Amroh mr55 schematic

Page 1
Page 2
ATTENTIE
MK FONOLINT MR55
nieuw model-ontwerp
van bandrecorderversterker
voor WW-liefhebbers
Het aan dit modelplan ten grondslag liggende proefapparaat werd in het MK-laboratorium zorgvuldig ontworpen en serieus beproefd. Daar het de resultante is van jarenlange gespecialiseerde ervaringen sys­tematisch onderzoek van nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden, kan dit ontwerp onvoorwaardelijk worden aangeduid als een model voor een MODEL apparaat
! De Handy Soundkop kan niet bij de MR 55 worden gebruikt, i.v.m. een afwijkend systeem van wissen. Elke andere kop, die aan de gegevens voldoet, als in de beschrijving vermeld, is echter passend.
Gelet op de gunstige ervaringen met zijn voorganger, is de Fonolint MR55 in hoofdzaak opgezet volgens de grote lijnen van de MR51a (Bouwmap D 2). Zo zijn het chassis en de opstelling der onder­delen gehandhaafd, evenals de functieschakelaar. In het nieuwe ontwerp zijn echter 9 pens miniatuurbuizen toegepast en de ruime Muzed uitgangstransformator type U72, waarmede reeds dadelijk een veel betere geluidskwaliteit is te bereiken, vooral voor de lage tonen. Naast de gebruikelijke klankregelaar voor de hoge tonen is nu ook een afzonderlijke basregelaar aanwezig. Tenslotte werd een afzonderlijke oscillatorbuis toegepast zodat nu de eindbuis ook tijdens het opnemen beschikbaar is voor meeluisteren via de lu­idspreker, een niet te versmaden faciliteit voor controle van de opname. Tevens is voorzien in de toepassing van een h.f. wiskop. De vereffening (''equalizing") is gebaseerd op een bandsnelheid van 19 cm/sec aangezien dit wel de kleinste snelheid is waarmee nog juist werkelijkheids weergave kan worden gepleegd.
Opname gegevens: voor een a.f.stroom in de kop van 100 µA bij 1000 Hz:: Gevoeligheid aan microfoon ingang: 6 mV aan 2,2 megohm ,, ,, gram./radio ,, 800 mV aan 470 kilohm Weergave gegevens voor 3 W uitg. Vermogen bij 2000 Hz: Gevoeligheid aan kop-ingang: 1 mV ,, ,, gram./radio ingang: 120 mV Frequentie karakteristiek: 40–9500 Hz ± 3 dB
(opnemen + weergeven)
Eindtrap: tegenkoppeling: 8,5 dB
max. vermogen: 3,2 W I M vervorming (50 + 3000 Hz 4 : 1): in opnameversterker : nihil (onmeetbaar) in weergave voorversterker : ,, ,, in eindtrap (bij 3 W) : 6% na opname + weergave, achter ECC83 : 3–5% idem, aan uitgang : ca 8% Brom t.o.v. 3,2 W : bij max. gevoeligheid : – 33 dB bij volledig gemoduleerde ban : – 50 dB Wis– en h.f. magnetiserings frequentie : 40 kHz Max. wisstroom : ca 80 mA Max. h.f. magnetiseringsspanning : ca 180 mV
Technische specificatie
Technische en constructieve kwaliteiten worden gegarandeerd als de beste, die bij toepassing van gelijksoortig materiaal kunnen worden verwerkelijkt — sinds jaren gelden M K ontwerpen dan ook als richt­ingbepalend en ongeëvenaard, dank zij hun weldoordachte opzet, duidelijke documentatie en voortreffelijke afwerking.
Functies regelorganen: 1 – Diskantregelaar en luidspreker in/uit 2 – Basregelaar 3 – Sterkteregeling Pickup/Radio 4 – Sterkteregling Microfoon resp. weergeefkop 5 – Opname/weergaveschakelaar
Fig. 1. FREQUENTIEKARAKTERISTIEKEN VAN DE MR55. Kromme A: Signaal met constante amplitude aan p.u.ingang (of rooster EF86), klankregelaars op max. laag en hoog. C: Als boven, maar met diskantregelaar in minimumstand. D: Stroomsterkte in de opneemkop als functie van signaal met constante amplitude aan microfooningang; indien men het 11 kHz filter aanbrengt verloopt het rechtergedeelte van deze kromme volgens E. De kromme F geeft het verloop van de uitgangsspanning bij het afspelen van een volgens D opgenomen band; dit is dus de totale weergavekarakteristiek voor een bandsnelheid van 19 cm/sec. Tenslotte geeft B aan hoe deze karakteristiek voor de lage tonen verloopt met basregelaar in minimumstand. Bij de metingen werden een kop van de “Handy Sound” en AMROH–tape 51 gebruikt.
Page 3
Schakeling van de Fonolint MR 55 (fig. 2)
C 1, 6, 15, 23 – 100 µF elco 12 V Facon C 2, 10, 12, 16 – 0,1 µF papier ,, C 3 – 0,02 µF papier ,, C 4, 11 – 32 + 32 µF elco 350/380 V Novocon C 5, 21 – 0,05 µF papier Facon C 7, 8, 18 – 0,01 µF papier ,, C 9 – 47 pF keramisch L.C.C. C 13, 19 – 150 pF 5%, keramisch ,, C 14 – 5000 pF papier Facon C 17, 22 – 1000 pF papier ,, C 20 – 2000 pF papier ,, C 24 – 8 µF elco 450 V Novocon C 25, 26 – 32 + 32 µF elco 350/380 V ,,
C o – reeds aanw. in BO 4 C x – kabelcapaciteit, zie tekst L 1 – 104 mH Novocon F 4 L 2 – Mucore BO 4 L 3, 4 – 6 H Muvolett 6006 R 1 – 2,2 megohm ½ W Vitrohm R 2 – 2,2 kilohm ½ W ,, R 3, 6 – 220 kilohm 1 W ,, R 4 – 1 megohm 1 W ,, R 5, 27, 32 – 22 kilohm 1 W ,, R 7, 9 – 470 kilohm ½ W ,, R 8, 10, 16 – 470 kilohm potm. Vitrohm P257.K2 R 11 – 3,3 kilohm 1 W Vitrohm R 12, 15 – 100 kilohm ½ W ,, R 13 – 220 kilohm ½ W ,, R 14 – 22 kilohm ½ W ,, R 17 – 1,5 kilohm 1 W ,, R 18 – 120 kilohm 1 W ,, R 19 – 100 kilohm 1 W ,, R 20, 28 – 47 kilohm 1 W ,, R 21 – 3,3 megohm ½ W ,, R 22, 29 – 1 kilohm ½ W ,, R 23 – 470 kilohm potm. Vitrohm P55-K2 (m. druk/ R 24, 31, 33 – 220 ohm 1 W ,, trekschakelaar) R 25 – 100 ohm ½ W ,, R 26 – 15 kilohm 1 W ,, R 30 – 33 kilohm ½ W ,, R 34 – 100 ohm potm. M. schr. Inst. S 1, 2, 3 – 3 standen, 3 x 3 secties Novocon 48.080 S 4 – schakelaar op R 23 T 1 – Muzed U 72 T 2 – Muvolt PC 100 Z – smeltveiligheid 200 mA
Het bouwen van de versterker
Voor de bouw van deze versterker wordt ook het Amroh-universeel chassis toegepast. Alvorens de onderdelen te monteren, moeten in dit chassis nog enkele gaatjes worden geboord, o.a. voor het bevestigen van de uitgangstransformator, smoorspoel L4, selenium gelijkrichter en de montagestrippen (de zgn. weerstand bordjes). Daarna kunnen, met uitzondering van de kiesschakelaar en de montagestrippen, de onderdelen op de aangegeven plaatsen worden bevestigd. Gelijktijdig brengt men ook soldeerlippen aan, op in de bouwtekening d.m.v. harkjes aangegeven plaatsen.
De buishouders en de electrolytische condensatoren — C4, C11 — worden d.m.v. verloopplaatjes gemonteerd, waarbij men er vooral goed op toeziet dat de buishouders in de juiste stand komen en dat die voor EF86 en ECC83 voorzien zijn van een kraag voor schermbussen. Een verende opstelling van de EF86 d.m.v. rubberbusjes of ringen kan voor sommige exemplaren nodig zijn, om terugwerking- van de controleluidspre­ker of beïnvloeding door trillingen uit het recordermechanisme te voorkomen. Het is vanzelfsprekend dat alle verbindingsdraden naar de EF86 bu­ishouder dan in soepel draad worden uitgevoerd. De voedingstransformator PC100 wordt voorlopig nog provisorisch bevestigd, zodat latere verplaatsing mogelijk blijft (zie hoofdstuk: „Samenbouw met een recorder"). Met een van de bevestigingsbouten van de gelijkrichtercel wordt, met tussenvoeging van een afstandbus, de zekeringhouder vastgezet.
Page 4
In dit stadium gekomen, kunnen reeds een aantal verbindingsdraden worden aangebracht, voor zover die niet gaan naar de schakelaar, po­tentiometers en montage strippen. Wat dit bedraden betreft dient nog te worden opgemerkt, dat blank en goed vertind koperdraad, van 0,8 a 1 mm diameter, hiervoor het meest geschikt is. Voor isolatie worden de verbindingen dan overtrokken met een nauw sluitende isolatiekous. Voor het solderen bedient men zich bij voorkeur van een moderne, kleine soldeerbout, waarmee zelfs moeilijk bereikbare contacten kun­nen worden benaderd, zonder het risico dat de minder warmte be­stendige onderdelen worden beschadigd. Nog een goede raad: Gebruik voor het solderen ,,Super-speed" harskernsoldeer. Wanneer de verbind­ingen geheel volgens de bouwtekening worden gelegd, heeft men de zekerheid, geen moeilijkheden te zullen ondervinden en bovendien wordt een overzichtelijk geheel verkregen.
ACHTERAANZICHT MR55. Op de achterwand v.l.n.r.: 3 polige aansluit­ing voor opn./weerg.kop, microfoon aansluiting, pickup entrée, instel­schroef van de “ontbrommer”, luidspreker entrée en aansluiting voor de wiskop met geheel rechts de doorvoertule voor het netsnoer
De schakelaar
Tussen de secties SI en S2 van de schakelaar is een aluminium of messing scherm­plaatje aan te brengen. Een afzonderlijke uitslagtekening geeft daarvoor de maten aan. Dit scherm wordt bevestigd midden tussen de schakelaar secties SI en S2, hetgeen op de foto’s ook duidelijk is te zien. De moertjes aan de achterzijde van de schakelaar moeten daartoe even worden los genomen om de schermplaat over de schakelas en draadstangen te schuiven, waarna alles weer stevig in elkaar wordt gezet. Het tweede figuurtje in de tekening toont het schermplaatje dat dwars over de buishouder van de ECC83 moet worden aangebracht, zorg er voor dat dit geen sluiting maakt met de andere aansluitlippen. Alvorens de schakelaar nu definitief in het chassis te bevesti­gen, is het gewenst deze zover mogelijk te bedraden, dus de doorverbindingen tussen de verschillende contacten en de leidingen van, later na inbouw, lastig bereikbare punten. Wanneer de schakelaar in het chassis is vastgezet en de schermplaat is bevestigd, kunnen de verbindingen worden aangebracht, dus naar de buishouder EF86 en de microfoon- en kopconnectors. Vervolgens worden ook de montagestrippen geheel in overeenstemming met de bouwtekening gereed gemaakt en d.m.v. boutjes en afstandbusjes in het chassis beves­tigd. De anode en schermroosterweerstanden R3-R4 en de kathode weerstand R2 moeten met bijzondere zorg worden gesoldeerd; draden niet tekort af knippen en snel solderen. Dit is nodig om te voorkomen dat naderhand een hinderlijke ruis zou optreden. Het montagebordje, rechts opzij van het chassis, wordt met twee universele hoekstripjes vastgezet. Doch alvorens die in het chassis te schroeven, worden eerst de naar het chassis gekeerde verbindingen aangesloten; vervolgens wordt dit montageplaatje rechtopgezet en ook de andere zijde aangesloten. Alle nog overgebleven verbindingen kunnen nu ook worden gelegd met als laatste de afgeschermde leidingen naar de potentiometers. Voor deze leidingen kan men afgeschermd draad gebruiken doch het is in verband met de capaciteit veel gunstiger hiervoor coaxsnoer L 700 te nemen, hetgeen eveneens nodig is voor de verbindingen: C3 - potentiometer R8 en Cx - schakelaar sectie S1a - contact a3. Extra aandacht vragen nog de meng­weerstandjes R7 en R8, deze moeten geheel in de afscherming worden opgenomen. Het beste stopt men deze weerstandjes in een stukje,extra wijd afschermkous, er voor zorgend, dat ze geen sluiting met de afscherming kunnen maken. De gevlochten metaalkous moet met de afscherming van de beide kabels en het chassis worden verbonden. Wanneer nu de bedrading geheel is voltooid, is een nacontrole op mogelijk vergeten of verkeerd gemaakte verbindingen zeer gewenst. Eerst nadat men zich er van heeft overtuigd dat alles in orde is, kan de steker in het stopcontact worden gestoken. Er bestaat dan alleen nog de mogelijkheid dat de ver­sterker gaat genereren. In dat geval moeten de aansluitingen aan de primaire van de uitgangstransformator U72 worden omgepoold.
nl. na verloop van tijd heter worden dan de band verdraagt.
Aanpassing van de wiskop
De zelfinductie van de wiskop (K2) is met C22 afgestemd op de oscillatorfrequentie (40 kHz). De capaciteit van C17 bepaalt de aanpassing van de wiskop aan de oscillatorspoel, de aangegeven waarden van C22 en C17 gelden voor een zelfinductie van 5 mH van de wiskop. Als de zelfinductie van de wiskop niet met zekerheid bek­end is, zullen de waarden van C17 en 22 proefondervinde­lijk bepaald moeten worden, waarbij het doel is de voor­geschreven stroom door de wiskop te doen lopen. Als regel zal 40 a 60 mA nodig zijn. Behalve een thermokoppelmeter, die lang niet iedereen bezit, is een doodgewoon zaklantaarnlampje van 2,5 V – 0,1 A een geschikte stroomindicator. Neem de meter of het lampje in -serie met de wiskop wi kkeling op en begin met de waarde van 1000 pF voor C22 met stappen van 500 pF te vergroten, tot de stroomsterkte weer afneemt, C17 zal alleen vergroot resp. verkleind moeten worden, als de voor C22 gevonden, gunstigste waarde aanmerkelijk groter resp. kleiner is dan 1000 pF. Mocht het wissen na deze instelling op grootste wisstroom nog onvoldoende zijn, dan kan een groter vermogen ontwikkeld worden door R32 te verk­leinen, echter niet verder dan nodig is. De wiskop zou dan
Page 5
Instellen van de h.f. magnetiseringstroom
Pas als het wissen naar wens gaat, kan de instelling voor de h.f. magnetisering uitgevoerd worden. Gebruik hierbij in elk geval één van de normaal gang­bare moderne bandsoorten. De capaciteit van de dubbel-aderige afgeschermde leiding naar de kop, met een zelfinductie van 0,8 à 1 H, mag de 175 pF. niet overschrijden (één ader tegen afscherming plus andere ader). In de praktijk zal bij lengten tot 1 m van goede hoogfrequentkabel (b.v. type 86.023) deze waarde niet worden bereikt. Het verschil tussen de werkelijke waarde (te meten of te berekenen) en 175 pF is dan als Cx aan te brengen. Bij 1 m
86.023 kabel wordt dat 47 pF. Aan de kop behoort dan een 100 V hf. spanning aanwezig te zijn, een doorsnee gunstige waarde voor koppen met hoge impedantie. Als de magnetiseringsspanning te hoog is, komen de hoogste frequenties bij de opname in het gedrang. Een te lage veroorzaakt een verlaagde gevoeligheid en te snel optreden van vervorming door overmodulatie. De proef bestaat nu uit het opnemen van een zeer hoge toon (8 à 9 kHz), die men in overvloed ter beschikking heeft bij MG radio-ontvangst, als interferentie tussen de zenders. Men neemt achtereenvolgens op zonder Cx, met de berekende waarde en met het dubbele van die waarde. De kleinste waarde voor Cx waarbij de interferentietoon nog goed weergegeven wordt, is de gun­stigste.
Luidsprekerkeuze en aanpassing
De uitgangstransformator U72 is voorzien van aftakkingen voor 2,5-3,2 en 5 ohm. Er is dus aanpassing mogelijk op alle gangbare luidsprekerimpedan­ties, door eenvoudig de leiding naar de luidsprekeruitgang aan het overeenkomende aansluitpunt van de secundaire te verbinden. In het geval dat een kleine controleluidspreker bij de recorder ingebouwd wordt, behoeft deze niet dezelfde impedantie te bezitten als de “grote” lu­idspreker, doch kan aan een andere aftakking worden aangesloten. Tussen­voeging van een aan/uitschakelaartje is dan gewenst. Het frequentie bereik van de luidspreker die met de MR55 samenwerkt moet ook weer minstens gelijk zijn aan het bereik van de rest van de apparatuur. Het is dus alleszins de moeite waard om bijzondere aandacht te besteden aan de weergave van de uiterste grenzen van bet toonbereik. Voor de laagste tonen is dus een niet te kleine conusdiameter vereist, dus zo mogelijk een 25 cm for­maat, benevens een prima klankscherm (groot klankbord, basreflexkast, acoustische box). Het toonbereik naar de hoge zijde verlangt een extra voorziening in de vorm van een dubbele conus of een separate hoge tonen weergever. Een uitstekende combinatie is bv. de Peerless Concert Extra met de Peerless Bantam HF, aangesloten via een 1000 Hz scheidingsfilter (Amroh TW6).
Meeluisteren bij opname
Deze faciliteit biedt zeer bijzondere voordelen, daar men een voortdurende controle heeft op het opgenomene. Tot op grote hoogte maakt dit een opname indicator overbodig. Bij het mengen van twee programma's is dit de enige methode om de onderlinge sterkteverhouding goed te kunnen beoordelen en het is ook een onmisbare voorziening als de microfoon op een verwijderd punt opgesteld staat. De sterkte van het geluid tijdens het opnemen is afhankelijk van R21; een lagere waarde geeft meer geluid en omgekeerd. Met 3,3 megohm wordt meestal nog geen hinder ondervonden van rondzingen bij microfoon opnamen, vooral niet als de hoge tonen regelaar R16 op dof wordt ingesteld. De luidspreker kan echter tot zwijgen worden gebracht met een aparte schakelaar (S4), hetgeen noodzakelijk is, indien de microfoon tijdens de opname dicht bij de luidspreker is opgesteld.
DETAILBEELD VAN HET ONDERAANZICHT. Het haaks om­gezette schermplaatje schermt de tot de EF86 behorende schakel elementen af van de reat. De afgeschermde leidingen zijn hier allemaal uitgevoerd met Amroh coaxsnoer L700
Extra voorzieningen
Bij het schema in fig. 2 is nog een 11 kHz filter getekend, dat men desgewenst parallel aan C7 kan schakelen. Dit onderdrukt dan voor genoemde fre­quentie de tegenkoppeling over beide secties van de ECC83. met gevolg dat tijdens opnemen frequenties boven circa 5 kHz nog eens extra worden opge­haald (zie kromme E in fjg. 1). Toepassing van dit filter, dat bv. kan bestaan uit een smoorspoel F4 met een condensator van 2000 pF, heeft echter alleen zin indien de gebruikte kop en/of bandsoort een sterk afvallende frequentiekarakteristiek bezitten. Beschikt men echter over goede fabrikaten, dan kan het filter beter worden weggelaten aangezien het dan aanleiding zou kunnen geven tot hinderlijke vervorming van de hoge tonen of een onaangenaam klinkend „scherp" geluid bij de weergave. Combinatie met een WW versterker is gemakkelijk uitvoerbaar, men verbindt dan het knooppunt R21-R23 met de (hoogohmige) ingang van de WW installatie; laat men de eindtrap geheel weg, dan is de MR 55 een uitstekende magnetofoonvoorversterker. Als de daarachter te bezigen versterker met een klankregelsysteem uitgerust is, kunnen R21, 23 en C14 vervallen. De pot.meter R23 zal echter wel gehandhaafd moeten worden als verzwakker van de uitgangsspanning van de ECC83. Deze bedraagt nl. ruim 10 V en als regel zal men aan een tiende deel daarvan al genoeg hebben. Met R23 kan dus een gevoeligheidsaanpassing uitgevoerd worden. Wil men daarentegen R23 met C14 voor de hoge tonen regeling handhaven, dan komt parallel aan R23 nog een tweede pot.meter van gelijke waarde, waarvan dan de uitgangsspanning wordt afgenomen. Bij het weglaten van de eindtrap vervalt uiteraard ook een groot deel van de belasting voor de anodevoeding. De resterende versterker plus oscillator vraagt bij weergave slechts 1.5 mA anodestroom, bij op­name ca. 18 mA, terwijl de gloeistroom 1,2 A bedraagt. Voeding uit de eindversterker kan dus overwogen worden, als deze in het voedingsgedeelte vol­doende reserve heeft.
Samenbouw van een recorder
Een complete recorder bestaat uit een mechanisme voor het transport van de band, waarop zich de koppen bevinden, de versterker, al of niet voorzien van een modulatie-indicator en meestal nog een controle luidspreker. Het zou van al te veel optimisme getuigen als men dadelijk aan de band van de afmetingen van mechanisme, versterker en verdere onderdelen een kast of koffer zou ontwerpen en uitvoeren waarin het geheel een plaats vindt. De opname/weergave kop is nl. uiterst gevoelig voor magnetische velden die er van buitenaf op inwerken, zelfs als deze kop van een afscherming voorzien is. Die velden zijn aanwezig rond de motor(en) van het mechanisme, de uit­gangstransformator en afvlaksmoorspoel op de versterker, maar in overwegende mate stoort het veld van de voedingstransformator. Door enige maatregelen te treffen en verder op proefondervindelijke wijze te werk te gaan, kan men de invloed van de storende velden tegengaan en zo veel mogelijk opheffen. Dit is wel wat moeite waard. Het ontwerp van de versterker is er immers opgericht, ook de laagste tonen volledig tot recht te doen komen, maar daarmee is de gevoeligheid voor lichtnetbrom ook zeer groot. Wil men dit grote weergavebereik volledig benutten, dan dient het bromniveau zo laag mogelijk te liggen. De aanbevolen gang van zaken is de volgende. Bouw de versterker eerst geheel volgens de tekening, maar beves­tig de voedingstransformator zodanig dat deze nog zonder sloopwerk kan worden verplaatst. Verbind de versterker via de afgeschermde 2–aderige leiding met de opname/weergave kop en geef deze leiding voorlopig een lengte van 75 cm à 1 m. Opgesteld op deze afstand van de versterker ondervindt de kop geen hinder van een daaruit voorkomend bromveld. Verbind de afscherming van de leiding aan de zijde van de kop met de afscherming (statische en/of magnetische) die om de kop aanwezig moet zijn, maar zie er vooral op toe, dat deze niet in verbinding staat met de grondplaat en verdere metaaldelen van het mechanisme. Dit moet via een afzonderlijke leiding naar de versterker worden geaard. Met maximale versterking en met de basregelaar op
Page 6
maximum moet nu het brommen practisch afwezig zijn, in elk geval zodanig dat kortsluiting van de kop geen hoorbaar verschil maakt. De gloeidraadpo­tentiometer is daarbij in de gunstigste stand in te stellen. Nu valt eerst vast te stellen of de aandrijfmotor van het mechanisme brom veroorzaakt. Mocht dat onverhoopt het geval zijn, dan deugt het samenstel van mechanisme en kop niet en dient men zich, als het een fabrieksproduct betreft, met de leveran­cier te verstaan. Bij een zelfgebouwd apparaat kan men experimenteren met de afstand van de motor. Door liet huis met de stator om de eigen as te draaien is vaak een veel gunstiger situatie te vinden. Het is zeer belangrijk, dat een speciale recordermotor wordt gebruikt, waarvan het strooiveld zwak gehouden is. Het brommen dat tenslotte nog overblijft kan alleen nog verzwakt worden door een verbeterde afscherming van de kop door een (extra) mumetalen huis.
De volgende stap is een proefopstelling van het mechanisme boven de versterker. Het verdient sterke aanbeveling om de versterker onderste boven te plaatsen, dus met buizen en transformatoren aan het chassis hangend. Deze opstelling levert al direct de grootst mogelijke afstand tussen de voed­ingstransformator enz. en de kop. Uit een oogpunt van warmteontwikkeling hoeft deze opstelling geen bezwaren te geven, als men maar zorgt voor een ventilatie via bodem en achterwand van kast of koffer. De open bodem van het chassis, nu naar boven gekeerd, is bij voorkeur met een metalen plaat af te dekken. Voor de EF86 en ECC 83 is een schermhuls beslist nodig. Daar het mechanisme altijd aanmerkelijk dieper zal zijn dan de versterker, kan laatstgenoemde desgewenst t.o.v. het mechanisme, van voor naar achter nog een behoorlijk stuk verschuiven, als dat om de bromsterkte wenselijk is. Er bestaat daarbij een goede kans dat men de assen zal moeten verlengen maar daar is overigens geen bezwaar tegen. Als deze verplaatsing nog geen bevredigend resultaat opgeleverd heeft, kan men de proef herbalen met an­dere standen van de voedingstransformator, bv. met vertikaal gerichte spoelas. Ook kan een schuine opstelling gunstig blijken. Daar men bij deze pro­even het resultaat alleen kan beoordelen als de apparatuur in bedrijf blijft is het raadzaam, de lichtnet- en de hoogspanningsaansluitingen op de transfor­mator deugdelijk te isoleren, ter voorkoming van ongelukken. Volmaakte afwezigheid van brom zal niet altijd bereikt kunnen worden en wordt ook moeilijker bereikbaar naarmate de luidspreker de laagste tonen beter weergeeft. Gelukkig is de situatie zo dat met maximale versterking wel wat brom toelaatbaar is, want deze versterking zal in werkelijkheid niet nodig zijn. Van een goed gemoduleerde band, afgespeeld met een dubbelspoorkop in goede conditie, kan men een zodanige ingangsspanning; aan de versterker verwachten, dat deze volledig uitgestuurd wordt als de sterkteregelaar tussen ½ en ¾ open staat. Het is dus voldoende als bij deze gevoeligheid geen brom meer gehoord wordt, hoewel men dan het risico loopt, dat bij te zwak gemoduleerde banden die dus meer versterking eisen, weer wat brom gehoord zal worden.
Ombouw van Fonolint MR 51 in MR 55
Het voornaamste vraagpunt voor bezitters van de MR 51 is natuurlijk, wat van het voorhanden materiaal nog bruikbaar is bij ombouw. Voor wat de buizen betreft, zijn de EF 40 en EL 41 nog geschikt. De EF 42 wordt overbodig als a.f. versterker, maar kan als de wiskop niet veel vermogen vraagt mogelijk nog als oscillator dienst doen. Een zekerder weg is het, om de EL 41 als oscillator te gaan gebruiken en een EL 84 als eindbuis. Dat betekent dus de aanschaffing van de ECG83 en een EL84. Een grote uitgangstransformator U72 is beslist nodig; de bestaande Muvolett is echter heel goed geschikt voor de oscillatorvoeding (L3), waarbij de secundaire wikkeling vrij blijft. De bestaande voedingstransformator kan gehandhaafd worden maar voor de AZ1 ontbreekt ruimte op het chassis. De houder kan mogelijk aan de voed­ingstransformator of aan de buitenzijde van het chassis worden bevestigd. Ook kan overwogen worden, twee enkelfazige selenium gelijkrichters aan te brengen, waardoor de beschikbare spanning ook toeneemt.
Page 7
De omschakelaar, BO4 en diverse kleinere onderdelen blijven bruikbaar, maar neem de gelegenheid te baat om voor de koppelcondensatoren Cl, C3, C5 en C12 nieuw materiaal te monteren. Het zelfde geldt voor de anodeweerstanden R2, R10 en R12; en de kathodeweerstand R6, die bij twijfelachtige kwaliteit ruisen kunnen veroorzaken.
Niveaumeter
Controle op het signaalniveau tijdens opnemen heeft men reeds door de meeluistermogelijkheid. Bij het maken van bijzondere opnamen is een niveau­meter echter geen overbodige luxe. De in RB 1952–no 4 beschreven schakeling voldoet uitstekend en kan ook in de MR 55 worden ingebouwd; aans­luiten op het verbindingspunt van R20–R28–L1. Stelt men minder hoge eisen, dan voldoet de eenvoudige en weinig ruimte vergende niveau indicator met kristaldiode en DM70 (zie RB 1954–no 7), welke wordt verbonden aan het knooppunt C12–R20.
MATERIAALLIJST
Amroh Cat. no 2 50.000 pF papierkoker Facon 1 Universeel chassis 91.021 1 20.000 pF ,, ,, 1 Voedingstransformator Muvolt PC100 36.100 3 10.000 pF ,, ,, 1 Uitgangstransformator Muzed U72 34.115 1 6.000 pF ,, ,, 2 Smoorspoelen Muvolett 6006 43.022 1 2.000 pF ,, ,, 1 Oscillatorspoel Mucore B.O. 4 60.515 2 1.000 pF ,, ,, 1 r. f. smoorspoel Novocon F 4 62.503 1 47 pF keram.cond. L.C.C. 1 schakelaar 3 plaatjes, 3 standen Novocon 48.080 2 150 pF ,, 5% ,, 1 selenium gelijkrichter Siemens B250 C90 1 pf (Cx) ,, ,, 3 potentiometers 470 kilohm Vitrohm P254 k.2 1 potentiometer 470 kilohm m. treksch. Vitrohm P55 k.2 ½ Watt weerst. Vitrohm SBT 10% (zilver) 1 potentiorneter 100 ohm miniat. draadgew. 1 100 ohm code bruin-zwart-bruin 3 Montagestrippen 2 x 10 lips 11.220.002 2 1 kilohm ,, bruin-zwart-rood 1 2-pol. afgeschermde plug B. L. Screenector L.625/P 12.055 1 2.2 kilohm ,, rood-rood-rood 1 2-pol. afgeschermd chassisdeel B.L. Screenector L.625/S 13.054 1 22 kilohm ,, rood-rood-oranje 2 coax chassisdelen B.L. L.734/S 13.210.003 1 33 kilohm ,, oranje-oranje-oranje 2 coax. plugs B.L. L.734/P 13.210.013 2 100 kilohm ,, bruin-zwart-geel 2 entree's 13.021.001 1 22Ü kilohm ,, rood-rood-geel 2 Noval buishouders met kraag 14.408 2 470 kilohm ,, geel-violet-geel 2 Noval afschermhulzen (laag model) 14.400.003 1 2,2 megohm ,, rood-rood-groen 2 Novul buishouders 14.401 1 3,3 megohm ,, oranje-oranje-groen 5 verloopplaatjes voor buisliouders 14.500.004 1 rubbertule voor netsnoer 16.001 1 Watt weerst. Vitrohm ABT 10% (zilver) 2 Univers. Hulpstukjes (alum. stripjes) 3 220 ohm code: rood-rood-bruin 36 cm coax snoer L700 1 1,5 kilohm ,, bruin-groen-rood 1 m (max.) 2-aderig afgesch. leiding Amroh type 86.023 1 3,3 kilohm ,, oranje-oranje-rood 6 m vertind montagedraad 0.8 mm 1 15 kilohm ,, bruin-groen-oranje 5 m isolatiekous 1 mm 3 22 kilohm ,, rood-rood-oranje 1 2 x 32 µF 450 V Novocon 2 47 kilohm ,, geel-violet-oranje 2 2 x 32 µF 350/380 V koker elco Novocon 1 100 kilohm ,, bruin-zwart-geel 4 100 µF 12 V koker elco Facon 1 120 kilohm ,, bruin-rood-geel 1 8 µF 450 V koker elco Novocon 2 220 kilohm ,, rood-rood.geel 4 0,1 µF papierkoker Facon 1 1 megohm ,, bruin-zwart-groen
Daar de inhoud van deze map betrekking zou kunnen hebben op schakelingen en/of constructies geheel of ten dele door een Ned. Octrooi beschermd, zij er op gewezen dat in deze gevallen de Octrooi-wet de toepassing daarvan, anders dan voor experimenteel en eigen huishoudelijk gebruik, niet toestaat
Page 8
Loading...