouw
Afb. 73Tijdens de ombouw
Afb. 74Na de ombouw
Tafel (Afb. 72,3) in bed-onderstel ombouwen (zie sectie 6.11).
De rugkussens (Afb. 73,4 en 5) verwijderen en terzijde leggen.
De zitkussens (Afb. 73,2) naar het midden van de tafel trekken.
De rugkussens (Afb. 73,1) tussen de zitkussens en de buitenwand leggen.
Letten op wigvorm.
Het extra kussen (Afb. 74,6) naast de zitkussens leggen.
Tafel (Afb. 75,3) in bed-onderstel ombouwen (zie sectie 6.11).
De rugkussens (Afb. 76,6, 7 en 8) verwijderen en terzijde leggen.
De zitkussens (Afb. 76,2 en 4) naar het midden van de tafel trekken.
De rugkussens (Afb. 77,1 en 5) tussen de zitkussens en de buitenwand
Tafel (Afb. 78,3) in bed-onderstel ombouwen (zie sectie 6.11).
Alle rugkussens (Afb. 79,1, 4 en 5) verwijderen en terzijde leggen.
De extra kussens (Afb. 80,6) opklappen en tussen de zitkussens
In dit hoofdstuk staan instructies voor de gasinstallatie van het voertuig.
De instructies hebben betrekking op:
z de veiligheid
z het wisselen van gasflessen
z de gasafsluitkranen
z de externe gasaansluiting
z de automatische omschakelinstallatie
z de alarminstallatie voor gasgevaar
De bediening van de op gas werkende apparaten van het voertuig is in
hoofdstuk 9 beschreven.
7.1Algemeen
X Voor het begin van de rit, bij het verlaten van het voertuig of als de gas-
toestellen niet gebruikt worden, alle gasafsluitkranen en de hoofdafsluitkraan aan de gasfles sluiten.
X Bij het tanken, op veerponten of in de garage, mag geen apparaat (bijv.
verwarming of koelkast) in werking zijn, wanneer het met open vlam
wordt gebruikt. Explosiegevaar!
X Wanneer een apparaat met open vlam wordt gebruikt, het apparaat niet
in gesloten ruimtes (bijv. garages) in gebruik nemen. Vergiftigings- en
verstikkingsgevaar!
X De gasinstallatie alleen door een geautoriseerde werkplaats laten
onderhouden, repareren of wijzigen.
X De gasinstallatie voor de ingebruikname en conform de nationale bepa-
lingen door een geautoriseerde werkplaats laten controleren. Dit geldt
ook voor niet aangemelde voertuigen. Bij wijzigingen aan de gasinstallatie de gasinstallatie meteen door een geautoriseerde werkplaats laten
controleren.
X Ook de gasdrukregelaar en de gasafvoerbuizen moeten worden gecon-
troleerd. De gasdrukregelaar moet na 10 jaar worden vervangen. De
eigenaar van het voertuig is verantwoordelijk voor het initiatief van de
maatregel.
X Bij een defect aan de gasinstallatie (gaslucht, hoog gasverbruik) bestaat
explosiegevaar! Onmiddellijk de hoofdafsluitkraan op de gasfles sluiten.
Ramen en deuren openen en goed ventileren.
X Bij een defect aan de gasinstallatie: Niet roken, geen open vuur en geen
X De ingebouwde gastoestellen zijn uitsluitend ontworpen voor gebruik
met propaangas, butaangas of een mengsel van beide gassen. De gasdrukregelaar alsmede alle ingebouwde gastoestellen zijn ontworpen
voor een bedrijfsdruk van 30 mbar.
X Propaangas is gasvormig tot -42 °C, butaangas daarentegen slechts tot
0 °C. Bij lagere temperaturen is er geen gasdruk meer aanwezig.
Butaangas is niet geschikt voor gebruik in de winter.
X De gasslang op de aansluiting van de gasflessen regelmatig op dicht-
heid controleren. De gasslang mag geen scheurtjes vertonen en niet
poreus zijn. De gasslang uiterlijk 10 jaar na productiedatum in een
erkende werkplaats laten vervangen. De gebruiker van de gasinstallatie
moet voor de vervanging zorgen.
X De gaskast is door zijn functie en constructie een ruimte met opening
naar buiten. De standaard ingebouwde kunstmatige ventilatie nooit
afdekken of dichtzetten. Ontsnappend gas kan anders niet naar buiten
worden weggeleid.
X De gaskast niet als opbergruimte gebruiken, omdat er geen vocht kan
binnendringen.
X De gaskast beveiligen tegen de toegang van onbevoegden. Daarvoor
de toegang afsluiten.
X De hoofdafsluitkraan op de gasfles moet toegankelijk zijn.
X Alleen apparaten op gas (bijv. gasgrill) aansluiten die voor een gasdruk
van 30 mbar zijn bedoeld.
X De gasafvoerbuis moet aan de verwarming en aan de schoorsteen goed
afsluiten en stevig vastzitten. De gasafvoerbuis mag niet beschadigd
zijn.
X De rookgassen moeten onbelemmerd naar buiten kunnen stromen en
de verse lucht moet onbelemmerd toe kunnen treden. Daarom de gasafvoerschoorsteen en inlaatopeningen schoon houden en vrijhouden
(bijv. van sneeuw en ijs). De onderrand van het voertuig mag niet met
flappen of door sneeuwwallen worden afgesloten.
7.2Gasflessen
X Gasflessen alleen in de gaskast meenemen.
X Gasflessen in de gaskast verticaal plaatsen.
X Gasflessen beveiligd tegen draaien en kantelen vastbinden.
X Als de gasflessen niet op de gasslang zijn aangesloten, altijd de
beschermkap aanbrengen.
X Hoofdafsluitkraan aan de gasfles sluiten voordat de gasdrukregelaar of
de gasslang van de gasfles wordt verwijderd.
X Gasdrukregelaar of gasslang op de gasfles alleen met de hand aan-
sluiten. Geen gereedschap gebruiken.
X Voor het gebruik in voertuigen uitsluitend een speciale gasdrukregelaar
met veiligheidsventiel gebruiken. Andere gasdrukregelaars zijn niet toegelaten en voldoen niet aan de hoge eisen.
X Bij temperaturen onder 5 °C ijsbestrijdingsinstallatie (Eis-Ex) voor gas-
X Alleen gasflessen van 11 kg of 5 kg gebruiken. Campinggasflessen met
7
ingebouwd terugslagventiel (blauwe flessen met een inhoud van max.
2,5 resp. 3 kg) mogen in uitzonderingsgevallen met een veiligheidsventiel worden gebruikt.
X Voor buitengasflessen zo kort mogelijke slangen gebruiken (max.
150 cm).
X Blokkeer nooit de ventilatieopeningen in de vloer onder de gasflessen.
Z Schroefverbindingen van de gasdrukregelaar hebben linkse schroefdraad.
Z Voor apparaten op gas moet de gasdruk tot 30 mbar worden gereduceerd.
Z De niet-verstelbare gasdrukregelaar direct op het flesventiel aansluiten
met veiligheidsventiel.
De gasdrukregelaar reduceert de gasdruk van de gasfles tot de bedrijfs-
druk van de gastoestellen.
Z Voor het vullen en aansluiten van de gasflessen in Europa levert de toebe-
horenhandel de betreffende Euro-vulsets c.q. Euro-flessensets.
Z Informatie bij de handelspartners of het servicepunt.
Z Informatie over de gasvoorziening in Europa vindt u in hoofdstuk 17.
7.3Gasflessen vervangen
X Bij het vervangen van de gasflessen niet roken en geen open vuur ont-
steken.
X Na het vervangen van gasflessen controleren of er bij de aansluitpunten
geen gas uitloopt. Daarvoor de aansluiting met lekzoek-spray inspuiten.
De toebehorenhandel biedt deze middelen aan.
Afb. 81Gaskast
Serviceluik voor gaskast openen (zie hoofdstuk 6).
Hoofdafsluitkraan (Afb. 81,1) op de gasfles (Afb. 81,2) sluiten. Let op de
richting van de pijl.
Gasslang (Afb. 81,3) met de hand van de gasfles schroeven (linkse
schroefdraad).
Bevestigingsriemen losmaken en gasfles uitnemen.
Gevulde gasfles in de gaskast zetten.
Gasfles met de bevestigingsriemen bevestigen.
Gasslang met de hand op de gasfles schroeven (linkse schroefdraad).
In het voertuig is voor ieder gastoestel een gasafsluitkraan (Afb. 82) ingebouwd. De gasafsluitkranen bevinden zich achter een luik in het keukengedeelte.
kranen
7.5Externe gasaansluiting (speciale uitvoering)
X Als de externe gasaansluiting niet wordt gebruikt, altijd de gasafsluit-
kraan sluiten.
X Op de externe gasaansluiting alleen gasverbruikers aansluiten die de
passende adapter hebben.
X Alleen externe gasverbruikers aansluiten die zijn ontworpen voor een
bedrijfsdruk van 30 mbar.
X Erop letten dat na het aansluiten en na het openen van de gasafsluit-
kraan geen gas uit het aansluitpunt ontsnapt. Als de externe gasaansluiting niet dicht is, stroomt gas in de open lucht. Onmiddellijk de
gasafsluitkraan en hoofdafsluitkraan op de gasfles sluiten. De externe
gasaansluiting door een geautoriseerde werkplaats laten nakijken.
X Tijdens het aansluiten van een externe gasverbruiker mag er zich geen
open vuur in de buurt van de externe gasaansluiting bevinden.
X De externe gasaansluiting niet voor het bijvullen van de gasflessen
gebruiken. De aanwijzingsstickers op de externe gasaansluiting in acht
nemen.
Afb. 83Externe gasaansluiting, gasaf-
De externe gasaansluiting (Afb. 83) bevindt zich, afhankelijk van het model,
aan de achterkant of aan de linker of rechter zijde van het voertuig.
X De omschakelinstallatie niet gebruiken in gesloten ruimtes.
Z Neem ook de gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht.
De DuoControl is een automatische omschakelinstallatie met afstandsindicatie voor een tweeflessen-gasinstallatie. De DuoControl-omschakelinstallatie schakelt automatisch de gastoevoer om van de bedrijfsfles naar de
reservefles, als de bedrijfsfles leeg of niet meer bedrijfsklaar is. Daarbij
kunnen de gasverbruikers aanblijven. De DuoControl-omschakelinstallatie is
geschikt voor alle in de handel verkrijgbare gasflessen van 3 kg tot 33 kg.
Afb. 84DuoControl-omschakelinstal-
Constructie van de
installatie
GebruikswijzenDe DuoControl-omschakelinstallatie heeft twee gebruikswijzen:
De DuoControl-omschakelinstallatie bestaat uit een omschakelventiel
(Afb. 84,3) en het bedieningspaneel (Afb. 85). Het omschakelventiel is tussen
de gasslangen (Afb. 84,2 en 5) gemonteerd. Met de draaiknop (Afb. 84,4) op
het omschakelventiel kan worden bepaald welke gasfles als bedrijfsfles en
welke gasfles als reservefles wordt gebruikt.
Het omschakelventiel is met de regelaar-ijsbestrijdingsinstallatie Eis-Ex uitgerust. Zo worden storingen van de gasinstallatie in de winter vermeden.
Aan het bedieningspaneel (Afb. 85) kunnen alleen de elektrische functies
worden geschakeld. De hoofdafsluitkranen van de gasflessen (Afb. 84,1 en 6)
moeten handmatig worden geopend.
Het omschakelventiel waarborgt een constante gasdruk, om het even welke
gasfles gas levert. De twee controlelichten op het bedieningspaneel geven de
vulstand van de bedrijfsfles aan. Wanneer het groene controlelicht (Afb. 85,6)
brandt, is de bedrijfsfles vol. Wanneer het rode controlelicht (Afb. 85,5) brandt,
is de bedrijfsfles leeg. De gasvoorziening vindt dan plaats via de reservefles.
z Wintergebruik "Aan en Verwarmen"
z Zomergebruik "Aan"
In gebruik nemen: De hoofdafsluitkranen van de gasflessen (Afb. 84,1 en 6) openen.
Met de draaiknop (Afb. 84,4) op het omschakelventiel (Afb. 84,3) de gas-
fles kiezen waaruit als eerste gas genomen moet worden (bedrijfsfles).
De draaiknop altijd tot aanslag draaien.
Op het bedieningspaneel (Afb. 85) de DuoControl-omschakelinstallatie
inschakelen.
Daarvoor de wipschakelaar (Afb. 85,7) op wintergebruik "Aan en Verwarmen" (Afb. 85,2) of op zomergebruik "Aan" (Afb. 85,4) zetten. Het
omschakelventiel is nu ontlucht. Het gele controlelicht (Afb. 85,1) brandt
wanneer wintergebruik wordt gekozen en de regelaar-ijsbestrijdingsinstallatie is ingeschakeld.
Uitschakelen:
De wipschakelaar (Afb. 85,7) op " " (Afb. 85,3) zetten. Het gele controle-
licht (Afb. 85,1) gaat uit.
De hoofdafsluitkranen van de gasflessen (Afb. 84,1 en 6) sluiten.
AfstandsindicatieDe controlelichten op het bedieningspaneel (Afb. 85,5 en 6) signaleren binnen
in het voertuig of de bedrijfsfles bedrijfsklaar is.
Gasflessen vervangenWanneer het groene controlelicht (Afb. 85,6) tijdens het bedrijf uitgaat en het
rode controlelicht (Afb. 85,5) gaat branden, is de als bedrijfsfles gekozen gasfles leeg en moet deze worden vervangen. De reservefles voorziet de gasverbruikers verder van gas.
X Bij het vervangen van de gasflessen niet roken en geen open vuur ont-
steken.
Gasflessen vervangen:
De hoofdafsluitkraan op de lege gasfles sluiten.
De gasslang van de gasfles schroeven.
De volle gasfles aan de gasslang aansluiten.
De hoofdafsluitkraan op de gasfles openen.
De draaiknop op het omschakelventiel met een halve slag zo instellen, dat
de zojuist vervangen gasfles als reservefles dient.
7.7Alarminstallatie voor gasgevaar (speciale uitvoering)
Z Als de gassensor of een kabel defect is, klinkt de zoemer zolang tot het
defect is verholpen.
Z Als in de directe omgeving van de gassensor deodorant, haarspray of een
sterk reinigingsmiddel wordt gebruikt, kan een vals alarm worden geactiveerd. Ook een langer verblijf in een tunnel (file) kan een vals alarm activeren.
Z Neem ook de gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht.
De alarminstallatie voor gasgevaar heeft twee taken:
z Alarm bij een overval met verdovend gas
z Alarm bij een lekkage in de gasinstallatie
De alarminstallatie voor gasgevaar is bedrijfsklaar, als het 12-V-boordnet met
spanning wordt gevoed.
In dit hoofdstuk staan instructies voor de elektrische installatie van het voertuig.
De instructies hebben betrekking op:
z de veiligheid
z verklaringen van begrippen met betrekking tot de accu
z het 12-V-boordnet
z het stroomvoorzieningsapparaat
z de accuhoofdschakelaar
z de elektro-kit
z het 230-V-boordnet
z de aansluiting op de 230-V-voorziening
z de zekeringenindeling
z de aansluiting aan het trekvoertuig
z de buitencontactdoos
z het verloop van de leidingen
De bediening van de op elektriciteit werkende apparaten van de woonopbouw
is in hoofdstuk 9 beschreven.
8.1Algemene veiligheidsinstructies
8Elektrische installa tie
X Alleen vaklieden aan de elektrische installatie laten werken.
Het voertuig biedt tijdens onweer een veilig onderkomen (Faraday-kooi). Voor
de zekerheid echter de 230-V-aansluiting ontkoppelen en de antennes
induwen ter bescherming van de elektrische apparaten.
8.2Begrippen
CapaciteitAls capaciteit wordt de hoeveelheid elektriciteit aangeduid, die een accu kan
opnemen.
De capaciteit van een accu wordt in ampère-uren (Ah) aangegeven. In de
regel wordt daarbij de zogenaamde K20-waarde gebruikt.
De K20-waarde geeft aan, hoeveel stroom een accu over een periode van
20 uur kan afgeven, zonder dat deze wordt beschadigd, of hoeveel stroom er
nodig is, om een lege accu binnen 20 uur te laden.
Wanneer een accu bijv. 20 uur lang 4 ampère kan afgeven, heeft deze een
capaciteit van 4 A x 20 h = 80 Ah.
Wanneer er meer stroom stroomt, verlaagt de capaciteit van de accu evenredig.
Externe invloeden zoals temperatuur en leeftijd veranderen het opnamevermogen van de accu. Capaciteitsgegevens hebben betrekking op nieuwe, bij
ruimtetemperatuur gebruikte accu's.
Z Houd er bij de stroomvoorziening van de caravan via de accu van het trek-
voertuig rekening mee dat de capaciteit van de accu beperkt is. Bij extreme
ontlading kunnen problemen bij het starten van het trekvoertuig optreden.
Z De elektrische verbinding tussen het trekvoertuig en de caravan altijd
scheiden, voor de caravan op de plaatselijke stroomvoorziening wordt aangesloten. Daarvoor de stekker uit de contactdoos van het trekvoertuig
nemen.
Als de caravan niet aan de 230-V-voorziening is aangesloten, gebeurt de
12-V-voorziening ofwel door de startaccu van het aangesloten trekvoertuig of
door de woonruimteaccu (elektro-kit).
De startaccu heeft slechts een begrensde energievoorraad. Daarom elektrische verbruikers niet gedurende een langere periode zonder 230-V-voorziening gebruiken, als de motor van het trekvoertuig uitgeschakeld is.
Als de caravan aan het trekvoertuig elektrisch is aangesloten en de voertuigmotor draait, wordt de woonruimteaccu door de voertuigdynamo bijgeladen
(elektro-kit).
8.4Stroomvoorzieningsapparaat CSV 400-1
Z De ventilatiesleuven van het stroomvoorzieningsapparaat niet afdekken.
TakenHet stroomvoorzieningsapparaat verdeelt de stroom naar de 12-V-stroomcir-
cuits en beveiligt deze.
Als het voertuig niet op de 230-V-voorziening is aangesloten, wordt de beno-
digde stroom uit de accu van het trekvoertuig gehaald, tenminste wanneer het
contact 9 "Permanent plus" op de contactdoos van het trekvoertuig aangesloten is (zie het aansluitschema aan het einde van dit hoofdstuk). De
12-V-woonruimteverlichting en de 12-V-contactdozen kunnen worden
gebruikt met uitzondering van de contactdoos TV-uitgang.
Aan de contactdozen kunnen apparaten met maximaal 10 A worden aangesloten.
Als het voertuig op de 230-V-voorziening wordt aangesloten, schakelt het
stroomvoorzieningsapparaat de stroomvoorziening in de woonruimte automatisch van de accu van het trekvoertuig op netgebruik om. De interne voedingseenheid in het stroomvoorzieningsapparaat voorziet de 12-V-contactdozen
en 12-V-verbruikers van spanning.
Z Bij langere stilstand (4 weken of langer) de woonruimteaccu losklemmen
of regelmatig bijladen.
Z Bij het vervangen van de woonruimteaccu alleen accu's van dezelfde
bouwwijze gebruiken.
Z Voor het los- en vastklemmen van de woonruimteaccu de motor van het
trekvoertuig uitschakelen, de 230-V- en de 12-V-voorziening alsmede alle
verbruikers uitschakelen. Kortsluitingsgevaar!
Z Het contact van het trekvoertuig niet bedienen als de woonruimteaccu is
losgekoppeld en de caravan en het trekvoertuig elektrisch met elkaar zijn
verbonden. Kortsluitingsgevaar door open kabeleinden!
Z De accu is onderhoudsvrij. Onderhoudsvrij betekent:
De zuurstand hoeft niet gecontroleerd te worden.
De accupolen hoeven niet ingevet te worden.
Er hoeft geen gedestilleerd water bijgevuld te worden.
Ook een onderhoudsvrije accu moet doorlopend worden bijgeladen.
Als het voertuig niet op de 230-V-voorziening is aangesloten of als de 230-Vvoorziening is uitgeschakeld, voedt de woonruimteaccu de woonruimte met
12 V gelijkspanning. De woonruimteaccu heeft slechts een begrensde energievoorraad. Daarom elektrische verbruikers zoals bijvoorbeeld radio of
lampen niet gedurende een langere periode zonder 230-V-voorziening
gebruiken.
OntladingDoor de ruststroom, die sommige elektrische verbruikers permanent ver-
bruiken, wordt de woonruimteaccu ontladen.
Z Diepontlading is schadelijk voor de accu.
Z Accu tijdig opladen.
Bij lage buitentemperaturen verlaagt de beschikbare capaciteit.
De zelfontlading van de accu is eveneens afhankelijk van de temperatuur. Bij
20 tot 25 °C bedraagt het zelfontladingspercentage ca. 3 % van de capaciteit/
maand. Bij stijgende temperaturen neemt het zelfontladingspercentage toe:
Bij 35 °C bedraagt het zelfontladingspercentage ca. 20 % van de capaciteit/
maand.
Een oude accu beschikt niet meer over de volle capaciteit.
Hoe meer elektrische verbruikers ingeschakeld zijn, des te sneller is de ener-
gievoorraad van de woonruimteaccu verbruikt.
Om te voorkomen dat de woonruimteaccu snel wordt ontladen, kan de koel-
kast alleen bij een draaiende voertuigmotor en elektrische verbinding tussen
trekvoertuig en caravan door de 12-V-voorziening worden gevoed.
LadenDe woonruimteaccu alleen met het stroomvoorzieningsapparaat laden. Het
voertuig daarvoor zo vaak mogelijk op een 230-V-voorziening aansluiten.
Z Na een diepontlading de accu tenminste 48 uur laden.
Z Bij temperaturen onder 0 °C neemt een woonruimteaccu minder stroom
op. Bij ca. -15 °C stroomt er geen stroom meer. De woonruimteaccu kan
niet meer worden geladen.
AIs de caravan elektrisch verbonden is met het trekvoertuig en de motor van
het trekvoertuig draait, wordt de woonruimteaccu door de dynamo van het
trekvoertuig bijgeladen.
Z Verdere informatie ontlenen aan de separate documentatie van de woon-
ruimteaccu.
X Accuzuur in de accu is giftig en bijtend. Ieder contact met de huid of de
ogen vermijden.
X Bij contact met de huid of de ogen direct met zuiver water spoelen.
X Open vuur of mogelijke vonkbronnen uit de buurt van de accu houden.
Explosiegevaar!
Z Bij het vervangen van de accu, alleen accu's van hetzelfde type gebruiken
(zelfde capaciteit en spanning, met vaste cyclus).
Accu vervangen:
8.6.2Stroomvoorzieningsapparaat CSV 409
Aansluitklem min (-) losmaken.
Aansluitklem plus (+) losmaken.
Accu verwijderen.
Nieuwe accu plaatsen.
Nieuwe accu in omgekeerde volgorde aansluiten.
Z De ventilatiesleuven van het stroomvoorzieningsapparaat niet afdekken.
z Het stroomvoorzieningsapparaat biedt aansluitingen voor een zonnerege-
laar alsmede verdere besturings- en bewakingsfuncties.
z Het stroomvoorzieningsapparaat isoleert de startaccu van het trekvoertuig
elektrisch van de woonruimteaccu van de caravan als er een elektrische
aansluiting tussen trekvoertuig en caravan bestaat, de voertuigmotor uitgeschakeld en het contact wordt uitgeschakeld. Zo kunnen de 12-V-verbruikers van de caravan de startaccu van het trekvoertuig niet ontladen.
Het stroomvoorzieningsapparaat functioneert alleen in combinatie met een
paneel.
De stroom, die op het stroomvoorzieningsapparaat beschikbaar is (> 28 A), is
verdeeld in laadstroom en verbruikersstroom. De laadstroom is daarbij altijd
slechts het aandeel, dat de verbruikers op dat moment niet nodig hebben.
Wanneer de verbruikersstroom hoger is dan de beschikbare stroom, wordt de
woonruimteaccu ontladen.
InbouwplaatsHet stroomvoorzieningsapparaat is in de kledingkast of in een opbergruimte
ingebouwd.
Z Verdere informatie ontlenen aan de aparte gebruiksaanwijzing van de
fabrikant.
Accu-keuzeschakelaar
AcculadingTijdens het rijden wordt de woonruimteaccu door de dynamo van het trekvoer-
X Als de accu-keuzeschakelaar verkeerd is ingesteld, kan zich knalgas
vormen. Explosiegevaar!
Z Door een verkeerde stand van de accu-keuzeschakelaar kan de woon-
ruimteaccu beschadigd worden.
Z De fabrieksinstelling van de accu-keuzeschakelaar niet veranderen.
tuig bijgeladen. Als de motor van het trekvoertuig uitgeschakeld en het contact
wordt uitgeschakeld, scheidt het stroomvoorzieningsapparaat de startaccu
van het trekvoertuig elektrisch van de woonruimteaccu, zodat ontladen van de
startaccu van het trekvoertuig door de 12-V-verbruikers in de woonruimte uitgesloten is.
Als het voertuig op de 230-V-voorziening is aangesloten, laadt het stroomvoorzieningsapparaat de woonruimteaccu.
Z De startaccu van het trekvoertuig kan niet via het stroomvoorzieningsap-
Z Langere diepontlading beschadigt de accu onherstelbaar.
Z De rustspanning het beste meerdere uren na de laatste lading (bijv. 's och-
tends) en niet direct na het stroomverbruik meten.
Hoofdschakelaar 12 VDe hoofdschakelaar 12 V (Afb. 91,6) schakelt het paneel en de 12-V-voorzie-
ning van de woonruimte aan en uit.
Inschakelen:
Uitschakelen:
12-V-controlelichtHet 12-V-controlelicht (Afb. 91,5) licht geel op, als de hoofdschakelaar 12 V
Schakelaar voor
waterpomp
Inschakelen:
Uitschakelen:
Wipschakelaar (Afb. 91,6) boven indrukken: De 12-V-voorziening van de
woonruimte is ingeschakeld. Het controlelicht (Afb. 91,5) brandt geel.
Wipschakelaar (Afb. 91,6) beneden indrukken: De 12-V-voorziening van
de woonruimte is uitgeschakeld. Het controlelicht (Afb. 91,5) gaat uit.
Z Bij het verlaten van het voertuig de 12-V-voorziening via het paneel uit-
schakelen. Zo kan een onnodige ontlading van de woonruimteaccu worden
vermeden.
Z De koelkastbesturing neemt ook wanneer de hoofdschakelaar 12 V uitge-
schakeld is stroom van de accucapaciteit. Daarom de woonruimteaccu loskoppelen van het 12-V-boordnet, als het voertuig langere tijd niet wordt
gebruikt.
(Afb. 91,6) is ingeschakeld.
De schakelaar voor de waterpomp (Afb. 91,7) schakelt de watervoorziening
aan en uit.
Wipschakelaar (Afb. 91,7) boven indrukken: De watervoorziening is inge-
schakeld. Het controlelicht (Afb. 91,4) brandt geel.
Wipschakelaar (Afb. 91,7) beneden indrukken: De watervoorziening is uit-
geschakeld.
Z Als het voertuig niet op de 230-V-voorziening is aangesloten en de water-
pomp langere tijd niet wordt gebruikt: Stroomvoorziening van de waterpomp uitschakelen. Het pomprelais verbruikt per dag ongeveer 4 Ah
stroom.
Het controlelicht (Afb. 91,4) licht geel op, als de schakelaar voor de waterpomp (Afb. 91,7) is ingeschakeld.
Page 87
8.6.4Aansluitschema's
Stroomvoorzienings-
apparaat CSV 409
Elektrische installatie
8
Afb. 92Aansluitschema
A
1
2
3
4
5
6
7
8
BMolex Minifit SR-F
CWoonruimteaccu
Aansluitingen: Trekvoertuig, lastcircuit koelkast
+ Aanhangerkoppeling – 12 V geschakeld
– Aanhangerkoppeling – naar 12 V geschakeld
+ Aanhangerkoppeling – 12 V permanent plus
– Aanhangerkoppeling – naar 12 V permanent plus
+ Koelkastpatroon, zekering in het motorvoertuig
– Koelkastpatroon, zekering in het motorvoertuig
+ Koelkastbesturing
– Koelkastbesturing
Aansluitingen acculader
12 V Uit wit
12 V Aan groen
12 V Controle
Netcontrole
– 12 V bruin
+ 12 V bruin
8.7230-V-boordnet
X Alleen vaklieden aan de elektrische installatie laten werken.
Het 230-V-boordnet verzorgt:
z de contactdozen met randaarde voor apparaten met maximaal 16 A
z de koelkast
z het stroomvoorzieningsapparaat
De elektrische verbruikers, die op het 12-V-boordnet van de woonruimte aangesloten zijn, worden door het stroomvoorzieningsapparaat of door de woonruimteaccu (indien aanwezig) van spanning voorzien.
Het voertuig zo vaak mogelijk op een externe 230-V-voorziening aansluiten.
Wanneer een woonruimteaccu is ingebouwd, wordt deze automatisch via een
laadmodule geladen.
z De aansluitkabel, de stekkerverbindingen aan de voorzieningsplaats en de
stekkerverbinding aan het voertuig moeten voldoen aan IEC 60309. De in
de handel gebruikelijke benaming voor de stekkerverbindingen is "CEE
blauw".
z Snoer met rubber mantel H07RN-F met een leidingsdiameter van ten-
minste 2,5 mm² en een lengte van maximaal 25 m gebruiken.
z Stekkerverbindingen met randaarde (Schuko) zijn niet toegestaan. Het tus-
senschakelen van CEE/randaarde-adapters is eveneens niet toegestaan.
X De externe 230-V-voorziening moet beveiligd zijn met een aardlekscha-
kelaar (FI-schakelaar, 30 mA).
X De kabel moet volledig van de kabelhaspel afgewikkeld zijn om overver-
hitting te voorkomen.
X Bij twijfel of indien de 230-V-voorziening niet beschikbaar of defect is,
contact opnemen met de gebruiker van de voorzieningsinstallatie.
Z De elektrische verbinding tussen het trekvoertuig en de caravan altijd
scheiden, voor de caravan op de plaatselijke stroomvoorziening wordt aangesloten. Daarvoor de stekker uit de contactdoos van het trekvoertuig
nemen.
Voertuig aansluiten:
Z De 230-V-aansluiting is in het voertuig met een aardlekschakelaar (FI-
schakelaar) uitgerust.
Z Voor de aansluitpunten op campings (campingverdelers) zijn aardlekscha-
kelaars (FI-schakelaars, 30 mA) voorgeschreven.
Het voertuig kan op een externe 230-V-voorziening worden aangesloten.
Afb. 94230-V-zekeringenkast met
beveiligingsautomaat en FIschakelaar
Controleren of het stroomvoorzieningsapparaat met betrekking tot de aan-
Afb. 95230-V-aansluiting op het voer-
tuig
sluiting, spanning, frequentie en stroom geschikt is.
Controleren of de kabels en aansluitingen geschikt zijn.
Stekkerverbindingen en kabels op zichtbare beschadigingen controleren.
De beveiligingsautomaat (Afb. 94,1 en 2) in de zekeringenkast (Afb. 94,3)
uitschakelen.
Afdekking van de 230-V-aansluiting op het voertuig openen (Afb. 95) en
stekkerverbinding aansluiten. Controleren of de vergrendelnok van de
veergespannen klapdeksel vergrendeld is.
Stekker van de aansluitkabel in de contactdoos van het stroomvoorzie-
ningsapparaat steken. Controleren of de vergrendelnok van de veergespannen klapdeksel vergrendeld is.
Beveiligingsautomaat in de zekeringenkast inschakelen.
8
Aardlekschakelaar
controleren:
Verbinding loskoppelen:
8.8Zekeringen
Als het voertuig op de 230-V-voorziening aangesloten is, dan moet de test-
knop (Afb. 94,5) van de aardlekschakelaar (FI-schakelaar) (Afb. 94,4) in
de zekeringenkast (Afb. 94,3) worden ingedrukt. De aardlekschakelaar
moet activeren.
De aardlekschakelaar weer inschakelen.
De beveiligingsautomaat (Afb. 94,1 en 2) in de zekeringenkast (Afb. 94,3)
uitschakelen.
De vergrendelnok aan het stroomvoorzieningsapparaat losmaken en de
stekker van de aansluitkabel uit de contactdoos trekken.
De vergrendelnok aan het voertuig losmaken, de stekkerverbinding los-
trekken en de afdekking van de 230-V-aansluiting sluiten.
X Defecte zekeringen alleen vervangen, als de foutoorzaak bekend en
verholpen is.
X Defecte zekeringen alleen vervangen als de stroomvoorziening is uitge-
schakeld.
X Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
X Defecte zekeringen altijd vervangen door een nieuwe zekering met
dezelfde zekeringswaarden.
8.8.1Zekeringen 12 V
De verbruikers die in de woonruimte op de 12-V-voorziening zijn aangesloten,
zijn beveiligd door aparte zekeringen. De zekeringen zijn toegankelijk op het
stroomvoorzieningsapparaat of in een zekeringenhouder in de buurt van het
stroomvoorzieningsapparaat.
Afb. 96Zekering 12 V
Een intacte 12-V-zekering is aan het onbeschadigde zekeringselement
(Afb. 96,1) zichtbaar. Als het zekeringselement onderbroken is (Afb. 96,2) de
zekering vervangen.
Om de zekeringen te vervangen werking, waarde en kleur van de betreffende
zekeringen ontlenen aan de navolgende gegevens. Bij vervangen van de
zekeringen uitsluitend platte zekeringen met de waarden gebruiken die hierna
staan vermeld.
FunctieWaarde/kleur
Circuit 115 A blauw
Circuit 215 A blauw
Circuit 315 A blauw
Waterpomp5 A lichtbruin
Circuit 5 (TV, voortentverlichting)7,5 A bruin
Koelkastbesturing2 A grijs
Zekeringen aan het
stroomvoorzienings-
Circuit 5 (TV, voortentverlichting)7,5 A bruin
Circuit 315 A blauw
apparaat CSV 409
(Elektro-Kit)
Pomp voor water5 A lichtbruin
Intern laadapparaat30 A geel
Circuit 115 A blauw
Circuit 215 A blauw
Koelkastbesturing2 A grijs
Zon15 A blauw
Zekering voor de koelkastDe zekering bevindt zich in een zekeringenhouder in de buurt van het stroom-
voorzieningsapparaat.
z Zekeringstype: Platte zekering 15 A/blauw
Vervangen:
Afdekking op de vloer van de kledingkast verwijderen.
Zekering vervangen.
Na vervanging van de zekering de afdekking weer bevestigen.
De zekering bevindt zich in het behuizingsframe van de Thetford-cassette.
1 Platte zekering 3 A/violet
Afb. 97Zekering van het Thetford-
toilet
Het luik voor de Thetford-cassette buiten aan het voertuig openen.
De Thetford-cassette er volledig uittrekken.
De zekering (Afb. 97,1) vervangen.
De zekering bevindt zich in het behuizingsframe van de Thetford-cassette.
1 Platte zekering 3 A/violet
Vervangen:
Afb. 98Zekering van het Thetford-
toilet
Het luik voor de Thetford-cassette buiten aan het voertuig openen.
De Thetford-cassette verwijderen en het luik in de behuizingswand naar
Z De aardlekschakelaar bij elke aansluiting aan de 230-V-voorziening, min-
stens echter om de 6 maanden controleren.
Afb. 99230-V-zekeringenkast met
Een aardlekschakelaar (FI-schakelaar) (Afb. 99,4) in de zekeringenkast
(Afb. 99,3) beveiligt het volledige voertuig tegen lekstroom (0,03 A).
De nageschakelde beveiligingsautomaat (10 A) (Afb. 99,2) beveiligt de 230-Vcontactdoos, het stroomvoorzieningsapparaat, het extra laadapparaat en de
koelkast.
Bij voertuigen met speciale uitvoering, bijv. klimaatregeling, beveiligt een extra
beveiligingsautomaat (16 A) (Afb. 99,1) het apparaat.
InbouwplaatsDe zekeringenkast is in de buurt van de 230-V-aansluiting ingebouwd.
Aardlekschakelaar
controleren:
Als het voertuig aan de 230-V-voorziening is aangesloten, testknop
beveiligingsautomaat en FIschakelaar
(Afb. 99,5) indrukken. De aardlekschakelaar (FI) moet activeren.
8.9Aansluitschema dertienpolige stekker
Z De kleuren van de aansluitkabels voor de aansluiting op de contactdoos
van het trekvoertuig noteren. Een eventueel noodzakelijk wordende
nieuwe aansluiting wordt daardoor aanzienlijk vergemakkelijkt.
Z Om de dertienpolige stekker aan te sluiten op een zevenpolige contact-
doos een adapterstuk gebruiken (in de handel verkrijgbaar).
Afb. 100 Contactafbeelding van de dertienpolige stekker
In dit hoofdstuk staan instructies voor de inbouwapparatuur van het voertuig.
De instructies hebben alleen betrekking op de bediening van de inbouwappa-
ratuur.
Verdere informatie over de inbouwapparatuur kunt u in de gebruiksaanwij-
zingen van de inbouwapparatuur vinden, die apart bij het voertuig zijn meegeleverd.
De instructies hebben betrekking op:
z de verwarming
z de klimaatregeling
z de boiler
z het gaskooktoestel
z de gasbakoven
z de magnetron
z de afzuigkap
z de koelkast
9.1Algemeen
Z De warmtewisselaar van de heteluchtverwarming Truma moet na 30 jaar
worden vervangen. De warmtewisselaar van de warmwaterverwarming
Alde moet na 10 jaar worden vervangen. Alleen de fabrikant van de verwarming of een erkende werkplaats mag de warmtewisselaar vervangen.
De gebruiker van de verwarming moet voor de vervanging zorgen.
Z Uit veiligheidsoverwegingen moeten reserveonderdelen voor verwar-
mingsapparaten beantwoorden aan de opgaves van de producent en door
hem als reserveonderdeel zijn toegelaten. Deze reserveonderdelen
mogen alleen door de producent van het apparaat of een erkende werkplaats worden ingebouwd.
9Inbouwapparatuur
Z Nadere informatie kan worden ontleend aan de aparte gebruiksaanwijzing
van het betreffende inbouwapparaat.
In het voertuig zijn al naargelang uitvoering de inbouwapparaten verwarming,
boiler, kookplaat en koelkast ingebouwd.
In deze gebruiksaanwijzing worden alleen de bediening en de bijzonderheden
van de inbouwapparatuur beschreven.
Voor ingebruikname van een op gas werkend inbouwapparaat de hoofdafsluitkraan op de gasfles en de desbetreffende gasafsluitkraan openen.
X In de winter voor ingebruikname van de verwarming controleren, of de
schoorsteen op het dak sneeuw- en ijsvrij is.
X Gas wegens explosiegevaar nooit onverbrand laten uitstromen.
X Bij het tanken, op veerboten en in de garage de verwarming nooit in gas-
gebruik laten werken. Explosiegevaar!
X In gesloten ruimtes (bijv. garages) de verwarming nooit op gas laten
werken. Vergiftigings- en verstikkingsgevaar!
X Wanneer de circulatieluchtventilator niet automatisch aangaat, vanaf
verwarmingsniveau 3 tot 4 de circulatieluchtventilator inschakelen. Er
bestaat oververhittingsgevaar voor de verwarming!
X Gasafvoerbuis niet beschadigen.
X De gasafvoerschoorsteen niet afsluiten of dichtbouwen.
X Bij wintercamping de Truma schoorsteenverlenging gebruiken, opdat de
gasafvoerschoorsteen bij sneeuwval niet wordt bedekt door sneeuw.
X De ruimte achter de verwarming niet als opbergruimte gebruiken.
Bij de eerste ingebruikname van de verwarming treedt er kortstondig een
lichte rook- en geurhinder op. Onmiddellijk de verwarming met de bedieningsschakelaar op de hoogste stand zetten. Ramen en deuren openen en goed
ventileren. Rook en geur verdwijnen na korte tijd vanzelf.
9.2.1Modeluitvoeringen met gasafvoerschoorsteen aan de
9.2.2Juist verwarmen
Verdeling van de hete
lucht
rechter voertuigkant
X Als de voortent is opgebouwd en de verwarming in gasgebruik is inge-
schakeld, kunnen de afvoergassen van de verwarming zich ophopen in
de ruimte van de voortent. Verstikkingsgevaar! Zorgen voor een toereikende ventilatie.
Afb. 107 Luchtuitstroomopening
In het voertuig zijn verschillende luchtuitstroomopeningen (Afb. 107) aangebracht. Buizen leiden de warme lucht naar de luchtuitstroomopeningen. De
luchtuitstroomopeningen zo draaien, dat de warme lucht daar naar buiten
gaat, waar het gewenst is.