Aprilia SCARABEO 125 IE User Manual 2010

Size:
43.77 Mb
Download

SCARABEO 125 i.e - 200 i.e.

Chap. 02

Use

Hst. 02

Gebruik

31

2 Use / 2 Gebruik

Checks

Controles

CAUTION

BEFORE RIDING, ALWAYS PERFORM A PRELIMINARY CHECK OF THE VEHICLE FOR CORRECT AND SAFE OPERATION AS SHOWN IN THE TABLE. FAILURE TO DO SO MAY LEAD TO SEVERE INJURY OR VEHICLE DAMAGE.

DO NOT HESITATE TO CONTACT AN OFFICIAL APRILIA DEALER IF YOU DO NOT UNDERSTAND HOW SOME CONTROLS WORK OR IF MALFUNCTION IS DETECTED OR SUSPECTED.

CHECKS DO NOT TAKE LONG AND RESULT IN ENHANCED SAFETY.

LET OP

VÓÓR HET VERTREK VOERT MEN STEEDS EEN VOORBEREIDENDE CONTROLE UIT VAN HET VOERTUIG, VOOR EEN CORRECTE EN VEILIGE WERKING, ZOALS WORDT AANGEDUID IN DE TABEL. HET NIET UITVOEREN VAN DEZE HANDELINGEN KAN ERNSTIGE LETSELS AAN UZELF OF SCHADE AAN HET VOERTUIG VEROORZAKEN.

AARZEL NIET OM ZICH TE WENDEN TOT EEN OFFICIËLE APRILIA DEALER WANNEER MEN DE WERKING VAN SOMMIGE COMMANDO'S NIET BEGRIJPT, OF WANNEER MEN ONREGELMATIGHEDEN OPMERKT OF VERONDERSTELT.

DE NODIGE TIJD VOOR EEN CONTROLE IS UITERST BEPERKT, EN DE VEILIGHEID KOMT OP DE EERSTE PLAATS.

PRE-RIDECHECKS

 

VOORAFGAANDE CONTROLES

 

Front and rear disc brake

Check for proper operation. Check

 

Voorste en achterste schijfrem

Controleer

de

werking, de lege

 

brake lever empty travel and brake

 

 

loop van

de

commandohendels,

 

 

 

 

 

 

 

32

 

fluid level. Check for leaks. Check

 

brake pads for wear. If necessary,

 

top-upthe brake fluid.

 

 

Brake levers

Check they function smoothly.

 

Lubricate the joints if necessary.

 

 

Throttle grip

Check that the throttle functions

 

smoothly and can be fully opened

 

and closed in all steering positions.

 

 

Wheels/ tyres

Check that tyres are in good

 

condition. Check inflation pressure

 

and check for tyre wear and

 

damage.

 

 

Steering

Check that the rotation is uniform,

 

smooth and there are no signs of

 

clearance or slackness.

 

 

Centre stand

Check that it works smoothly and it

 

goes back to its normal position

 

when the springs are released.

 

Lubricate couplings and joints if

 

necessary.

 

 

Clamping elements

Check that the clamping elements

 

are not loose.

 

Adjust or tighten them as required.

 

 

Fuel tank

Check the coolant level and refill if

 

necessary.

 

Check the circuit for leaks or

 

obstructions.

 

 

 

het peil van de vloeistof

en

 

eventuele

lekken. Controleer

de

 

slijtage van de pastilles. Indien

 

nodig

laat

men

remvloeistof

 

bijvullen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Remhendels

Controleer of ze zacht werken.

 

 

Smeer

 

indien

nodig

de

 

bewegingsplaatsen.

 

 

 

 

Gashendel

Controleer of hij zacht werkt en of

 

men hem volledig kan openen en

 

sluiten, in alle posities van het

 

stuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wielen/banden

Controleer

de

conditie

van

de

 

rijvlakken van de banden, de

 

spanning, de slijtage en eventuele

 

schade.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stuur

Controleer

of

het

draaien

 

homogeen en vloeiend, en zonder

 

speling of het lossen ervan

 

gebeurt.

 

 

 

 

 

 

 

Centrale standaard

Controleer of deze zacht werken,

 

en of de spanning van de veren ze

 

in

de

normale

positie

 

terugbrengen.

 

 

 

 

 

Smeer

 

indien

nodig

de

 

koppelingen

 

en

 

de

 

bewegingsplaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gebruik 2 / Use 2

33

2 Use / 2 Gebruik

 

Check that the tank cap closes

 

correctly.

 

 

Coolant

Fluid level inside the expansion

 

tank should be between the «MIN»

 

and «MAX» reference marks.

Lights, warning lights, injection

Check the correct operation of the

telltale light, horn and electrical

horn and lights. Replace the bulbs

devices

or intervene in case of failure.

 

 

Injection pump

Check that it works properly.

 

 

Bevestigingselementen

Controleer

of

 

de

 

bevestigingselementen niet gelost

 

zijn.

 

 

 

 

Stel ze af of sluit ze eventueel.

 

 

 

Brandstoftank

Controleer het peil, en tank indien

 

nodig.

 

 

 

 

Controleer eventuele

lekken

of

 

afsluitingen van het circuit.

 

 

Controleer de correcte sluiting van

 

de brandstofdop.

 

 

 

 

 

Koelvloeistof

Het vloeistofpeil in het expansievat

 

moet zich tussen de «MIN» en

 

 

«MAX» referenties bevinden.

 

Lichten, controlelampen,

Controleer de correcte werking van

controlelamp van de injectie,

de akoestische

en

visieve

akoestische melder en elektrische

mechanismen.

Vervang

de

mechanismen

lampjes of grijp in bij schade.

 

 

 

 

Injectiepomp

Controleer de correcte werking

 

 

 

 

 

 

Refuelling (02_01)

CAUTION

FUEL USED TO DRIVE EXPLOSION ENGINES IS HIGHLY INFLAMMABLE

Tanken (02_01)

LET OP

DE BRANDSTOF DIE WORDT GEBRUIKT VOOR DE AANDRIJVING VAN DE ONTPLOFFINGSMOTOR IS UITERST BRANDBAAR EN KAN EXPLO-

34

AND CAN BECOME EXPLOSIVE UNDER SPECIFIC CONDITIONS.

CARRY OUT REFILLING AND MAINTENANCE PROCEDURES IN A WELLVENTILATED PLACE AND WITH THE ENGINE OFF.

DO NOT SMOKE WHILE REFUELLING OR WHEN CLOSE TO FUEL VAPOURS, AVOID CONTACT WITH NAKED FLAMES, SPARKS OR ANY OTHER SOURCE THAT MAY CAUSE FUEL TO CATCH FIRE OR EXPLODE.

AVOID SPILLING FUEL OFF THE FILLER AS IT MAY CATCH FIRE IN CONTACT WITH THE ENGINE HOT SURFACES. IN CASE OF ACCIDENTAL FUEL SPILLS, CHECK THAT THE AREA IS COMPLETELY DRY BEFORE STARTING THE VEHICLE.

FUEL EXPANDS WHEN EXPOSED TO HEAT OR SUN RAYS, THEREFORE BE CAREFUL AND DO NOT REFILL THE TANK UP TO THE TOP.

CLOSE THE CAP ADEQUATELY AFTER REFUELLING. BE CAREFUL FUEL DOES NOT GET INTO CONTACT WITH YOUR SKIN, DO NOT INHALE VAPOURS OR SWALLOW FUEL. DO NOT TRANSFER FUEL FROM ONE CONTAINER TO ANOTHER USING A HOSE.

SIEF WORDEN IN BEPAALDE OMSTANDIGHEDEN.

VOER HET TANKEN EN DE ONDERHOUDSHANDELINGEN UIT IN EEN GEVENTILEERDE ZONE EN MET DE MOTOR UIT.

ROOK NIET TIJDENS HET TANKEN EN IN DE NABIJHEID VAN BRANDSTOFDAMPEN, EN VERMIJDT ABSOLUUT CONTACT MET VRIJE VLAMMEN, VONKEN EN EENDER WELKE ANDER BRON DIE HET VLAM VATTEN OF EXPLODEREN ERVAN KAN VEROORZAKEN.

VERMIJDT BOVENDIEN HET UITSTROMEN VAN BRANDSTOF UIT DE KLEP, OMDAT HIJ KAN VLAM VATTEN IN CONTACT MET DE GLOEIEND HETE OPPERVLAKKEN VAN DE MOTOR. WANNEER ER ONVRIJWILLIG BRANDSTOF WORDT GEMORST, CONTROLEERT MEN OF DE ZONE COMPLEET DROOG IS, VOORDAT MEN HET VOERTUIG START.

BRANDSTOF ZET UIT INDIEN BLOOTGESTELD AAN WARMTE EN ZONNESTRALEN, DUS MAG MEN DE TANK NOOIT VULLEN TOT AAN DE RAND.

SLUIT ZORGVULDIG DE DOP NA HET TANKEN. VERMIJDT DAT DE BRANDSTOF IN CONTACT KOMT MET DE HUID, VERMIJDT HET INADEMEN VAN DE DAMPEN, HET INSLIKKEN, EN HET OVERGIETEN VAN EEN TANK

Gebruik 2 / Use 2

35

2 Use / 2 Gebruik

CAUTION

DO NOT DISPOSE OF FUEL INTO THE

ENVIRONMENT.

CAUTION

KEEP OUT OF THE REACH OF CHIL-

DREN

 

Use premium unleaded petrol with mini-

 

mum octane rating of 95 (NORM) and 85

 

(NOMM)

 

To refuel:

 

Lift the saddle.

 

Unscrew and remove fuel tank

 

cap «1».

 

Refuel.

 

Refit the cap «1».

02_01

DO NOT ADD ADDITIVES OR ANY

 

OTHER SUBSTANCES TO THE FUEL.

WHEN USING A FUNNEL OR ANY

OTHER ELEMENT, MAKE SURE IT IS

PERFECTLY CLEAN.

NAAR EEN ANDERE MET BEHULP VAN EEN BUIS.

LET OP

LOOS DE BRANDSTOF NIET IN HET MILIEU.

LET OP

BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOUDEN

Gebruik loodvrije superbenzine, met een minimum octaangehalte van 95

(N.O.R.M.) en 85 (N.O.M.M.).

Voor het tanken van brandstof, handelt men als volgt:

Hef het zadel op.

Draai de dop van de brandstoftank «1» los en verwijder hem.

Voer het tanken van brandstof uit.

Plaats dop «1» opnieuw.

VOEG GEEN ADDITIEVEN OF ANDERE STOFFEN AAN DE BRANDSTOF TOE.

WANNEER EEN TRECHTER OF IETS ANDERS WORDT GEBRUIKT, MOET DEZE PERFECT SCHOON WORDEN.

36

NOTE

 

N.B.

AFTER REFUELLING, REFIT THE

NA HET TANKEN, PLAATST MEN DOP

FUEL TANK CAP «1» ADEQUATELY.

«1» OPNIEUW OP CORRECTE WIJZE.

Characteristic

Fuel tank capacity (including reserve):

8.5 l

Fuel tank reserve:

~ 2 l

Technische kenmerken

CAPACITEIT VAN DE TANK (inclusief de reserve):

8,5 l

RESERVE VAN DE TANK:

~ 2 l

Shock absorber adjustment

Regeling van de

(02_02, 02_03)

schokdempers (02_02, 02_03)

Check oil and oil seal of front suspension following the instructions on the scheduled maintenance table.

CAUTION

TO HAVE THE FRONT SUSPENSION OIL CHANGED TAKE YOUR SCOOTER TO AN Official aprilia Dealer WHO WILL PROVIDE A PRECISE AND PROMPT SERVICE.

Laat de olie en de oliekeerring van de voorste ophanging controleren op basis van de tabel van het geprogrammeerd onderhoud.

LET OP

VOOR DE VERVANGING VAN DE OLIE VAN DE VOORSTE OPHANGING WENDT MEN ZICH TOT EEN Officiële aprilia Dealer, DIE EEN ZORGVULDIGE EN SNELLE SERVICE ZAL GARANDEREN.

Gebruik 2 / Use 2

37

2 Use / 2 Gebruik

02_02

02_03

Turn the adjustment ring nut «1» (shock absorber spring preloading adjustment).

NOTE

CARRY OUT THE ADJUSTMENT ON BOTH REAR SHOCK ABSORBERS.

Turn the ring nut in direction A: Increase spring preloading. The vehicle suspension is very hard. To be used on roads with even or ordinary surfaces and when riding with passenger.

Turn the ring nut in direction B: Decrease spring preloading. The vehicle suspension is very soft. To be used on uneven roads and when riding without passenger.

Handel op de regelmoer

«1» (regeling van de voorbelasting van de veer van de schokdemper).

N.B.

VOER DE REGELINGEN UIT VOOR BEIDE ACHTERSTE SCHOKDEMPERS.

Rotatie van de moer naar A: de voorbelasting van de veer verhoogt. De inrichting van het voertuig is harder. Te gebruiken op een glad of normaal wegdek, en voor het rijden met passagier.

Rotatie van de moer naar B: de voorbelasting van de veer verlaagt. De inrichting van het voertuig is zachter. Te gebruiken op een onverhard wegdek en voor het rijden zonder passagier.

Running in

Inrijden

Engine run-inis essential to ensure engine long life and correct operation. If possible, ride on roads with lots of bends and/or slopes to test that the engine, suspensions and brakes perform efficiently.

Follow these indications:

De proefperiode van de motor is fundamenteel voor het garanderen van de duur en de correcte werking. Rij indien mogelijk op wegen met veel bochten en/of hellingen, waar de motor, de ophangingen en de remmen worden onderworpen aan een meer efficiëntere proefperiode.

38

Do not twist the throttle grip fully Men moet zich houden aan de volgende

at low rpm whether during or after run-in.

0-100km(0-62miles)During the first 100 km (62 miles) step carefully on the brakes to avoid rough and long braking. That is to permit the adequate adjustment of the pad friction material to the brake disc.

0-500km(0-312miles)During the first 500 km (312 miles) do not ride the scooter over 80% of the predetermined maximum speed.

AVOID KEEPING A CON-

STANT SPEED ALONG LONG SECTIONS OF ROAD.

After the first 1000 km (625 miles), gradually increase the speed until the maximum performance is reached.

CAUTION

indicaties:

Draai het gashandvat niet helemaal bij lage regimes tijdens het inrijden, en ook niet erna.

0-100km(0-62mijl)Tijdens de eerste 100 km (62 mijl) handelt men voorzichtig op de remmen, en vermijdt men om bruusk en lang te remmen. Dit om een correcte stabilisatie van het wrijvingsmateriaal van de pastilles op de remschijf toe te staan.

0-500km(0-312mi)Tijdens de eerste 500 km (312 mi) rijdt men niet harder dan 80% van de voorziene maximum snelheid.

Vermijdt om lang een constante snelheid aan te houden.

Na de eerste 1000 km (625 mi), verhoogt men geleidelijkaan de snelheid tot men de maximale prestaties bereikt.

LET OP

ALWAYS SIGNAL CHANGES IN DI-

 

 

RECTION WITH THE APPROPRIATE

MELD STEEDS OP VOORHAND WAN-

DEVICES AND WELL IN ADVANCE,

NEER MEN VAN RIJBAAN OF RIJ-

AVOID ABRUPT AND DANGEROUS

RICHTING

VERANDERT MET DE

MANOEUVRES. TURN OFF THE DEVI-

HIERVOOR VOORZIENE MECHANIS-

CES IMMEDIATELY

AFTER

THE

MEN, EN VERMIJD BRUUSKE OF GE-

CHANGE IN DIRECTION. RIDE WITH

VAARLIJKE

MANOEUVRES. SCHA-

EXTREME CAUTION

WHEN

OVER-

TAKING OR BEING OVERTAKEN BY

KEL DE MECHANISMEN ONMIDDEL-

LIJK UIT NADAT MEN VAN RIJRICH-

OTHER VEHICLES. WHEN IT RAINS,

TING HEEFT VERANDERD. WAN-

 

Gebruik 2 / Use 2

39

2 Use / 2 Gebruik

SPRAY CAUSED BY LARGE VEHICLES REDUCES VISIBILITY; AIR SHIFTS MAY CAUSE LOSS OF CONTROL ON YOUR VEHICLE.

CAUTION

AFTER THE FIRST 1000 KM (625 MILES) IN OPERATION, PERFORM THE CHECKS INDICATED IN THE SCHEDULED MAINTENANCE CHART TO AVOID INJURIES TO YOURSELF, OTHERS AND/OR DAMAGING THE VEHICLE.

NOTE

ONLY AFTER THE FIRST RUN-IN1000 KM (625 MILES) IT IS POSSIBLE TO ATTAIN THE BEST SPEED AND ACCELERATION PERFORMANCE OF YOUR SCOOTER.

NEER MEN INHAALT OF MEN WORDT INGEHAALD DOOR ANDERE VOERTUIGEN, MOET MEN ZEER VOORZICHTIG ZIJN. BIJ REGEN WORDT HET ZICHT VERMINDERD DOOR HET OPSTUIVEN VAN WATER, DAT WORDT VEROORZAAKT DOOR GROTE VOERTUIGEN; DOOR DE LUCHTVERPLAATSING KAN MEN DE CONTROLE OVER HET VOERTUIG VERLIEZEN.

LET OP

NA DE EERSTE 1000 KM (625 MIJL) VAN WERKING, VOERT MEN DE CONTROLES UIT DIE VOORZIEN ZIJN IN DE TABEL VAN HET GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD, OM LETSELS AAN ZICHZELF OF ANDEREN EN/OF SCHADE AAN HET VOERTUIG TE VOORKOMEN.

N.B.

ENKEL NA DE EERSTE 1000 KM (625 MI) VAN HET INRIJDEN, IS HET MOGELIJK OM DE BESTE PRESTATIES VAN HET ACCELERATIEVERMOGEN EN DE SNELHEID VAN HET VOERTUIG TE VERKRIJGEN.

40